Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8049

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
16.601026-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verdenking van het samen met anderen voorhanden hebben van 52,5 kilogram hasj. De rechtbank overweegt dat het beeld dat door de officier van justitie ter terechtzitting is geschetst ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de handel in hasj weliswaar niet onaannemelijk is, maar dat het dossier hiervoor het bewijs onvoldoende levert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.601026-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 mei en 1 juni 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 13 oktober 2010 (samen met anderen) 52,5 kilogram hasj voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de camerabeelden van 13 oktober 2011 waaruit blijkt dat verdachte naast [medeverdachte 1] stond die dozen met hasj uit een auto haalde, waarna verdachte een zak tuinaarde in de kofferbak van de auto gooide. Bovendien blijkt uit het feit dat verdachte het telefoonnummer van de stekkenboer (medeverdachte [medeverdachte 2]) in zijn telefoon had staan en hij inmiddels een sms van [medeverdachte 2] had ontvangen dat hij ervan op de hoogte was of in elk geval bewust de kans aanvaardde dat de dozen softdrugs bevatten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman voert aan dat verdachte niet wist wat de inhoud was van de dozen die werden overgeladen in zijn aanwezigheid. Dat verdachte het telefoonnummer van [medeverdachte 2] in zijn telefoon had staan, was omdat verdachte in het kader van zijn werkzaamheden bij de growshop stekkendozen bestelde bij [medeverdachte 2], aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het beeld dat door de officier van justitie ter terechtzitting is geschetst ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de handel in hasj weliswaar niet onaannemelijk is, maar dat het dossier hiervoor het bewijs niet levert.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat uit niets blijkt dat verdachte heeft geweten dat er hasj zat in de dozen, waarvan hij moet hebben gezien dat deze werden uitgeladen. Het enkele feit dat verdachte het telefoonnummer van de stekkenboer (= medeverdachte [medeverdachte 2]) in zijn telefoon had staan is onvoldoende voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid van hasj in gesloten en in tassen verpakte dozen, die uit de ene auto (en in de andere auto) werden geladen in zijn aanwezigheid. Ook het feit dat bij verdachte een sms-bericht van [medeverdachte 2] is aangetroffen draagt daaraan niet bij, nu de inhoud van dit sms-bericht verwijst naar het klaarleggen van dozen en niets vermeldt over de inhoud van die dozen.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen ten laste is gelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 juni 2011.