Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8140

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
16.711866-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verdenking van productie van en handel in hennep/hasjiesj en deelname criminele organisatie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde, reeds omdat onvoldoende blijkt dat verdachte heeft geweten dat de dozen waarbij verdachte betrokken was hennep bevatten of voor het vervoer van hennep zouden worden gebruikt. Het enkele feit dat verdachte veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met een medeverdachte is onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid van hennep, nu de inhoud van deze telefoongesprekken niet bekend is dan wel uit de inhoud van deze gesprekken geen concrete verwijzing naar hennep voorkomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.711866-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman: mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 mei en 1 juni 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 oktober 2010 zich (samen met anderen bedrijfsmatig) heeft bezig gehouden met de productie van en handel in hennep

2. in de periode van 1 september 2010 tot en met 1 oktober 2010 zich (samen met anderen bedrijfsmatig) heeft bezig gehouden met de productie van en handel in hasjiesj

3. in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 oktober 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die de productie van en handel in hennep en hasjiesj tot doel had

3. De voorvragen

3.1. De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2. De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman is van mening dat er sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a wetboek van strafvordering. Gelukkig is dit uitgekomen door een verschrijving in het dossier. Uit het BOB-verbaal op pag 1787 blijkt dat er eerder een opsporingsonderzoek onder de naam Vrouw is gestart op 8 juni 2009. Hiervan is verder niets bekend. Het huidige onderzoek zou 09vrouw heten, dus een ander onderzoek zijn. Verder wijst de raadsman op het proces-verbaal op pagina 522-532. Hierin staat dat al op 31 mei 2010 de opdracht is gegeven een onderzoek te starten naar de growshop [bedrijf 1]. Verder is een plaatje van een speelkaart zichtbaar dat afwijkt van andere plaatjes van speelkaarten die op het dossier prijken. Hieruit blijkt het om meer”vrouwen” gaat, een nieuwe aanwijzing dat er meer dan een onderzoek “vrouw” is gestart. Ten slotte blijkt uit genoemd proces-verbaal dat er CIE-informatie van zeker 20 verschillende informanten is gebruikt. Algemeen bekend is dat de gebruikte CIE-processen-verbaal slechts een weerslag zijn van veel meer informatie van meer informanten. Het is dus slechts het topje van de ijsberg.

De raadsman haalt uit het voorgaande de volgende drie punten. In de eerste plaats dat er tenminste twee verschillende onderzoeken “Vrouw” zijn gestart en dat van het eerste eigenlijk niets bekend is. De rechtbank kan de betrouwbaarheid en rechtmatigheid hiervan niet toetsen. In de tweede plaats dat er – gelet op de stelselmatigheid van het inwinnen van informatie - sprake moet zijn geweest van een verkennend onderzoek. Een vordering en bevel daartoe op basis van artikel 126gg en verder wetboek van strafvordering ontbreekt echter. In de derde plaats geldt dat indien er geen verkennend onderzoek is geweest, er gebruik moet zijn gemaakt van informanten. Een bevel als bedoeld in artikel 126v wetboek van strafvordering ontbreekt ook in het dossier.

De raadsman concludeert dat er sprake is van een vormfout in die zin dat de officier bewust stukken heeft achtergehouden zodat de rechtbank de opsporingshandelingen niet kan toetsen op rechtmatigheid. Hij vindt dat er maar één consequentie kan zijn: niet-ontvankelijkheid van het OM.

De officier van justitie zegt dat in het BOB-verbaal een verkeerde datum staat. In juni 2009 is wel een project gestart dat op basis van bestaande CIE-informatie, oude processen-verbaal en openbare bronnen (zoals de Kamer van Koophandel) heeft bezien of het de moeite waard is een onderzoek te starten tegen een growshop. Dit project heette “Donderslag”. Dit project is op 1 oktober 2009 geëindigd. Op 1 juni 2010 is het onderzoek “Vrouw” gestart. Hierbij is op enig moment gebruik gemaakt van de gegevens uit het project “Donderslag”. Op 27 september 2010 is bij proces-verbaal een verzoek voor toestemming gedaan om gebruik te maken van de gegevens uit het project “Donderslag”. De officier verwijst naar pagina 629 van het proces-verbaal waarin dit is gerelateerd en waarin duidelijk is aangegeven dat soms data en projectnamen door elkaar zijn gehaald.. Bovendien was hij in juni 2009 op vakantie en zou er onder zijn leiding helemaal geen onderzoek kunnen zijn gestart. Verder zegt hij dat er eerst oude CIE-verbalen uit 2009 zijn gebruikt bij “Donderslag” en in 2010 opnieuw CIE-verbalen zijn toegevoegd. De officier concludeert: geen verkennend onderzoek, geen gebruik van informanten en slechts een verschrijving in een BOB-verbaal wat overigens in het dossier zelf is verantwoord. Er is met andere woorden in zijn ogen geen sprake van een vormfout.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een vormfout als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. De rechtbank accepteert de uitleg van de officier van justitie. Een andere verklaring voor de datum 8 juni 2009 is niet aannemelijk geworden. Met het voorkomen van verschillende afbeeldingen in het dossier van een speelkaart “vrouw” en de vele CIE-processen-verbaal in het dossier wordt evenmin een andere uitleg dan die van de officier geeft, aannemelijk. Dit betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3.4. Schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak ten aanzien van feit 2. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 3 heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte 1] dozen heeft gelost in het magazijn van de growshop en de inhoud van sms-berichten die betrekking zouden hebben op bestellingen van hennepstekken en twee bezoeken van verdachte aan de woning aan de [adres], terwijl uit sms-berichten zou blijken dat in dezelfde periode aan de tenaamgestelde van deze woning hennepstekken werden geleverd door medeverdachte [medeverdachte 2].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het tenlastegelegde. De raadsman wijst er op dat uit niets blijkt dat verdachte ervan op de hoogte was dat de dozen die hij afleverde gebruikt werden voor het vervoeren van hennepstekken. Omdat verdachte niet op de hoogte was van het bestaan van een criminele organisatie, kan hij daar ook geen deel van hebben uitgemaakt.

Daarnaast voert de raadsman aan dat de periode in de tenlastelegging niet juist is, aangezien het onderzoek pas op 1 juni 2010 is aangevangen. Uit jurisprudentie blijkt bovendien dat de [bedrijf 2] te Nieuwegein door meerdere handelaars in softdrugs werd gebruikt en dat om die reden transporten op deze locatie niet zonder meer aan verdachte en medeverdachten kunnen worden toegerekend, zo concludeert de raadsman.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde, reeds omdat onvoldoende blijkt dat verdachte heeft geweten dat de dozen waarbij verdachte betrokken was hennep bevatten of voor het vervoer van hennep zouden worden gebruikt. Het enkele feit dat verdachte veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] is onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid van hennep, nu de inhoud van deze telefoongesprekken niet bekend is dan wel uit de inhoud van deze gesprekken geen concrete verwijzing naar hennep voorkomt. Ook het feit dat verdachte een sms-bericht van [medeverdachte 2] heeft ontvangen, draagt daaraan niet bij nu de inhoud van dit sms-bericht niets vermeldt over leveringen van hennep. Daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij leveranties van hasjiesj.

Nu het dossier onvoldoende bewijs bevat van betrokkenheid van verdachte bij leveringen van hennep en hasj, is de rechtbank van oordeel dat ook niet bewezen kan worden dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die het plegen van genoemde feiten als oogmerk had. Ook daarvan zal verdachte worden vrijgesproken.

5. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1, 2 en 3;

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorst) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 juni 2011.