Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7575

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
16-601138-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van opzettelijke vrijheidsberoving wegens onvoldoende overtuigend bewijs. Omdat de rechtbank de verklaringen van aangever op belangrijke punten onbetrouwbaar acht, kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van dwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601138-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats], Nederlandse Antillen

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

gedetineerd in het Huis van Bewaring te Doetinchem

raadsman mr. T. de Haan, advocaat te Amsterdam

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen de heer [aangever 1] van zijn vrijheid heeft beroofd om hem te dwingen geld af te geven;

Feit 2: samen met anderen een vuurwapen en munitie in zijn bezit heeft gehad.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Zij baseert zich daarbij allereerst op de verklaringen van aangever [aangever 1]. Zij gaat uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [aangever 1], vanaf het moment dat hij heeft plaatsgenomen in de auto op 8 november 2010 te Veenendaal. Volgens de officier van justitie laat het dossier een aannemelijke reden zien voor de wisselende verklaringen van aangever met betrekking tot de fase voorafgaand aan het moment dat hij is meegenomen in de auto. Voorts baseert de officier van justitie zich op de verklaringen van getuige [getuige], de vriendin van aangever, het aantreffen van het vuurwapen en een groot geldbedrag in de woning te Amsterdam, een sms-bericht in zijn telefoon met een tekst die erop neerkomt dat hij een vastgebonden man bij zich heeft, en DNA-materiaal van hem op een rol tape in de woning. Ten slotte baseert de officier van justitie zich op de observaties die door verbalisanten zijn gedaan op station Utrecht Centraal Station op 09 november 2010, alsmede op de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

De officier van justitie gaat ervan uit dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 8 november 2010 alle drie samen met aangever [aangever 1] in de auto hebben gezeten van Veenendaal naar Amsterdam, dat zij alle drie in de woning te Amsterdam zijn geweest en dat zij alle drie een dag later met aangever naar Utrecht Centraal Station zijn gegaan. Ook gaat de officier van justitie ervan uit dat alle drie de verdachten het aangetroffen vuurwapen in handen hebben gehad. Het aandeel van alle drie de verdachten bij beide feiten is volgens de officier van justitie dan ook zodanig dat sprake is van medeplegen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten. De concrete uitwerking van gedragingen en omstandigheden (verfeitelijkingen) zoals neergelegd in de tenlastelegging zijn slechts afkomstig van de verklaringen van aangever. Volgens de raadsman zijn deze verklaringen leugenachtig, zodat deze niet als bewijsmiddel kunnen worden gebezigd. Zo blijkt al uit het dossier dat aangever bezijden de waarheid heeft verklaard over de aard van de contacten die hij met de vermeende ontvoerders heeft gehad. Over het ontstaan van het eerste contact heeft hij in een laat stadium van het onderzoek ten overstaan van de rechter-commissaris een geheel nieuwe zienswijze gegeven. Daaruit volgt dat hij zelf de adresgegevens heeft gegeven van de plek waar hij zou worden opgehaald, hetgeen een contra-indicatie is voor de gestelde dwang. Ook zijn veel contra-indicaties in het dossier te vinden voor het standpunt dat aangever niet in vrijheid heeft kunnen bewegen. Uit geen andere bron dan de verklaring van aangever is af te leiden dat hij in de woning werd bedreigd of in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt door vrijwel constant vastgebonden te zijn met tape. Hij heeft echter – zo blijkt uit het dossier -veel mogen bellen, hij heeft gebruik gemakt van de laptop die zich in de woning in Amsterdam bevond, hij heeft films gekeken, gedoucht, van een huisgemaakte maaltijd genoten en is op Utrecht Centraal Station met de vermeende ontvoerders nog naar de Burger King geweest. Door geen van de getuigen wordt bovendien bevestigd dat de telefoon van aangever uit zijn handen werd genomen nadat hij hen had gebeld om aan geld te komen. Evenmin hebben zij bevestigd dat de ontvoerders het gesprek vervolgens voortzetten.

Als al niet het wettig bewijs ontbreekt, ontbreekt toch zeker daardoor de overtuiging dat sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, zoals onder 1 ten laste gelegd.

Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte het in de woning aangetroffen vuurwapen voorhanden heeft gehad, aldus de raadsman. Het aantreffen van een wapen een tijd na de aanhouding van verdachte in een woning waaraan verdachte gelinkt kan worden, is daartoe onvoldoende. Op het wapen zijn bovendien geen sporen van verdachte aangetroffen.

Gelet op het voorgaande heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte zowel van het onder 1, als van het onder 2 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar voldoende wettig bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 ten laste gelegde feit, maar dat de overtuiging hiertoe ontbreekt. De verklaringen van aangever bevatten veel tegenstrijdigheden en worden op belangrijke onderdelen onvoldoende ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, dan wel door verklaringen van getuigen of verdachte zelf. Op bepaalde onderdelen worden zijn verklaringen zelfs tegengesproken door zijn eigen vriendin, getuige [getuige]. Op die punten acht de rechtbank de verklaringen van aangever daarom te onbetrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen, zodat de verfeitelijkingen zoals ten laste gelegd, ook niet zijn komen vast te staan. Zo kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat aangever door verdachte en zijn medeverdachten is gedwongen op 8 november 2010 te Veenendaal in de auto plaats te nemen, noch dat hij vervolgens enige tijd onder dwang in de woning in Amsterdam heeft verbleven. Ook kan niet worden vastgesteld dat de bewegingsvrijheid van aangever zodanig beperkt was als door hem beschreven. De bedreigingen zoals ten laste gelegd, vinden bovendien geen steun in ander objectief bewijsmateriaal. Toen aangever op 9 november 2010 op Utrecht Centraal Station was, was er ten slotte gelegenheid samen met verdachte en zijn medeverdachten eten en of drinken te nuttigen bij de Burger King.

Dat sprake is geweest van een dreigende situatie acht de rechtbank niet onwaarschijnlijk. De verklaring van getuige [getuige] over de bemiddelende rol van aangever bij het drugsconflict van zijn neef [betrokkene 1] en over de angst die zij bij aangever heeft waargenomen tijdens de telefonische bel- en pingcontacten, bevestigt dat hij zich in een risicovolle en bedreigende situatie heeft bevonden. Dit volgt ook uit de brief die aangever thuis onder de vaas heeft achtergelaten. Hierin heeft hij aan zijn vriendin, getuige [getuige], laten weten hoe zij aan zijn geld kan komen en dat het geld voor haar is. Kennelijk wist aangever op voorhand dat hij zich in een risicovolle situatie zou gaan begeven en was hij zijn leven niet zeker. Het dreigende karakter van de situatie waarin aangever zich bevond, volgt ook uit de angst die hij uitstraalde op het moment dat hij zich vervoegde bij twee agenten op Utrecht Centraal Station. Het feit dat door zijn toedoen de politie bij het drugsconflict betrokken was geraakt, maakte de situatie waarin hij zich had begeven mogelijk nog gevaarlijker.

Alles in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de bewijsmiddelen zoals die zich in het dossier bevinden wel aanwijzingen geven voor een dreigende situatie, maar dat deze geen gijzeling opleveren als bedoeld in artikel 282a Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat zich wel voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Aangever heeft bij de politie verklaard dat hij een vuurwapen heeft gezien in de woning te Amsterdam op 8 en 9 november 2010. Hij heeft verklaard dat wanneer een man bij hem achterbleef in de woning, deze altijd in het bezit was van een vuurwapen . Later heeft hij bij de rechter-commissaris bevestigd dat er een vuurwapen in de woning aanwezig was. Hij heeft onder meer verklaard dat de drie mannen het wapen om de beurt bij zich hadden. De lange rasta, met wie hij verdachte [verdachte] bedoelde, zat ’s nachts gewapend bij de deur, aldus aangever .

Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank de verklaringen van aangever op belangrijke punten onbetrouwbaar acht, gaat zij niet zonder meer van genoemde verklaringen uit. Dat zich in de desbetreffende periode een wapen in de woning heeft bevonden acht de rechtbank echter wel aannemelijk gelet op het navolgende.

De woning stond te koop, maar was sinds begin oktober 2010 verhuurd. De laatste bezichtiging had plaatsgevonden op 11 november 2010. De makelaar bij wie het huis te koop stond, heeft verklaard dat tijdens deze laatste bezichtiging een kussen van een stoel in de woonkamer was gevallen. Toen hij dit kussen terug wilde leggen, zag hij in de stoel een pistool of revolver liggen. Toen de politie hem een dag later belde om de sleutel te vragen voor een doorzoeking, heeft hij hen meteen van het aantreffen van het wapen in de stoel in kennis gesteld, aldus de makelaar .

Tijdens de doorzoeking, die vervolgens op 12 november 2010 plaatsvond, is het wapen inderdaad aangetroffen op de stoel in de woonkamer, welk wapen vervolgens in beslag is genomen . Dit wapen betrof een pistool van het merk Ruger, kaliber 9mm, inclusief 14 patronen van 9x19mm in de houder, een wapen en munitie van de Categorie III .

Dat tussen het moment dat aangever zich in de woning bevond en het moment van aantreffen van het wapen door de politie op 12 november 2010 een aantal dagen is gelegen, doet niet af aan de aanname dat het wapen zich die hele periode in de woning heeft bevonden. Verdachte en zijn medeverdachten zijn op 9 november 2010 aangehouden, direct nadat zij samen met aangever op Utrecht Centraal Station waren. Niet aannemelijk is dat, afgezien van de makelaar en potentiële kopers, iemand in de tussenliggende periode in de woning is geweest en daar het wapen heeft neergelegd. De rechtbank acht het evenmin aannemelijk dat het wapen in de woning is achtergelaten door de makelaar of potentiële kopers, nu daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat.

De makelaar heeft verklaard dat hij in de periode dat het huis verhuurd was meermalen een donkere man in de woning heeft gezien, die hij het beste kon omschrijven als ‘rasta man’ . Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij dat was. Hij heeft verklaard dat hij samen met zijn vriendin in de desbetreffende periode zijn hoofdverblijfplaats had in de woning aan de [adres] te Amsterdam en dat er geen andere mensen woonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte in ieder geval op de hoogte moet zijn geweest van de goederen die zich op 8 en 9 november 2010 in zijn woning bevonden, waaronder het vuurwapen. Dit levert een bewezenverklaring op van het voorhanden hebben van het wapen, zoals bedoeld in artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie. Dat van verdachte geen sporen op het wapen zijn aangetroffen, maakt dit niet anders.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het betreurt dat verdachte en zijn medeverdachten niet eerder met hun visie op de zaak naar buiten zijn gekomen. Het in een eerder stadium afleggen van een verklaring had het onderzoeksproces mogelijk vlotter doen verlopen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 8 november 2010 tot en met 9 november 2010 te Amsterdam

een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Ruger, kaliber 9mmx19), en munitie van categorie III, te weten een aantal (14) scherpe patronen 9x19mm, voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Voor het geval dat de rechtbank tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring mocht komen, heeft de verdediging verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een ‘first offender’ is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een vuurwapen in zijn bezit gehad, waarmee zeer ernstige strafbare feiten gepleegd kunnen worden. Het illegale bezit van een dergelijk wapen kan dan ook een groot gevaar opleveren. Om die reden rekent de rechtbank dit verdachte zwaar aan. Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat de omstandigheden waaronder hij het wapen in zijn bezit heeft gehad op zijn minst dubieus zijn te noemen. Niet bewezen is weliswaar dat hij aangever [aangever 1] in zijn woning, alwaar het vuurwapen is aangetroffen, heeft gegijzeld zoals is tenlastegelegd, doch de rechtbank acht het niet onwaarschijnlijk dat mede door toedoen van verdachte in deze woning een dreigende situatie heeft bestaan. De aanwezigheid van het wapen zal daar zeker aan hebben bijgedragen.

Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank mee dat verdachte weinig openheid van zaken heeft gegeven. Dit heeft het onderzoeksproces bemoeilijkt.

Tegelijkertijd weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat hij in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Nu de rechtbank het zwaarste feit op de dagvaarding ook niet bewezen acht, zal zij een substantieel lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Deze straf, die zal worden opgelegd in de vorm van een gevangenisstraf, is van kortere duur dan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zodat hij zijn straf reeds in zijn geheel heeft ondergaan. Bij beslissing van 17 mei 2011 heeft de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis met ingang van diezelfde datum opgeheven.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 7.176,40 voor

feit 1, waarvan € 5.000,-- ter zake immateriële schade en € 2.176,40 ter zake materiële schade.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8. Het beslag

8.1. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten een pistool van het merk Ruger, kaliber 9mm, inclusief 14 patronen en een kopie van een Spaanse verblijfsvergunning, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot het in beslag genomen vuurwapen.

Verder is de kopie van de Spaanse verblijfvergunning, nu deze is vervalst, van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8.2. De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het hierna in de beslissing genoemde geldbedrag, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt. De niet nader onderbouwde verklaring van verdachte ter terechtzitting dat € 4.000,-- van het geldbedrag van hem is, is onvoldoende om dat deel van het bedrag aan hem te geven.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen vuurwapen, te weten een pistool van het merk Ruger, kaliber 9mm, inclusief 14 patronen;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen kopie van een Spaanse verblijfsvergunning;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen geldbedrag van € 52.380,--;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 mei 2011.