Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7585

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
16-600660-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van ontucht, de betreffende gedragingen kunnen niet worden aangemerkt als ontuchtig. Bewezenverklaring van het bezit van een aantal kinderpornografische bestanden. Rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaadelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600660-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [adres].

Raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: ontucht heeft gepleegd met zijn twee minderjarige nichtjes, die destijds de leeftijd van 16 jaar nog niet hadden bereikt;

feit 3: een hoeveelheid kinderpornografische afbeeldingen en filmbestanden in

zijn bezit heeft gehad en/of heeft verspreid en/of heeft vervaardigd en/of heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.1. De ontvankelijkheid van de officier van justitie en de rechtmatigheid van het bewijs

De verdediging is - zakelijk weergegeven - van mening dat de politie de ouders van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij informatieve gesprekken onjuiste feiten heeft voorgehouden, waardoor zij zijn bewogen tot het doen van aangifte tegen verdachte. Deze onzorgvuldige behandeling en manipulatie van de ouders van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] moet naar het oordeel van de verdediging leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Voorts is de verdediging van mening dat de doorzoeking in de woning van verdachte, op 29 maart 2010, onrechtmatig is, omdat van een redelijke verdenking van het bezit van kinderporno op dat moment nog geen sprake was. Kort samengevat volgt naar het oordeel van de verdediging uit de uit internationaal onderzoek naar kinderporno verkregen gegevens over verdachtes creditcard immers niet dat er met die creditcard daadwerkelijk betalingen zijn verricht om toegang te krijgen tot websites die kinderpornografisch materiaal zouden aanbieden.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt. Op 19 april 2010 voerden de ouders van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de heer en mevrouw [verdachte], een eerste informatief gesprek met de politie, waarin zij aangaven dat de broer van de heer [verdachte], verdachte, hun jongste dochter [betrokkene 1] zou hebben betast. Ten tijde van dit informatieve gesprek was verdachte onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek naar kinderporno. Op 29 maart 2010 is in dat verband de woning van verdachte doorzocht en is onder meer computerapparatuur in beslag genomen. Tijdens die doorzoeking heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij kinderporno heeft gedownload op zijn computer. Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat deze doorzoeking onrechtmatig is en dat de resultaten daarvan dienen te worden uitgesloten van het bewijs, wordt ook dit verweer verworpen. Verdachte heeft de politie immers zelf toestemming gegeven voor het betreden van zijn woning en de daarop volgende doorzoeking.

Op 21 april 2010 is aan de heer en mevrouw [verdachte] in het kader van het tweede informatieve gesprek door verbalisanten uitgelegd dat – gelet op de inhoud van het eerdere informatieve gesprek, de minderjarigheid van hun dochter en de hun ambtshalve bekende feiten en omstandigheden, waarover zij uit privacy overwegingen ten aanzien van verdachte op dat moment geen informatie hebben verstrekt – het uitzoeken van de waarheid over wat er nu precies is gebeurd een groot doel kan zijn en dat indien er sprake is van strafbare feiten de samenleving er gebaat bij is als een behandeling volgt. Een op 18 mei 2011 ter terechtzitting overgelegde e-mail van de heer [verdachte] aan zijn ouders, gedateerd

29 juni 2010, houdt in dat de politie tijdens het tweede informatieve gesprek de heer en mevrouw [verdachte] heeft voorgehouden dat “het niet een op zichzelf staande zaak is” en dat hen “gevraagd is aangifte te doen”. Na afloop van dit gesprek hebben de heer en mevrouw [verdachte] besloten over te gaan tot het doen van aangifte en hebben zij ingestemd met een studioverhoor van hun jongste dochter. Het voorgaande – in onderling verband en samenhang beschouwd – rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is geweest van manipulatie van de heer en mevrouw [verdachte] of van het hen voorhouden van onjuiste gegevens, waardoor zij zodanig zouden zijn beïnvloed dat zij niet uit vrije wil aangifte hebben gedaan. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat een inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe – overeenkomstig een ter terechtzitting overgelegde pleitnota – de hierna te noemen bewijsverweren gevoerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Algemene overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt voorop dat de namens verdachte aangevoerde bewijsverweren - voor zover deze hierna niet uitdrukkelijk worden besproken - geen aanleiding geven tot een afzonderlijke bespreking daarvan. Zij vinden hun weerlegging in de na te noemen bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

4.3.2. Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Verdachte is de oom van [betrokkene 1], geboren op [2000], en [betrokkene 2], geboren op [1997]. In de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 april 2010 heeft hij veelvuldig op zijn nichtjes gepast in de woning van hun ouders te Driebergen-Rijsenburg.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte haar, voor het slapen gaan masseerde op haar blote rug en daarbij haar pyjamabroek en haar onderbroek een stukje naar beneden trok. Ook masseerde hij onder haar pyjamashirt haar buik, tot onder haar borst en gaf hij haar meermalen een “toeterzoen” op haar buik.

Verdachte heeft erkend dat hij voornoemde handelingen heeft begaan, maar betwist de seksuele strekking of het ontuchtige karakter daarvan.

[betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte haar, voor het slapen gaan of tijdens het voorlezen, onder haar pyjama masseerde op haar blote rug, buik, bovenbenen en onderbenen. Ook zou hij haar op straat wel eens boven haar kleding een tikje tegen de billen hebben gegeven en haar een keer, nadat zij bij verdachte thuis in bad was geweest, met een handdoek hebben afgedroogd. Verdachte heeft erkend dat hij voornoemde handelingen heeft begaan, met uitzondering van het masseren van de boven- en onderbenen en het geven van een tikje tegen de billen. Verdachte heeft de seksuele strekking of het ontuchtige karakter van die handelingen betwist.

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in twijfel getrokken. Zo zouden zij beïnvloed zijn van buitenaf, door mogelijke onderlinge gesprekken met elkaar of door loyaliteit naar hun ouders toe. De autistische stoornis waaraan zij beiden lijden zou hierbij mogelijk ook een rol hebben gespeeld, aldus de verdediging.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij zeer jong zijn en dat bij beide kinderen PDD-NOS is gediagnosticeerd. Gelet op het feit dat zij tijdens de studioverhoren beiden zeer gedetailleerd en consistent hebben verklaard over de handelingen die verdachte zou hebben verricht, dat hun verklaringen met betrekking tot de gedragingen van verdachte op die details opvallend veel steun vinden in elkaar, en verdachte de verklaring van [betrokkene 1] volledig en de verklaring van [betrokkene 2] met uitzondering van de hiervoor genoemde handelingen heeft bevestigd, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid daarvan.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de betreffende handelingen van verdachte een ontuchtig karakter hebben. Blijkens de wetsgeschiedenis van de artikelen 242 tot en met 249 van het Wetboek van Strafrecht is het doel van de zedelijkheidswetgeving het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment, niet in staat zijn (Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 5, p. 4-5). In geval van ontucht gaat het om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm (Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 5, p. 4-5). Er is geen vaste standaard of een scherpe afgrenzing van gedragingen die onder ontucht moeten worden begrepen. Bovendien is de sociaal-ethische norm aan verandering onderhevig, zodat gedragingen die voorheen niet als ontuchtig werden aangemerkt dat nu wel kunnen zijn en vice versa. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen al dan niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, komt het derhalve in belangrijke mate aan op de omstandigheden van het geval.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte een bijzondere rol had binnen het gezin waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] deel uitmaken. Als oom van de meisjes paste verdachte regelmatig op, kookte hij voor het gezin, ging hij met de kinderen op pad en was hij ook overigens zeer nauw betrokken bij het wel en wee binnen het gezin. Op dagen dat verdachte op de kinderen paste, bracht hij ze ook naar bed. Bij beide meisjes is een vorm van autisme gediagnosticeerd, waardoor zij minder weerbaar zijn tegen de sociale omgeving. Verdachte was daarvan op de hoogte. De meisje hadden een leeftijd bereikt waarop zij zich lichamelijk begonnen te ontwikkelen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door zijn nichtjes tijdens het door hem aangeduide slaapritueel te masseren mogelijk voorbij is gegaan aan de gevoelens die deze meisjes daarbij hadden of gaandeweg hebben gekregen, zoals blijkt uit de verhoren. Het is ook voorstelbaar dat de meisjes zich, gelet op voornoemde omstandigheden, door het gedrag van verdachte ongemakkelijk hebben gevoeld. Dat de meisjes verdachte niet uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt dat zij de aanrakingen van verdachte niet of niet meer op prijs stelden, doet daar niet aan af. Van kinderen mag dat niet worden verwacht, ook al omdat zij in een afhankelijke positie van volwassenen verkeren. Verdachte had anders kunnen en ook moeten handelen en had, als oom, meer afstand moeten bewaren. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich hiervan meer bewust had moeten zijn, temeer nu de ouders van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] verdachte op zijn gedrag hadden aangesproken en dit hem er niet van heeft weerhouden om de meisjes te blijven masseren. Door hiermee toch door te gaan, is hij – ondanks zijn goede intenties – ook voorbij gegaan aan de opvoedkundige wensen van hun ouders.

De rechtbank is ondanks hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de ten laste gelegde handelingen van verdachte – op zichzelf beschouwd en in samenhang bezien - een seksuele strekking hadden die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Op zichzelf zijn de in de tenlastelegging omschreven gedragingen niet aan te merken als een handeling van seksuele aard. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan een dergelijke handeling als een handeling van seksuele aard worden gezien. Van zodanige omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank niet vast kunnen stellen dat verdachte oneerbare en seksuele bedoelingen heeft gehad met de betreffende handelingen. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat deze handelingen de kwalificatie ontuchtig niet kunnen dragen.

Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, is de rechtbank niet gebleken. Omdat het ontuchtig karakter van verdachtes handelingen niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijspreken.

4.3.3. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

4.3.3.1. Vaststaande feiten

Bij een doorzoeking op 29 maart 2010 in de woning van verdachte te Driebergen-Rijsenburg is een aantal digitale gegevensdragers van verdachte in beslag genomen en vervolgens onderzocht.

Op de harddisk van een videocamera van verdachte, die bij de doorzoeking in zijn woning op 29 maart 2010 in beslag zijn genomen, zijn enkele video-opnamen aangetroffen, die door verdachte zijn gemaakt en door zedenrechercheurs zijn onderzocht. Twee van deze opnamen zijn door hen als kinderpornografisch aangemerkt. Verdachte heeft verklaard dat op de betreffende video-opnamen het dochtertje van zijn toenmalige vriendin, genaamd [naam], te zien is en dat hij de opnamen tijdens die relatie heeft gemaakt. Nu uit onderzoek volgt dat deze dochter is geboren op [2000] en voornoemde relatie speelde in 2007 , is aannemelijk dat het meisje ten tijde van de betreffende opnamen 6 dan wel 7 jaar oud was.

Op de harddisk van de computer van verdachte zijn voorts 19 afbeeldingen aangetroffen die door de zedenrecherche als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Al deze afbeeldingen bevonden zich in de map “lost files”. Op voornoemde gegevensdrager zijn daarnaast drie filmbestanden aangetroffen, die door de zedenrecherche als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Twee van deze filmbestanden bevonden zich in de map “recyclers” van de computer. Voorts zijn op een USB-pen (Imation 4GB) en een SD geheugenkaart (Sandisc Ultra 4GB) van verdachte respectievelijk 5 en 12 filmbestanden aangetroffen die door de zedenrecherche als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Tot slot is op een CD/DVD-pakket één kinderpornografisch videobestand aangetroffen. Uit onderzoek volgt dat alle voornoemde bestanden op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2005 tot en met 29 maart 2010 op de desbetreffende gegevensdragers zijn vastgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij de inbeslaggenomen computers en overige gegevensdragers als enige heeft gebruikt.

4.3.3.2. Partiële vrijspraak ten aanzien van het verspreiden, invoeren en uitvoeren van kinderporno en het zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het verspreiden, invoeren en uitvoeren van kinderpornografische afbeeldingen en/of - filmbestanden. Tijdens het onderzoek zijn hiervoor geen aanwijzingen gevonden. De rechtbank zal de verdachte mitsdien van deze gedragingen vrijspreken.

Sinds 1 januari 2010 is ook het zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang tot kinderpornografisch materiaal strafbaar gesteld. Nu uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op of na januari 2010 nog de toegang tot dergelijk materiaal heeft verschaft, zal verdachte ook van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.3.3.3. Partiële vrijspraak ten aanzien van het vervaardigen van kinderporno

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of op de twee hiervoor genoemde door verdachte vervaardigde video-opnamen van de destijds 6- dan wel 7- jarige [naam] seksuele gedragingen als bedoeld in artikel 240b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn te zien.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad bij arrest van 7 december 2010 (NJ 2011, 81) heeft overwogen dat deze vraag dient te worden beantwoord tegen de achtergrond van de toepasselijke internationale wetgeving alsmede van de wetsgeschiedenis van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. In genoemd arrest wordt overwogen dat, gelet op onder meer die bronnen, moet worden aangenomen dat artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht vooreerst ziet op een afbeelding (of video-opname) van een gedraging van expliciet seksuele aard, zoals die aan de hand van de afbeelding (of opname) zelf kan worden vastgesteld, waaronder begrepen het op zinnenprikkelende wijze tonen van de geslachtsdelen of de schaamstreek. Het gaat hierbij om een gedraging die reeds door haar karakter strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Voorts ziet voornoemd artikel op een afbeelding die weliswaar niet een gedraging van expliciet seksuele aard in de hiervoor aangegeven zin toont, maar die, gelet op de wijze waarop zij is tot stand gekomen eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden ‘onschuldig’ zouden kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.

De rechtbank heeft de video-opname van [naam] in bad (nummer 25) bekeken en van haar waarnemingen verslag gedaan op de terechtzitting van 18 mei 2011. Bezien in het licht van voornoemd toetsingskader is van een of meer seksuele gedragingen als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht naar het oordeel van de rechtbank op deze opname geen sprake. De video-opname, die in familiesfeer is opgenomen, duurt ruim een kwartier en toont een meisje dat in bad met een eendje speelt en ondertussen geanimeerd praat met de persoon die de opnamen maakt (verdachte). De camera is tijdens deze opname in overwegende mate gericht op het gezicht van het meisje, waarbij de rest van haar lichaam niet in beeld is of niet zichtbaar is door het badwater en sop. Op enig moment vraagt het meisje om te kijken naar de belletjes in bad, waarna de camera zich van het gezicht van het meisje naar beneden in de richting van die belletjes richt. Dan is de vagina van het meisje kort zichtbaar. Dat de verdachte opzettelijk de vagina van het meisje in beeld heeft willen brengen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Van het op een zinnenprikkelende wijze in beeld brengen van die vagina is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op een later moment van de opname draait het meisje zich in bad om en zegt dat ze gaat zwemmen. Daarbij zijn haar billen zichtbaar. Ook uit dit gedeelte van de opname blijkt niet dat de billen van het meisje op een zinnenprikkelende wijze in beeld zijn gebracht. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank dat op de video-opname weliswaar een ontbloot meisje in bad is te zien, waarbij bij op enig moment ook haar vagina en later haar billen kort in beeld komen, maar daarbij is telkens geenszins sprake van het aannemen van een “uitdagende houding” noch van het anderszins op zinnenprikkelende wijze tonen van de schaamstreek. Ook ontbreekt de onnatuurlijke ambiance die de fragmenten een seksuele connotatie zouden kunnen geven. Aangezien uit de beschrijving van de andere ten laste gelegde door verdachte vervaardigde video-opname (nummer 26) volgt dat deze onder soortgelijke omstandigheden (in familiesfeer, tijdens het spelen) is opgenomen en verbalisanten constateren dat sprake is van baldadig gedrag van het gefilmde meisje dat tijdens het speels op bed springen zelf het initiatief neemt om haar broek omlaag te trekken waardoor haar billen en schaamstreek in beeld komen, acht de rechtbank evenmin bewezen dat op die opname op zinnenprikkelende wijze de schaamstreek en billen van het meisje worden getoond. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het vervaardigen van kinderporno.

4.3.3.4. Nadere overwegingen met betrekking tot het in bezit hebben

Voorts is, zoals hiervoor reeds is aangegeven, aan verdachte ten laste gelegd dat hij de onder 4.3.3.1 genoemde afbeeldingen en filmbestanden in zijn bezit heeft gehad.

Het in bezit hebben van kinderporno in de zin van art. 240b Sr is slechts strafbaar indien sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Daarbij moet komen vast te staan dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van kinderporno op zijn gegevensdrager en dat dit materiaal ook daadwerkelijk voor hem toegankelijk was.

Vrijspraak van het bezit van de 19 afbeeldingen, aangetroffen in de “lost files”

De 19 hiervoor genoemde kinderpornografische afbeeldingen werden blijkens het proces-verbaal d.d. 28 juni 2010 aangetroffen in de map “lost files” van verdachtes computer. Uit dit proces-verbaal volgt dat deze bestanden door de gebruiker van de computer zijn verwijderd en ten tijde van de inbeslagname van de computer niet meer voor de gebruiker beschikbaar waren. Deze bestanden konden alleen met behulp van speciale forensische onderzoekssoftware worden geopend.Verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar eens als bijvangst kinderporno heeft gedownload, maar dat hij deze bestanden vervolgens aanstonds van zijn computer heeft verwijderd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het bezit van de betreffende afbeeldingen, nu daartoe het vereiste element van bewuste vastlegging van het materiaal ontbreekt. Van bijkomende feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat deze bestanden wel beschikbaar zijn geweest voor opening gedurende een zekere vast te stellen periode is niet gebleken. De rechtbank zal hem dan ook partieel vrijspreken van het bezit van voornoemde afbeeldingen.

Bewezenverklaring van het bezit van de 2 filmbestanden aangetroffen in de “recyclers”

Op de computer van verdachte werden 2 filmbestanden met kinderpornografische inhoud aangetroffen in de map “recyclers”. De verdediging is van mening dat er voor wat betreft de bestanden die zijn aangetroffen in deze map geen opzet was op het in het bezit hebben daarvan en verzoekt om de verdachte van dat bezit vrij te spreken. De officier van justitie gaat wel uit van opzet, nu verdachte nog over de beelden kon beschikken.

Verdachte heeft erkend dat hij kinderporno heeft gedownload en dat hij de computer waarop dit materiaal is aangetroffen als enige in gebruik had. De rechtbank overweegt dat de twee bestanden die in de map “recyclers” zijn aangetroffen door verdachte zijn verplaatst naar de prullenbak van de computer en daaruit vervolgens niet zijn verwijderd. Hieruit volgt dat die bestanden nog in de prullenbak aanwezig waren, waardoor zij door de verdachte eenvoudig konden worden teruggezet naar de map van waaruit zij oorspronkelijk naar de prullenbak waren verplaatst. Met deze eenvoudige handeling zijn de bestanden weer toegankelijk en kunnen ze door verdachte worden bekeken. Op grond van deze omstandigheden is aannemelijk dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij nog over deze bestanden kon beschikken en ten minste in voorwaardelijke vorm opzet heeft gehad op het bezit daarvan. Het verweer wordt dan ook verworpen. Niet is gebleken dat verdachte anders dan de gemiddelde computergebruiker niet op de hoogte is van de werking van de prullenbak van zijn computer.

Bewezenverklaring van het bezit van de 19 filmbestanden die zijn aangetroffen op een USB-pen, een SD-geheugenkaart, de computer van verdachte en een CD/DVD-pakket

De rechtbank acht tevens het opzet bewezen op het bezit van de in totaal 19 aangetroffen kinderpornografische filmbestanden die op de onder 4.3.3.1 genoemde USB-pen, SD-geheugenkaart, computer van verdachte en een CD/DVD-pakket zijn aangetroffen. Uit onderzoek volgt dat deze bestanden – anders dan de bestanden in de mappen “lost files” en “recyclers” – direct toegankelijk waren voor verdachte, waardoor hij feitelijk beschikkingsmacht had over de bestanden. Dit impliceert (voorwaardelijk) opzet op het bezit, tenzij uit bijzondere omstandigheden blijkt dat de verdachte dit materiaal echt niet wilde hebben. Van deze omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt ten aanzien van de USB-pen en de SD-geheugenkaart in het bijzonder nog op dat verdachte een actieve handeling heeft moeten verrichten om deze bestanden op de genoemde gegevensdragers op te slaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bestanden van internet direct naar deze gegevensdragers heeft gedownload, waarmee naar het oordeel van de rechtbank het opzet op het bezit daarvan is gegeven.

Vrijspraak van een gewoonte maken van het bezit van kinderporno

Om tot een bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid "gewoonte" in de zin van artikel 240b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken, is vereist dat de betrokkene gewend is telkenmale gedurende een langere periode te handelen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval een zodanige duur, frequentie en intensiteit van het bezit van kinderporno dat van het maken van een “gewoonte” daarvan kan worden gesproken, niet aannemelijk is geworden en spreekt de verdachte daarvan vrij.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2005 tot en met 29 maart 2010 te Driebergen-Rijsenburg, 21 film-/videobestanden in bezit heeft gehad, terwijl daarop seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit onder meer

- het geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en de onnatuurlijke pose van die persoon nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht worden, onder meer nummer 22 op pagina 16,

en

- het drukken van een stijve penis tegen de vagina van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, onder meer nummer 20 op pagina 15 en nummer 21 op pagina 16 van het proces-verbaal van de beschrijving multimediafiles,

en

- het vaginaal penetreren met een voorwerp (worstje) door zichzelf door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, onder meer nummer 23 op pagina 16 en 17 van het proces-verbaal van de beschrijving multimediafiles.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

feit 3: een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 147 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedurende deze proeftijd. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf gevorderd voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd en de rechtbank verzocht hiermee, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinderpornografische filmbestanden. Kinderporno is bijzonder ongewenst, met name omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte moet mede verantwoordelijk worden gehouden voor genoemd seksueel misbruik van kinderen omdat hij met het downloaden van kinderporno, heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno downloaden.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank acht geslagen op het aantal kinderpornografische filmbestanden dat verdachte in zijn bezit heeft gehad en de leeftijd van de kinderen alsmede de aard van de handelingen die op deze bestanden in beeld worden gebracht. De rechtbank merkt in dit verband op dat op de filmopnamen kinderen zijn te zien in de leeftijd van vermoedelijk 8 tot 14 jaar. Op ten minste twee bestanden is sprake van mogelijke penetratie door een man. Op één ander bestand is wordt een meisje in beeld gebracht in de leeftijd van vermoedelijk 11 tot 13 jaar dat een worstje in haar vagina brengt.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet een pro-justitia rapportage d.d. 17 september 2010, opgemaakt door R.A. Sterk, psycholoog. In dit rapport concludeert voornoemde deskundige dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat hiervan ook geen sprake was ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte dient naar het oordeel van deze deskundige als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Zij concludeert op grond van voornoemde conclusies dat het bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft voorts gelet op het strafblad van verdachte d.d. 11 april 2011, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld in verband met soortgelijke feiten.

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, het onder 3 ten laste gelegde vervaardigen van kinderporno en bovendien het bezit van minder kinderpornografische bestanden bewezen acht dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank ten voordele van verdachte naar beneden afwijken van deze eis.

De rechtbank acht – alle omstandigheden in aanmerking genomen - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank beoogt daarmee verdachte te weerhouden opnieuw een (dergelijk) strafbaar feit te begaan.

De rechtbank zal, nu zij verdachte heeft vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, geen bijzondere voorwaarde opleggen in de zin van een contactverbod met [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

7. De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [verdachte] en [verdachte] vorderen beide een schadevergoeding van € 11.599,33, waarvan telkens € 5.000,00 aan immateriële schade en

€ 6.599,33 aan materiële schade.

Nu verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde handelen, waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, niet schuldig wordt verklaard, kunnen de benadeelde partijen [verdachte] en [verdachte] in hun vordering niet worden ontvangen.

De rechtbank zal daarom voornoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 3: een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [verdachte] en [verdachte] niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en

mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juni 2011.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.