Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7627

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
273417 - HA ZA 09-2067
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres in conventie vordert vervangende schadevergoeding, omdat gedaagde niet aan haar verplichting heeft voldaan een bemiddelingsvergoeding te betalen. De vordering wordt afgewezen, omdat eiseres niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De reconventionele vordering wordt deels afgewezen, omdat gedaagde in reconventie niet in verzuim verkeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

Zaak- / rolnummer: 273417 / HA ZA 09-2067

Vonnis van 8 juni 2011

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

CARIBBEAN BULK TRADING & TRANSPORT LIMITED,

gevestigd te Bridgetown, Barbados,

tevens kantoorhoudende te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Wattel te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DDM DEMONTAGE BV,

gevestigd te De Meern,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DDM TRINIDAD BV,

gevestigd te De Meern,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. A.L.T. van Vught te Utrecht.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid. Eiseres in conventie, verweerster in reconventie wordt Caribbean genoemd. Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie worden hierna gezamenlijk DDM c.s. genoemd, terwijl zij ieder afzonderlijk DDM Demontage en DDM Trinidad genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 oktober 2009;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 10 maart 2010;

- de conclusie van repliek in conventie met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Caribbean is gespecialiseerd in (bemiddelen bij) het laden en lossen, verschepen, (ver)kopen en exporteren van schroot.

2.2. DDM Demontage en DDM Trinidad zijn Nederlandse werkmaatschappijen van een internationaal concern. Dit concern heeft zich met name gespecialiseerd in het aannemen en uitvoeren van grote en technisch complexe sloop- en demontagewerken wereldwijd.

2.3. Op 12 februari 2005 hebben Caribbean, DDM Demontage en Harricrete Ltd., een lokale onderneming op Trinidad/Tobago, een Letter of Understanding (hierna: LoU) ondertekend, inhoudende dat partijen de intentie hebben om een samenwerking aan te gaan en in te schrijven op een aanbesteding voor een sloopproject van een raffinaderij van de Petroleum Company of Trinidad and Tobago Ltd. (hierna: Petrotrin).

De inhoud van de LoU luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“PREAMBLE:

The parties hereto have an interest in working together on the demolition project at Petrotrin known and referred tot herein as TENDER No. PJ-224.

[…]

The parties agree as follows:

[…]

4. DDM / CBTT will be the owners of all cut scrap and jointly agree to pay Harricrete from the sale of the cut steel scrap removed from the site US$ 5.00 per metric ton FOB the vessel or delivered to the customer.

5. All parties to this agreement hereby mutually agree to enter into a new Joint Venture Agreement within 5 working days once the contract under tender document No. PJ-224 has been awarded to our group. The new JV agreement will contain substantially the same terms as are described in this agreement but in more detail […].

[…]”

2.4. Na de gezamenlijke inschrijving, en voor de gunning, heeft Petrotrin het aanbestede project geannuleerd.

2.5. Op basis van een in juli 2007 tussen DDM Demontage en Caribbean tot stand gekomen agency agreement, met als einddatum 31 december 2007, heeft Caribbean voor DDM Demontage als agent opgetreden voor het Caribische gebied, Europa en het Midden-Oosten. DDM Demontage heeft deze agentuurovereenkomst voortijdig beëindigd.

2.6. In mei 2008 heeft Petrotrin een nieuwe aanbesteding (tender PI-004) uitgeschreven voor sloopwerkzaamheden op haar raffinaderij in Trinidad.

Het project is gegund aan DDM Demontage en United Engineering Services Ltd. (hierna: UESL).

2.7. Op 4 augustus 2008 heeft tussen Caribbean en DDM Demontage een bespreking plaatsgevonden.

2.8. DDM Demontage heeft naar aanleiding van tijdens de bespreking op 4 augustus 2008 gemaakte afspraken op 25 augustus 2008 een factuur van € 10.000,00 aan Caribbean betaald.

2.9. Op 21 juli 2009 heeft Caribbean (onder andere) conservatoir derdenbeslag doen leggen onder EDF Unité de Services Ile de France (hierna: EDF).

2.10. Bij vonnis in kort geding van 10 november 2009 van het Tribunal de Commerce in Nanterre, Frankrijk, is het conservatoir derdenbeslag onder EDF opgeheven.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Caribbean vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair de veroordeling van DDM Demontage tot betaling van een vervangende schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de ingebrekestelling, 9 oktober 2008, dan wel vanaf de dag van de dagvaarding, 4 augustus 2009;

- subsidiair de hoofdelijke veroordeling van DDM Demontage en DDM Trinidad tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, nader op te maken staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de ingebrekestelling, 9 oktober 2008, dan wel vanaf de dag van de dagvaarding, 4 augustus 2009;

- de veroordeling van DDM c.s. in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van de gelegde beslagen.

3.2. Aan deze vorderingen legt Caribbean het volgende ten grondslag. Met betrekking tot de primaire vordering tot vervangende schadevergoeding stelt Caribbean dat DDM Demontage niet aan haar verplichting heeft voldaan om aan Caribbean een vergoeding te betalen voor de bemiddeling bij het binnenhalen van het contract voor het Petrotrin-project. DDM Demontage heeft, naast de tussen partijen gesloten overeenkomst inhoudende dat Caribbean als vergoeding voor de de door haar verrrichte werkzaamheden eigenaar zou worden van 50% van het schroot dat bij de sloopwerken zou vrij komen en de LoU, meerdere malen toegezegd dat Caribbean recht heeft op 50% van (de waarde van) het schroot als vergoeding voor het Petrotrin-project. Bovendien heeft DDM Demontage tijdens een bespreking op 4 augustus 2008 toegezegd een bedrag van € 60.000,00 aan Caribbean te betalen. Van dit bedrag zag € 10.000,00 op een vergoeding voor de werkzaamheden die Caribbean voor het Petrotrinproject verrichtte, terwijl € 50.000,00 een voorschot betrof op de opbrengst van het slopen van de raffinaderij van de in totaal 50% van het schroot die aan Caribbean zou toekomen. Het voorschot van € 50.000,00 heeft DDM Demontage niet betaald.

Subsidiair vordert Caribbean schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en de redelijkheid en billijkheid. DDM Demontage heeft onrechtmatig gehandeld door de onderhandelingen c.q. de samenwerking af te breken. Over een periode van 4 jaar heeft Caribbean zich voor, namens en met DDM Demontage ingespannen om het Petrotrin-project tot stand te brengen. Meer dan drie jaar na het ondertekenen van de LoU is het project ook aan DDM Demontage gegund. In mei 2008 heeft DDM Demontage wederom de intentie uitgesproken om dit project samen met Caribbean uit te voeren, waarmee DDM Demontage bij Caribbean het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de reeds bestaande afspraken tussen partijen zouden worden nagekomen. DDM Trinidad handelt ten opzichte van Caribbean onrechtmatig door de activiteiten met UESL daadwerkelijk uit te voeren in de wetenschap dat DDM Demontage een overeenkomst heeft met Caribbean. DDM Trinidad werkt zodoende mee aan een constructie die onder meer is opgezet om de uitvoering van de overeenkomst tussen DDM Demontage en Caribbean te frustreren.

3.3. DDM c.s. voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. In reconventie vordert DDM Demontage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling van Caribbean tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de wettelijke rente over de van EDF te vorderen bedragen die getroffen zijn door het derdenbeslag, vanaf de vervaldata van de facturen (overeenkomstig productie 20 en 23) tot aan de dag van volledige betaling van de betreffende facturen door EDF, althans tot aan een datum gelegen 14 dagen na opheffing van het beslag en kennisgeving van de opheffing aan EDF, voor het geval EDF op deze datum nog steeds niet zal hebben voldaan zonder dat dit aan Caribbean te wijten zal zijn.

Daarnaast vordert DDM Demontage dat de rechtbank de tussen DDM Demontage en Caribbean in augustus 2008 mondeling gesloten overeenkomst (inhoudende dat DDM Demontage aan Caribbean een vergoeding zou voldoen gelijk aan 5% van de winst van DDM Demontage op het project PI-004, met een maximum van € 60.000,00 en een voorschot van € 10.000,00) te ontbinden wegens een tekortkoming in de nakoming aan de zijde van Caribbean, onder veroordeling van Caribbean tot terugbetaling van het voorschot van € 10.000,00 aan DDM Demontage uit hoofde van een ongedaanmakingsverbintenis. Tot slot vordert DDM c.s. de veroordeling van Caribbean in de kosten van de procedure.

3.6. Aan deze reconventionele vordering legt DDM Demontage - samengevat - het volgende ten grondslag. Volgens DDM Demontage zijn de gelegde beslagen onrechtmatig omdat de vordering ter verzekering waarvan de beslagen zijn gelegd iedere rechtsgrond ontberen. DDM Demontage lijdt vertragingsschade doordat haar opeisbare vorderingen door het beslag getroffen zijn. Met betrekking tot de gevorderde ontbinding van de in augustus 2008 gesloten mondelinge overeenkomst stelt DDM Demontage dat Caribbean haar op geen enkele wijze behulpzaam is geweest bij (het opstarten van) de activiteiten op Trinidad en dat Caribbean haar alleen maar heeft tegengewerkt. Daarmee heeft Caribbean de voorwaarde waaronder de overeenkomst is aangegaan niet nageleefd zodat ontbinding wegens wanprestatie gerechtvaardigd is. Caribbean dient de het betaalde voorschot van € 10.000,00 terug te betalen.

3.7. Caribbean voert verweer.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Naar de rechtbank begrijpt, baseert Caribbean haar (primaire) vordering voor wat betreft de verdeling van het schroot op de LoU en voor wat betreft de afspraak dat zij voor 50% eigenaar zou worden van het schroot mede op een schriftelijke overeenkomst en bovendien op een toezegging van DDM Demontage dat zij recht heeft op 50% van (de waarde van) het schroot als vergoeding voor het Petrotrin-project. De rechtbank constateert daarnaast, op basis van de stellingen van Caribbean bij repliek, dat de vordering in ieder geval niet gegrond is op de agentuurovereenkomst.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat de LoU, gezien de inhoud ervan, betrekking heeft op tender PJ-224 (hierna ook: de eerste tender). Deze tender is ná de inschrijving en vóór de gunning door Petrotrin geannuleerd. Ruim drie jaar later heeft Petrotrin een nieuwe aanbesteding uitgeschreven, tender PI-004 (hierna ook: de tweede tender). Op grond waarvan de in de LoU neergelegde intentieafspraken met betrekking tot de eerste tender (ook) (weer) zonder meer c.q. per definitie gelding hebben op de tweede tender, heeft Caribbean - hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld - niet, althans onvoldoende, onderbouwd gesteld. De omstandigheid dat de beide tenders identiek zijn, hetgeen DDM Demontage overigens betwist, is in ieder geval op zichzelf onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen. Reeds op grond hiervan dient de vordering van Caribbean te worden afgewezen.

Daarbij heeft de rechtbank bovendien ook het volgende in aanmerking genomen, waarbij zij er veronderstellenderwijs vanuit is gegaan dat de afspraken met betrekking tot de eerste tender ook van toepassing zouden zijn op de tweede tender. In dat geval zou de rechtbank als volgt hebben overwogen. Uit de LoU kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden afgeleid dat Caribbean en DDM Demontage “will be the owners of all cut scrap”. Dat, zoals Caribbean stelt, dit in een verhouding 50/50 zou zijn valt daaruit niet op te maken. Volgens Caribbean zou dit laatste (ook) volgen uit een schriftelijke overeenkomst, waarvan zij echter stelt niet meer over een exemplaar te beschikken. Omdat DDM Demontage betwist dat partijen naar aanleiding van de LoU (ook al) nadere afspraken hebben gemaakt (en schriftelijk hebben vastgelegd) omtrent de verhouding waarin het schroot zou worden verdeeld, rust op Caribbean in beginsel de bewijslast om haar stelling op dat punt te bewijzen. Echter, in het licht van het door DDM Demontage gevoerde verweer op dit punt, had het op de weg van Caribbean gelegen haar standpunt bij repliek nader te onderbouwen. Zij heeft dit niet gedaan, zodat voor bewijslevering geen plaats zou zijn. Dat partijen een dergelijke verhouding zijn overeengekomen is derhalve in rechte niet komen vast te staan, zodat de vordering ook op die grondslag zou worden afgewezen.

Voor wat betreft de toezegging die DDM Demontage tijdens de bespreking op 4 augustus 2008 heeft gedaan, overweegt de rechtbank bovendien als volgt. Caribbean stelt dat DDM Demontage heeft toegezegd aan haar € 60.000,00 te betalen. Van dit bedrag zag € 10.000,00 op een vergoeding voor werkzaamheden die Caribbean voor het Petrotrinproject verrichtte, terwijl € 50.000,00 een voorschot betrof op de opbrengst van het slopen van de raffinaderij, van de in totaal 50% van het schroot die aan Caribbean zou toekomen. DDM Demontage daarentegen voert aan dat de door haar gedane toezegging inhield dat indien Caribbean ook in de komende maanden DDM Demontage behulpzaam zou zijn met hand- en spandiensten in Trinidad zij Caribbean een vergoeding betalen van 5% van de uiteindelijke winst van DDM Demontage op het project, met een maximum van € 60.000,00. In verband met acute geldnood van Caribbean heeft DDM Demontage aangeboden een voorschot van € 10.000,00 te betalen. Dit bedrag is ook betaald naar aanleiding van de factuur van 25 augustus 2008 van Caribbean. Ook op dit punt heeft Caribbean niet aan haar stelplicht voldaan. Het had gezien de andere lezing van de afspraak van 4 augustus 2008 die DDM Demontage geeft bij antwoord op de weg van Caribbean gelegen haar standpunt bij repliek nader te onderbouwen. Daartoe had Caribbean niet kunnen volstaan met een enkele ontkenning van de zienswijze van DDM Demontage. Ook op dit onderdeel zou geen plaats zijn voor bewijslevering. De vordering zou dus ook in dat geval worden afgewezen.

4.3. Voor hetgeen Caribbean aan de subsidiaire vordering ten grondslag heeft gelegd verwijst de rechtbank kortheidshalve naar punt 3.2. Ook deze vordering ligt voor afwijzing gereed, omdat Caribbean ten aanzien van die vordering evenmin heeft voldaan aan haar stelplicht. Gezien het door DDM Demontage bij antwoord gevoerde verweer had het namelijk op de weg van Caribbean gelegen haar vordering bij repliek (nader) te onderbouwen. Hoewel zij daartoe expliciet is in de gelegenheid is gesteld, heeft Caribbean geen toelichting gegeven op de grondslag van de subsidiaire vordering. Voor bewijslevering is zodoende ook hier geen plaats.

4.4. Caribbean zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DDM c.s. worden begroot op:

- vast recht € 262,00

- salaris advocaat € 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.618,00

in reconventie

4.5. Met betrekking tot de door DDM Demontage gevorderde schadevergoeding gelijk aan de wettelijke rente over de van EDF te vorderen bedragen overweegt de rechtbank als volgt. In conventie heeft de rechtbank overwogen dat de vordering(en) ter zekerheid waarvan het beslag onder EDF is gelegd wordt (worden) afgewezen. Hiermee staat de onrechtmatigheid vast. Dit betekent dat Caribbean aansprakelijk is voor de schade die DDM Demontage lijdt tengevolge van die beslaglegging. De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente over de door EDF aan DDM Demontage verschuldigde bedragen zal dan ook worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de desbetreffende factuur tot en met 10 november 2009, de dag waarop het beslag bij vonnis in kort geding is opgeheven, zoals hierna in het dictum is vermeld. Een en ander met uitzondering van het bedrag dat met de laatste factuur met nummer 20090254 in rekening is gebracht, nu de vervaldatum (22 november 2009) van die factuur gelegen is na 10 november 2009.

4.6. Zoals de rechtbank in conventie heeft overwogen heeft Caribbean de zienswijze van DDM Demontage ten aanzien van de inhoud van de afspraken die gemaakt zijn tijdens de bespreking op 4 augustus 2008 niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat van de juistheid van de stellingen van DDM Demontage moet worden uitgegaan. Dit betekent dat de rechtbank voor wat betreft de reconventionele vordering tot ontbinding uitgaat van het feit dat de overeenkomst inhoudt dat DDM Demontage aan Caribbean een vergoeding zou voldoen gelijk aan 5% van de winst van DDM Demontage op het project PI-004 met een maximum van € 60.000,00 en een voorschot van € 10.000,00 onder de voorwaarde dat Caribbean behulpzaam zou blijven bij (het opstarten van) de activiteiten van DDM Demontage op Trinidad in het kader van het betreffende project. DDM Demontage stelt dat Caribbean op geen enkele wijze behulpzaam is geweest en dat de betreffende voorwaarde dus niet is nageleefd, hetgeen Caribbean niet betwist. Bij haar conclusie van antwoord in reconventie voert Caribbean slechts aan dat “zoals uit alle overgelegde bescheiden helder blijkt, is het DDM Demontage die haar beloftes en afspraken niet gestand heeft gehouden”. Dit is echter onvoldoende om (a contratrio) te kunnen concluderen dat Caribbean naar aanleiding van die mondelinge overeenkomst wel inspanningen heeft verricht, temeer omdat zij, zoals in conventie is overwogen, een andere lezing geeft van de inhoud van die overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat Caribbean tekortgeschoten is in de nakoming van (één van) de op haar rustende verbintenis(sen) uit hoofde van de mondelinge overeenkomst. Omdat gesteld noch gebleken is dat de nakoming ervan blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer Caribbean in verzuim is. DDM Demontage heeft niet gesteld dat er sprake is van een situatie waarin Caribbean zonder ingebrekestelling in verzuim is komen te verkeren, zodat het verzuim pas intreedt indien Caribbean door DDM Demontage in gebreke is gesteld. Dat DDM Demontage Caribbean ter zake in gebreke heeft gesteld is evenmin gesteld noch anderszins gebleken. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de mondelinge overeenkomst niet kan worden ontbonden. De vordering tot terugbetaling van het door DDM Demontage aan Caribbean betaalde voorschoot van € 10.000,00 zal daarom worden afgewezen.

4.7. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Caribbean in de proceskosten, aan de zijde van DDM c.s. tot op heden begroot op € 1.618,00,

in reconventie

5.3. veroordeelt Caribbean om aan DDM Demontage te betalen een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over € 221.664,00 vanaf 24 juli 2009 tot en met 10 november 2009, over € 126.007,09 vanaf 11 september 2009 tot en met 10 november 2009, over € 57.542,07 vanaf 14 augustus 2009 tot en met 10 november 2009 en over € 305.748,17 vanaf 16 oktober 2009 tot en met 10 november 2009,

5.4. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.?