Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7710

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
SBR 10/2813
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een Wajong-uitkering aangevraagd in verband met psychische en lichamelijke klachten. Eiser is in verband met een gedragsstoornis in contact geweest met Jeugdzorg en is behandeld in het UMC. Bij eiser is ADHD vastgesteld alsook een chronische posttraumatische stress stoornis vanwege jeugdtraumata. Verweerder heeft geweigerd eiser een Wajong-uitkering toe te kennen omdat eiser volgens verweerder voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft, onder verwijzing naar een reactie van 31 augustus 2010 van de bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy op de beroepsgronden, gesteld dat eiser niet als ‘psychisch niet zelfredzaam’ kan worden aangemerkt omdat hij tot op zekere hoogte een huishouden kan voeren.

De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser disfunctioneert in samenlevingsverband en in het onderhouden van sociale contacten. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als ‘psychisch niet zelfredzaam’ in het verweerschrift en ter zitting uitdrukkelijk (en uitsluitend) heeft verwezen naar de brief van bezwaarverzekeringsarts van W.C. Hovy van 31 augustus 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering niet toereikend. Daarvoor is redegevend dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser sinds november 2008 woont onder begeleiding van het Blauwe Huis. Ter zitting heeft de heer Van der Pol benadrukt dat eiser niet zelfstandig woont maar dat hij onder toezicht van de stichting op een buitenlocatie is geplaatst omdat hij niet te handhaven was in een omgeving met andere bewoners vanwege zijn disfunctioneren in sociaal verband. Van der Pol heeft verder verklaard dat alle contacten met instanties door middel van zijn tussenkomst geschieden en dat eiser niet de verantwoordelijkheid kan dragen over zijn financiën. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het vorenstaande, niet zonder nadere motivering de conclusie worden getrokken dat eiser zelfstandig woont. De gevolgtrekking in de brief van 31 augustus 2010 dat niet wordt toegekomen aan een onderzoek naar het bestaan van een ernstig psychiatrische stoornis bij eiser omdat hij zelfstandig woont, houdt naar het oordeel van de rechtbank, gelet hierop, evenmin stand. In dat verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat in de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts wordt vermeld dat de psychische klachten van eiser serieus worden genomen, dat eiser last heeft van chaos in zijn hoofd, dat hij zich niet lang kan concentreren en dat hij daarnaast – door traumata uit het verleden – snel agressief of angstig kan reageren, maar er wordt in deze rapportages, naar het oordeel van de rechtbank, niet inzichtelijk gemaakt waarom deze indicaties onvoldoende zijn om in dit geval onderzoek te doen naar het bestaan van een ernstige psychiatrische stoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2813

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P.H. Burger, advocaat te Utrecht

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: mr. A. Schalkwijk.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 2 maart 2010 heeft verweerder geweigerd om eiser in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 11 april 2011, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiser, geboren op 15 maart 1989, heeft op 15 september 2009 een Wajong-uitkering aangevraagd in verband met psychische en lichamelijke klachten. Eiser is in Zuid-Afrika geboren en is op 11 december 2003 naar Nederland verhuisd. Hij heeft enige tijd gewoond bij zijn vader in Helmond. Eiser is in verband met een gedragsstoornis in contact geweest met Jeugdzorg Helmond en nadien met Jeugdzorg Utrecht en is behandeld in het UMC. Bij eiser is ADHD vastgesteld alsook een chronische posttraumatische stress stoornis vanwege jeugdtraumata.

2.2 Verweerder heeft geweigerd eiser een Wajong-uitkering toe te kennen omdat eiser volgens verweerder voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van zijn besluit heeft verweerder verwezen naar het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. In het dossier bevinden zich rapportages van verzekeringsarts F.L. Dekker van 19 januari 2010 en 11 februari 2010, een rapportage van arbeidsdeskundige A. Cuppen-Wijsen van 9 februari 2010, een rapportage van bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy van 13 juli 2010 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van R. Stroband van 15 juli 2010. Tevens bevindt zich in het dossier een reactie van 31 augustus 2010 van de bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy op de beroepsgronden van eiser.

2.3 Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij heeft in beroep onder meer aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij psychisch niet zelfredzaam is in de zin van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit. Volgens eiser beschikt hij niet over benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede lid van deze bepaling. Eiser heeft erop gewezen dat volgens de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit een persoon ‘psychisch niet zelfredzaam’ wordt geacht indien sprake is van ‘onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren’. Volgens eiser voldoet hij aan de criteria die daarvoor zijn gesteld: hij is niet in staat is tot het plegen van noodzakelijke handelingen tot zelfbehoud, hij kan niet functioneren in samenlevingsverband en hij is niet in staat tot het onderhouden van sociale contacten buiten het gezin zodat hij ook niet in staat is om in een werksituatie te functioneren. Dit heeft eiser onderbouwd met een brief van [A], zijn persoonlijk begeleider bij het Blauwe Huis en brieven van 1 november 2010 en 29 november 2010 van psycholoog H. Schepers en psychiater N. Buitelaar.

2.4 Verweerder heeft, onder verwijzing naar een reactie van 31 augustus 2010 van de bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy op de beroepsgronden, gesteld dat eiser niet als ‘psychisch niet zelfredzaam’ kan worden aangemerkt omdat hij tot op zekere hoogte een huishouden kan voeren.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wajong is - voor zover hier van belang - arbeidsongeschikt de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is de voor hem in aanmerking komende arbeid te verrichten.

2.7 Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is er slechts sprake van arbeidsongeschiktheid indien en voor zover een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, resulterend in een relevant inkomensverlies. De wijze waarop de betrokkene zelf de gezondheid(klachten) ervaart kan daarom geen toereikende grondslag vormen om arbeidsongeschiktheid aan te nemen (zie onder meer uitspraak van CRvB van 20 april 2007. LJN: BA3622).

2.8 Op de onderhavige zaak is van toepassing het met ingang van 26 juli 2000 in werking getreden Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit).

2.9 Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van dit Schattingsbesluit kan van het arbeidskundig onderzoek worden afgezien gedurende een periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft.

2.10 Op grond van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zijn benutbare mogelijkheden alleen dan niet aanwezig, indien:

[…]

d. betrokkene in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband als ook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.

2.11 Uit de nota van toelichting bij het Schattingsbesluit volgt dat het verlies van zelfredzaamheid van psychische aard slechts wordt aangenomen indien betrokkene op drie terreinen aantoonbaar disfunctioneert. Er moet sprake zijn van disfunctioneren in (1) de zelfverzorging in het dagelijks leven, in (2) samenlevingsverband en in (3) sociale contacten buiten het gezin, inclusief het onderhouden van werkrelaties.

2.12 De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser disfunctioneert in samenlevingsverband en in het onderhouden van sociale contacten. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als ‘psychisch niet zelfredzaam’ in het verweerschrift en ter zitting uitdrukkelijk (en uitsluitend) heeft verwezen naar de brief van bezwaarverzekeringsarts van W.C. Hovy van 31 augustus 2010. In deze brief merkt de bezwaarverzekeringsarts dienaangaande op:

‘belanghebbende woont zelfstandig, kan dus tot op zekere hoogte een huishouden voeren. Alleen al om die reden is er krachtens het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten geen sprake van onredzaamheid in psychologische zin. Om die reden kom ik niet toe aan het onderzoek van het bestaan van een ernstige psychische stoornis. Daarmee wil niet gezegd zijn dat er geen forse functioneringsproblemen zijn. Ik hecht er aan op te merken dat ik zowel overleg heb gezocht met de psycholoog als mede psychiater.’

2.13 Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering niet toereikend. Daarvoor is redegevend dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser sinds november 2008 woont onder begeleiding van het Blauwe Huis (onderdeel van de Stichting Beschermde Woonvoorzieningen Utrecht). Uit de door eiser in beroep verstrekte brief van zijn persoonlijk begeleider bij het Blauwe Huis, de heer [A], blijkt dat tijdens de eerste maanden van zijn verblijf bij het Blauwe Huis hij enkele malen is geschorst vanwege heftige dreigementen richting begeleiding of medebewoners, woedeaanvallen waarbij zeer geregeld spullen werden gesloopt en dreigementen om zichzelf iets aan te doen. In december 2008 heeft de behandelaar van eiser van het UMC contact opgenomen met het Blauwe Huis omdat hij zich ernstig zorgen maakte over eiser omdat hij te weinig controle over zichzelf had als de spanning opliep. Opname in het UMC kon niet worden gerealiseerd omdat er geen juiste plek voor eiser beschikbaar was. Er wordt een spoed intake gedaan bij de Waag (centrum voor ambulante forensische psychiatrie) en eiser krijgt medicatie voorgeschreven. Op het Blauwe Huis worden afspraken met eiser gemaakt om ervoor te zorgen dat zijn gedrag hanteerbaar blijft. Dit kan niet voorkomen dat hij enkele dagen later een officiële waarschuwing krijgt vanwege bedreiging van het personeel en het niet begeleidbaar opstellen en op 26 december 2008 wordt geschorst. Omdat eiser heeft geregeld dat hij vanaf 19 januari 2009 kan starten met een behandeling bij de Waag wordt eiser een nieuwe kans geboden bij het Blauwe Huis. Omdat zijn gedrag jegens medebewoners en begeleiders problematisch blijft, wordt ervoor gekozen eiser met ingang van maart 2009 te plaatsen in een zogeheten HAT-woning (buitenlocatie) die zich in de nabijheid van het Blauwe Huis bevindt.

2.14 Ter zitting heeft de heer [A] benadrukt dat eiser niet zelfstandig woont maar dat hij onder toezicht van de stichting op een buitenlocatie is geplaatst omdat hij niet te handhaven was in een omgeving met andere bewoners vanwege zijn disfunctioneren in sociaal verband. [A] heeft verder verklaard dat alle contacten met instanties door middel van zijn tussenkomst geschieden en dat eiser niet de verantwoordelijkheid kan dragen over zijn financiën. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting benadrukt dat eiser geen normaal dagritme heeft, dat er bij hem meerdere diagnoses zijn gesteld ten aanzien van zijn psychische klachten, waaronder ADHD en chronische PTSS, en dat de behandeling daarvan, juist vanwege de chronische aard, moeilijk is en tot op heden niet succesvol is geweest. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij geen controle heeft over zijn gevoelens en gedachten, dat hij plotseling agressief kan worden en dat hij alle sociale contacten ontwijkt omdat hij vreest zichzelf niet in de hand te kunnen houden.

2.15 Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het vorenstaande, niet zonder nadere motivering de conclusie worden getrokken dat eiser zelfstandig woont. De gevolgtrekking in de brief van 31 augustus 2010 dat niet wordt toegekomen aan een onderzoek naar het bestaan van een ernstig psychiatrische stoornis bij eiser omdat hij zelfstandig woont, houdt naar het oordeel van de rechtbank, gelet hierop, evenmin stand. In dat verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat in de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts wordt vermeld dat de psychische klachten van eiser serieus worden genomen, dat eiser last heeft van chaos in zijn hoofd, dat hij zich niet lang kan concentreren en dat hij daarnaast – door traumata uit het verleden – snel agressief of angstig kan reageren, maar er wordt in deze rapportages, naar het oordeel van de rechtbank, niet inzichtelijk gemaakt waarom deze indicaties onvoldoende zijn om in dit geval onderzoek te doen naar het bestaan van een ernstige psychiatrische stoornis.

2.16 De omstandigheden als weergegeven in paragraaf 2.1, gevoegd bij hetgeen is vastgesteld en overwogen in paragrafen 2.12 tot en met 2.15, leiden de rechtbank, tezamen en in onderling verband bezien, tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert.

2.17 Gelet hierop vernietigt de rechtbank het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.

2.18 Het beroep is gegrond en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.19 Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 16 juli 2010;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 41,- aan hem vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in dit geding ad € 874,- te betalen door verweerder aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schukking, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.

De griffier: De rechter:

mr. M.A. Beijl mr. J. Schukking

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.