Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8172

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
16-600168-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie pogingen tot inbraak in een woning en twee (voltooide) inbraken in een woning. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600168-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1983] te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich aan meerdere woninginbraken dan wel pogingen daartoe schuldig heeft gemaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien. Voor het onder 6 primair tenlastegelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd, dat het (technisch) onderzoek naar het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde te weinig (direct) wettig en overtuigend bewijs oplevert dat duidt op betrokkenheid van verdachte, hetgeen tot vrijspraak moet leiden. Voorts heeft de verdediging ten aanzien van deze feiten betoogd, dat op basis van de bewijsmiddelen een met een bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openblijft dat een ander dan verdachte de dader is, op grond waarvan verdachte behoort te worden vrijgesproken.

Voor wat betreft het onder 5 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd, dat niet zonder meer duidelijk is dat het aangetroffen (vinger)spoor een daderspoor betreft. Nu dit ongewis is, kan de rechtbank de conclusie van de deskundige – dat het spoor overeenkomst met de vingerafdruk van verdachte – niet over nemen en gebruiken als bewijsmiddel. Nu er voor het overige geen bewijs is dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Voor het onder 6 tenlastegelegde heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, omdat er geen bewijs is voor diefstal noch voor heling, nu niet blijkt dat verdachte heeft beschikt over de videocamera, althans wetenschap heeft gehad waar deze vandaan kwam op het moment van verkrijgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel, dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder 6 primair is ten laste gelegd. De verdachte dient dan ook hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de overige feiten als volgt.

Op 6 januari 2011 heeft mevrouw [slachtoffer 1] aangifte gedaan van inbraak in haar woning. Zij heeft verklaard, dat zij bij thuiskomst die dag bij haar woning aan de [adres] te [woonplaats] zag, dat het beslag van de achterdeur was verbogen. Zij heeft ook verklaard dat zij ook zag dat er een raam openstond en dat uit haar woning een aantal sieraden en een id-kaart zijn weggenomen.

Er is forensisch onderzoek verricht naar sporen aan de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In het hierover opgemaakte proces-verbaal wordt opgemerkt, dat het slot van de achterdeur door middel van de Bulgaarse methode is geforceerd en dat de buitenste afdekplaat van het slot deels was verbogen. Een links naast de achterdeur geplaatst raam is geforceerd; in de sluitnaad van dit raam worden indrukken gezien die vermoedelijk door het wrikken en steken met een breekvoorwerp veroorzaakt waren. Op de linkerzijde van het kozijn, aan de woonkamerzijde, wordt een dactyloscopisch spoor gezien. Dit spoor is veiliggesteld en voorzien van het referentienummer [nummer] Het spoor komt voor op het vingerafdrukkenblad ten name van verdachte.

Anders dan de verdediging, die ten aanzien van voornoemd spoor heeft betoogd dat niet zonder meer duidelijk is dat het hier een daderspoor betreft, is de rechtbank van oordeel dat zulks wel het geval is. De rechtbank overweegt dat het spoor is aangetroffen aan de binnenzijde van een openstaand raam, daar waar uit de verklaring van aangeefster mag worden afgeleid dat dit raam afgesloten was op het moment dat zij haar woning verliet.

Op 17 februari 2011 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan [adres] te [woonplaats]. Zij heeft verklaard dat zij die dag wakker werd van gestommel en in haar woonkamer een jongen zag staan die probeerde haar laptop te pakken en die zij vervolgens via haar balkon het dak op heeft zien klimmen.

Door de getuige [getuige 1] is verklaard, dat zij op 17 februari 2011 haar buurvrouw [de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]] op diens balkon in worsteling heeft gezien met een persoon die zij daarna op het dak van flatgebouw heeft zien klimmen. [getuige 1] heeft verklaard dat zij op dat moment iets van metaal op de straat heeft horen vallen en heeft onder het balkon van [slachtoffer 2] een schroevendraaier zien liggen. De persoon die zij op het dak heeft zien klimmen ziet zij even later het portiek van [adres] ingaan. [getuige 1] heeft deze persoon omschreven als ongeveer 25 jaar oud, kort donker haar, opvallend witte gympen en een bruine jas dragend.

Er is forensisch onderzoek verricht naar sporen aan de woning aan de [adres] te [woonplaats]. In het hierover opgemaakte proces-verbaal wordt opgemerkt, dat de onderzijde van het slotschild van de balkondeur was losgemaakt en omhoog gebogen. Vervolgens is de slotcilinder van de deur afgebroken. Het proces-verbaal van het forensisch onderzoek vermeldt voorts, dat ook het bovenlicht boven de balkondeur was losgewrikt. Een spoor wordt veiliggesteld en voorzien van identificatienummer [nummer].

Er is door de politie een vergelijkend werktuigsporenonderzoek gedaan. In het proces-verbaal dat hierover is opgemaakt is gerelateerd, dat de afgevormde werktuigsporen, met identificatienummer [nummer], aan het bovenlicht van de balkondeur van [adres] waarschijnlijk zijn veroorzaakt door de schroevendraaier die (rechtbank: door de getuige [getuige 2] onder het balkon is aangetroffen.

Naar aanleiding van de verklaring van [slachtoffer 2] heeft de politie onderzoek verricht op het dak van het complex waarin de woning van [slachtoffer 2] is gelegen. Door de politie is daarover in het proces-verbaal van bevindingen opgenomen, dat zij vanaf het dak hebben gezien dat van de woningen aan de [adres] en [adres] eveneens de slotplaten waren omgebogen en de cilindersloten afgebroken. Door de politie is voorts gerelateerd dat zij op het dak een gereedschapskist, een bruine handschoen en op het balkon van nummer [adres] een pakje shag hebben aangetroffen.

Door de bewoners van [adres] en [adres] is eveneens een verklaring afgelegd.

Door [slachtoffer 3] is verklaard, dat zij haar woning aan de [adres] te [woonplaats] op 13 februari 2011 afgesloten en onbeschadigd heeft achtergelaten. Bij terugkomst op 17 februari 2011 heeft zij geconstateerd, dat de slotplaat van haar balkondeur is verbogen, dat een trapje en een gereedschapskist zijn weggenomen en dat de gereedschapskist door de politie op het dak is teruggevonden, aldus haar verklaring.

Er is forensisch onderzoek verricht naar sporen aan de woning aan [adres] te [woonplaats]. In het hierover opgemaakte proces-verbaal wordt opgemerkt, dat de onderzijde van het slotschild van de balkondeur was losgemaakt en omhoog gebogen. Vervolgens is de slotcilinder van de deur afgebroken. Een spoor wordt veiliggesteld en voorzien van identificatienummer [nummer].

Er is door de politie een vergelijkend werktuigsporenonderzoek gedaan. In het proces-verbaal dat hierover is opgemaakt is gerelateerd, dat de afgevormde werktuigsporen, met identificatienummer [nummer], zijn veroorzaakt met de verstelbare schroefsleutel die is aangetroffen in de gereedschapskist, die op het dak van het complex is gevonden. In een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt, dat voornoemde schroefsleutel niet toebehoort aan [slachtoffer 3].

Door de bewoner van [adres] [adres], [slachtoffer 4], is verklaard dat hij zijn woning op 17 februari 2011 heeft afgesloten en in goede staat heeft achtergelaten. Bij terugkomst heeft hij gezien dat het slot van de balkondeur kapot was. Ook hier is forensisch onderzoek verricht naar sporen aan de woning. In het hierover opgemaakte proces-verbaal wordt opgemerkt, dat de onderzijde van het slotschild van de balkondeur was losgemaakt en omhoog gebogen. Vervolgens is de slotcilinder van de deur afgebroken. Een spoor wordt veiliggesteld en voorzien van identificatienummer [nummer].

In het naar aanleiding van een verricht werktuigsporenonderzoek opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, dat de afgevormde werktuigsporen, met identificatienummer [nummer], zijn veroorzaakt met de verstelbare schroefsleutel die is aangetroffen in de gereedschapskist, die op het dak van het complex is gevonden.

Door [slachtoffer 5] is verklaard, dat zij haar woning aan [adres] te [woonplaats] op 16 februari 2011 heeft afgesloten en is gaan slapen. Op 17 februari 2011 is haar door de politie verteld, dat er geprobeerd was in te breken via haar balkondeur.

In een proces-verbaal van bevindingen is vermeld, dat de slotplaat van de balkondeur van [adres] te [woonplaats] is verbogen en dat het cilinderslot is afgebroken.

Bij zijn aanhouding is bij verdachte een steeksleutel aangetroffen.

In het naar aanleiding van een verricht werktuigsporenonderzoek opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, dat de werktuigsporen in de afgebroken slotcilinder zijn veroorzaakt met de steeksleutel die in de fouillering van verdachte is aangetroffen.

Door de politie is onderzoek gedaan in de woning en kelderbox van [adres], die de politie ambtshalve bekend is als de woning van de oma van verdachte. In het daarover opgemaakt proces-verbaal van bevindingen is opgenomen, dat de politie in de kelderbox, waarin volgens verdachtes oma zijn spullen zouden liggen, een rechterhandschoen aantreft, waarover de politie opmerkt dat de linkerhandschoen is aangetroffen op het dak. Op de vloer treft de politie een horloge aan, naast de toegangsdeur een gereedschapskist op een wit kastje. De politie treft in dat witte kastje een zwart sieradendoosje (‘Haas Juweliers’) aan. Op de vloer treft de politie een plastic tas aan, met daarin een videocamera van het merk JVC. In de woning zelf vindt de politie een bruine jas en witte schoenen.

Door [slachtoffer 6] is aangifte gedaan van – onder meer – de diefstal van een videocamera van het merk JVC. Aan [slachtoffer 6] zijn door de politie de in de kelderbox aangetroffen goederen getoond. Door [slachtoffer 6] zijn de JVC-videocamera en het doosje van ‘Haas Juweliers’ herkend als zijn eigendom. Uit onderzoek naar de JVC-videocamera volgt nog, dat de politie op de beelden die op de camera staan de keuken herkent van de woning aan [adres], die korte tijd door verdachte is gekraakt. Door verdachte heeft ter zitting verklaard, dat hij weet over welke videocamera het gaat en dat hij deze een aantal keer heeft gezien en ook wel heeft vastgehad.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel, dat de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 subsidiair – in onderling verband en samenhang beschouwd wettig en overtuigend bewezen zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt met betrekking tot de feiten 1 tot en met 5 vast, dat deze inbraken dan wel pogingen tot inbraak voor wat betreft de werkwijze telkens overeenkomen. Die werkwijze kenmerkt zich door het verbuigen van de slotplaat waarna de cilinder uit het slot wordt verwijderd of afgebroken, de zogenoemde ‘Bulgaarse methode”. De rechtbank overweegt vervolgens, dat het signalement dat door de getuige [getuige 1] is gegeven van de persoon die zij vanaf het balkon van [slachtoffer 2] op het dak van het complex heeft zien klimmen en die zij kort daarna het portiek van [adres] – de woning van de oma van verdachte – heeft zien binnen gaan, overeenkomt met dat van verdachte en de in de woning van de oma van verdachte aangetroffen bruine jas en witte schoenen. Voorts overweegt de rechtbank, dat de in de kelderbox aangetroffen goederen – deels – van diefstal afkomstig zijn. De verklaring die verdachte ter zitting over de aanwezigheid van deze goederen in de kelderbox heeft gegeven, inhoudende dat hij deze in een tas vanuit het gekraakte pand aan [adres] heeft meegenomen en dat zijn oma de kelderbox wellicht zou hebben geordend, acht de rechtbank niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank valt immers hiermee niet te verklaren dat er in een wit kastje in de kelderbox een juwelendoosje is aangetroffen, dat van diefstal afkomstig blijkt te zijn. De rechtbank acht ook het aantreffen van de linkerhandschoen op het dak van het complex en de rechterhandschoen van het kennelijk zelfde paar in de kelderbox van [adres] redengevend.

Op grond van het voorgaande, in combinatie met de – kort gezegd – te [woonplaats] aangetroffen vingerafdruk van verdachte en het in zijn fouillering aantreffen van een steeksleutel, waarvan is vastgesteld dat deze is gebruikt bij de poging tot inbraak in de woning aan de [adres] en waarover de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onaannemelijke verklaring heeft afgelegd en wel dat hij deze steeksleutel dezelfde ochtend zou hebben gevonden op straat, komt het de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk voor dat de ten laste gelegde feiten door een ander of door anderen dan verdachte zouden zijn begaan. Hoewel het geen direct bewijs oplevert acht de rechtbank het aantreffen van een pakje shag op een balkon van het complex aan [adres] te [woonplaats] indicatief voor de betrokkenheid van verdachte bij de (pogingen tot) inbraak, nu zijn oma heeft verklaard dat hij dit rookt, terwijl de bewoner heeft aangegeven dat niemand in zijn huis shag rookt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 17 februari 2011 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres] weg te nemen enig goed en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 2], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door inklimming en braak, naar een dak en vervolgens naar een balcon van die woning is geklommen en vervolgens een deurslot van die woning heeft verbroken/geforceerd en die woning is binnengegaan en die woning heeft doorzocht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

in de periode van 13 februari 2011 tot en met 17 februari 2011 te [woonplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan [adres] heeft weggenomen een trapje en een gereedschapskist met divers gereedschap, toebehorende aan

[slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

door inklimming en vervolgens door braak op een deurslot van die woning;

3.

in de periode van 16 februari 2011 tot en met 17 februari 2011 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan [adres] [adres] weg te nemen enig goed en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 4], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door inklimming en/of braak, naar een dak en vervolgens naar een balcon van die woning is geklommen en vervolgens een deurslot van die woning heeft verbroken/geforceerd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

in de periode van 16 februari 2011 tot en met 17 februari 2011 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan [adres] weg te nemen enig goed en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 5], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door inklimming en/of braak, naar een dak en vervolgens naar een balcon van die woning is geklommen en vervolgens een deurslot van die woning heeft verbroken/geforceerd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

5.

op 6 januari 2011 te [woonplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning heeft weggenomen een aantal sieraden en een id-kaart, toebehorende aan [slachtoffer 1],waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door braak op een raam van die woning en vervolgens door inklimming;

6.

subsidiair

in de periode van 28 januari 2011 tot en met 17 februari 2011 te [woonplaats], een videocamera, merk JVC, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het het voorhanden krijgen van die videocamera wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen telkens meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 2 en 5 bewezenverklaarde:

telkens: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde:

Telkens: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Ten aanzien van het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde:

Opzetheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair de afwijzing van de vordering van de officier van justitie bepleit, nu niet aan de adviesplicht is voldaan; er zijn geen nieuwe omstandigheden sinds de vorige zitting, verdachte is niet veranderd en er is geen nieuw onderzoek geweest.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit om de vordering af te wijzen, nu er – ofschoon het niet langer aan het opleggen van de ISD-maatregel in de weg staat – nog vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf openstaan, hetgeen de kans van slagen van de ISD-maatregel kleiner maakt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, evenals de persoon zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking daar van het na te noemen rapport is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 18 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Voor wat betreft de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie pogingen tot inbraak in een woning en twee (voltooide) inbraken in een woning. Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan heling.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van Centrum Maliebaan d.d. 30 mei 2011. Verdachte heeft aan het opstellen van dit rapport niet meegewerkt, zodat de in artikel 38m, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht verwoorde adviesplicht op de voet van het vijfde lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

In het rapport wordt opgemerkt, dat verdachte wantrouwig blijkt en weigert inzicht te geven in zijn leefsituatie. Voorts blijkt uit het rapport, dat verdacht niet te motiveren is om deel te nemen aan reclasseringsinterventies. Ook zijn sociale netwerk heeft steeds minder grip op verdachte en raakt het contact met hem kwijt. De kans op recidive wordt als hoog geschat. Geadviseerd wordt de ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel, dat het aantal bewezen verklaarde feiten en de ernst daarvan zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen. Bij de oplegging van de straf kan de rechter zich oriënteren op oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). Hieruit volgt dat reeds voor een enkele woninginbraak in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden opgelegd kan worden en in geval van frequente recidive zelfs zeven maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal de officier van justitie evenwel volgen in zijn eis tot het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Bij de keuze tot het opleggen van deze maatregel heeft de rechtbank met name gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Uit het 17 pagina’s tellende strafblad van verdachte is de rechtbank gebleken dat verdachte veelvuldig (onherroepelijk) is veroordeeld tot gevangenisstraffen en/of taakstraffen wegens vermogensdelicten, laatstelijk op 8 december 2010. Hiermee is voldaan aan de eisen die artikel 38m, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt aan de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Immers, de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

Het doel van de ISD-maatregel is enerzijds langdurige vrijheidsbeneming waardoor voortzetting van het criminele gedragspatroon van volwassen zeer actieve veelplegers feitelijk onmogelijk wordt gemaakt en anderzijds om recidive te verminderen door gedragsverandering en reïntegratie in de maatschappij. De rechtbank benadrukt, dat naar haar oordeel verdachte niet in staat is gebleken om op eigen kracht zijn gedrag te veranderen en zijn leefsituatie te verbeteren. Eerder hulpaanbod heeft verdachte niet aangegrepen.

De ISD-maatregel is daarom voor verdachte een kans, ook al ziet hij dat thans zelf niet.

De rechtbank zal, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bepalen dat de officier van justitie binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent dient te berichten.

7 Het beslag

7.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbenden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 45, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 6 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat telkens meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

- bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis bericht over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel;

- beveelt de oproeping van de verdachte, diens raadsman en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 12;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Kruijff-Bronsing, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. E.A. Messer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juni 2011.