Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7622

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
16-512604-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het openlijk geweld waaraan verdachte heeft deelgenomen heeft zich gericht tegen een willekeurig slachtoffer. Het slachtoffer is op klaarlichte dag bij een tramstation door de deelnemers aan dat geweld ernstig mishandeld, waardoor deze fors lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512604-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1995] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. V.J.P. Tuma, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen aan een gewelddadige straatroof dan wel aan openlijke geweldpleging heeft schuldig gemaakt.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder primair tenlastegelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd, dat de verklaring van de aangever met betrekking tot de vermeende diefstal van zijn portemonnee en een geldbedrag, niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en het opzet van verdachte daar niet op was gericht. De als subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging kan volgens de verdediging wel worden bewezen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel, dat het onder primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het onder subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 17 mei 2011;

- de aangifte van [aangever 1];

- de verklaring van [getuige 1].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair

op 22 november 2010 te Nieuwegein met anderen, aan de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1], welk geweld bestond uit het meermalen,

- tackelen van die [aangever 1] en

- met kracht schoppen/trappen tegen de benen van die [aangever 1] en

- met kracht stompen/slaan op het (achter)hoofd en/of gezicht van die [aangever 1];

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 90 dagen waarvan 33 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen van de Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering in het kader van de maatregel Hulp en Steun, waarvan de eerste zes maanden ITB-Plus, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich niet vinden in de door de officier van justitie gevorderde werkstraf, nu vrijspraak van het primair ten laste gelegde dient te volgen en verdachte in de gelegenheid moet worden gesteld om alles op alles te zetten om alsnog zijn schooljaar met succes te kunnen afronden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, evenals de persoon zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking daar van de na te noemen rapporten is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 26 november 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Voor wat betreft de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan overweegt de rechtbank als volgt.

Het openlijk geweld waaraan verdachte heeft deelgenomen heeft zich gericht tegen een willekeurig slachtoffer. Het slachtoffer is op klaarlichte dag bij een tramstation door de deelnemers aan dat geweld ernstig mishandeld, waardoor deze fors lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank rekent het verdachte speciaal aan, dat hij een initiërende rol heeft gespeeld door het slachtoffer – zonder enige aanleiding – te tackelen, waardoor deze ten val kwam en waarna de situatie is geëscaleerd.

Openlijke geweldpleging roept bij passanten, en ook overigens in de samenleving, gevoelens van onrust en onveiligheid op. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, nog lang de lichamelijke en psychische gevolgen daarvan moeten dragen. Verdachte en zijn mededaders hebben hieraan bijgedragen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van Bureau Jeugdzorg van 13 mei 2011 en de daarop ter terechtzitting door de heer Öksüz gegeven toelichting.

In het rapport van Bureau Jeugdzorg wordt geadviseerd om verdachte de maatregel Hulp en Steun op te leggen, waarvan zes maanden ITB-Plus. Ter terechtzitting is door de heer Öksüz aangegeven dat de Raad voor de Kinderbescherming zich bij het advies van Bureau Jeugdzorg aansluit.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Nu de rechtbank ‘slechts’ bewezen acht dat verdachte het onder subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en verdachte gelet op zijn minderjarigheid relatief lang in voorarrest heeft doorgebracht, zal zij geen werkstraf opleggen. Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Hierin worden de 57 dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht verdisconteerd. Met het voorwaardelijk deel van de straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien maakt deze begeleiding door de jeugdreclassering mogelijk, hetgeen de rechtbank noodzakelijk acht.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 516,45 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 496,45 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 196,45 ter zake van materiële schade en € 300,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige, betreffende de post ‘geld gestolen’ van € 20,00, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat verdachte is vrijgesproken van het als primair ten laste gelegde feit, waaruit deze schade zou zijn ontstaan.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 90 dagen, waarvan 33 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling jeugdreclassering, waarvan zes maanden in de vorm van ITB-Plus;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 496,45, waarvan € 196,45 ter zake van materiële schade en € 300,00 ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 496,45 te betalen;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 mei 2011.