Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7550

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
16-601231-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen diefstal, vrijspraak diefstal/heling auto en kentekenplaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601231-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsvrouw mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 28 februari 2011 en 19 mei 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen, dan wel alleen een winkelinbraak heeft gepleegd;

feit 2 (primair en subsidiair): samen met anderen, dan wel alleen kentekenplaten heeft gestolen dan wel geheeld;

feit 3 (primair en subsidiair): samen met anderen, dan wel alleen een auto heeft gestolen dan wel geheeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet wettig en overtuigen bewezen kan worden dat verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. De betreffende auto is op grote afstand van de plaats delict aangetroffen, hetgeen, naar het oordeel van de verdediging, ruimte laat voor een alternatief scenario. Bovendien was er niet sprake van een dikke sneeuwlaag maar waren er blijkens de foto’s in het dossier ook open plekken zodat dit de betekenis van het voetspoor in de sneeuw onduidelijk maakt.

Ten aanzien van het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het standpunt van de officier van justitie. Voorts stelt de verdediging dat het onder 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde eveneens niet wettig en overtuigen bewezen kan worden.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de hem ten laste gelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraak ten aanzien van de feiten 2 primair en subsidiair, 3 primair en

subsidiair en 4 primair

Ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, al dan niet samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de betreffende auto. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de betreffende auto, wist of moest vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was. Immers, de auto was voorzien van de daarbij behorende contactsleutel en uit het dossier volgt niet dat er andere kenmerken in of aan de auto zichtbaar waren die wezen op een mogelijke afkomst uit diefstal.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2 primair en 2 subsidiair

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsvrouw vast dat er geen bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van de betreffende kentekenplaten. Evenmin is er bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze kentekenplaten door misdrijf waren verkregen. Verdachte zal eveneens van dit ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

4.3.2. De feiten ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Op 2 december 2010 omstreeks 03.39 uur vindt bij de [bedrijf 1] te Vianen een inbraak plaats. Bij deze inbraak wordt een hoeveelheid sigaretten weggenomen. Op bewakingsbeelden van voornoemde [bedrijf 1] is te zien dat vier donkergeklede mannen met een voorwerp de schuifdeuren van de winkel forceren en met kracht tegen deze deuren trappen om vervolgens door de geforceerde deuren naar binnen te gaan.

Een omwonende ziet de daders vervolgens wegrijden in een donkerkleurige Seat, voorzien van het kenteken [kenteken]. De gealarmeerde politie ziet de auto, een Seat Leon met bovengenoemd kenteken, omstreeks 04.13 uur over de Utrechtse Baan in de richting van ’s-Gravenhage rijden. Nadat de bestuurder van de auto een stopteken negeert en er met hoge snelheid vandoor gaat, ontstaat er een achtervolging waarbij meerdere politieauto’s betrokken zijn. Vanwege de sneeuw en het daarmee gepaard gaande gevaar, mindert de politie vaart en verliest de Seat Leon binnen de bebouwde kom van ’s-Gravenhage uit het oog, om deze vervolgens kort daarna verlaten aan te treffen op de Volendamlaan. De politie volgt de enige, verse voetsporen in de sneeuw vanaf de auto en treft, op korte afstand hiervan, in een ommuurde binnentuin en liggend onder een tafel verdachte [verdachte] aan. Achter de bosjes in diezelfde binnentuin wordt medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen, liggend in een foetushouding. Verdachte wordt omstreeks 04.30 uur aangehouden. Eén van de verbalisanten herkent [medeverdachte 1] als de bestuurder van voornoemde Seat Leon. Nadat verbalisanten via de Volendamlaan naar de Loosduinsekade rijden, zien zij daar vanuit de Nieuwendamlaan twee donkergeklede mannen met een Noord-Afrikaans uiterlijk rennen en vervolgens de Bosbesstraat in rennen. Op de Bosbesstraat zien verbalisanten verse voetsporen in de sneeuw. Wanneer zij de voetsporen volgen, treffen zij twee mannen aan in de tuin van een school, zittend op een verhoging. Deze mannen, medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], worden aangehouden. Deze twee mannen zijn dezelfde mannen die men kort daarvoor vanuit de Nieuwendamlaan zag komen rennen.

In voornoemde Seat Leon wordt een grote hoeveelheid sigaretten aangetroffen, alsmede een aantal doorzichtige klepjes die in voornoemde [bedrijf 1] werden gebruikt om de sigaretten op de plank van elkaar te kunnen scheiden.

Daarnaast treft de politie in deze auto een mobiele telefoon aan met het telefoonnummer

[telefoonnummer]. In deze telefoon staat onder de naam “atvocaat” het telefoonnummer van het kantoor van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1]. Ook staat in deze telefoon het telefoonnummer van [naam]. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat zijn zus woont op het adres [adres] te [woonplaats]. Op dat adres woont [betrokkene 1].

De rechtbank leidt uit deze feiten af dat voornoemde telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] aan medeverdachte [medeverdachte 1] toebehoort.

Onder medeverdachte [medeverdachte 2] is een telefoon met het nummer [telefoonnummer] in beslag genomen.

Onder verdachte is een telefoon met het nummer [telefoonnummer] in beslag genomen.

In de telefoon van verdachte wordt onder de naam [naam] het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen.

In de telefoon van [medeverdachte 2] wordt onder de naam [naam] het telefoonnummer van verdachte aangetroffen.

In de telefoon van [medeverdachte 1], aangetroffen in de auto, wordt onder de naam [naam] het telefoonnummer van verdachte aangetroffen en onder de naam [naam] wordt het telefoonnummer van [medeverdachte 2] aangetroffen.

Aanvullende bewijsoverweging

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij die avond samen met [medeverdachte 1] op stap was geweest en dat zij vervolgens bij [medeverdachte 1] zus zijn geweest, waarna zij samen naar huis liepen en dat zij op het moment dat zij werden aangehouden schuilden voor de sneeuw. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe dat uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] door de verbalisanten is herkend als bestuurder van de gebruikte auto. Verder verklaart verdachte bij de politie dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] niet kent. Verdachte heeft echter geen verklaring voor het feit dat het telefoonnummer van [medeverdachte 2] in zijn telefoon staat van wie hij zegt niet te weten of hij die kent. Ook heeft verdachte geen verklaring voor het feit dat zijn telefoonnummer in de telefoon van [medeverdachte 1] staat, wiens telefoon in de vluchtauto is aangetroffen. Voorts acht de rechtbank, gelet op de korte tijdspanne tussen het tijdstip van de inbraak in Vianen, het tijdstip waarop de vluchtauto in Den Haag is gezien en het tijdstip van de aanhouding van verdachte, de verklaring van verdachte niet aannemelijk.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat er op basis van voornoemde feiten en omstandigheden geen ruimte is voor een alternatief scenario.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 1 is ten laste gelegd wettig en overtuigend is bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 2 december 2010 te Vianen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit de [bedrijf 1] heeft weggenomen sigaretten, toebehorende aan de [bedrijf 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, immers hebben verdachte en zijn mededaders:

- een voorwerp tussen de schuifdeuren geplaatst en

- met kracht tegen de schuifdeuren getrapt en geduwd en

- vervolgens via de door verdachte en zijn mededaders geforceerde schuifdeuren binnengegaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

feit 1:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij bij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een winkelinbraak. Met deze inbraak, die in het holst van de nacht plaatsvond en getuigde van een professionele aanpak, werd aan de benadeelde zowel schade als overlast berokkend. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk, te meer omdat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond dan wel verantwoording heeft afgelegd voor zijn gedragingen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van verdachte d.d. 5 april 2011, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen voor strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten als het onderhavige feit, is veroordeeld. Hij is onder meer veroordeeld door de politierechter op 2 juli 2010, waarbij aan verdachte een werkstraf is opgelegd, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige delicten te plegen.

Uit het reclassering rapport d.d. 17 februari 2011, opgemaakt door S. Steijger volgt – zakelijk weergegeven – dat verdachte aangeeft gemotiveerd te zijn om zijn situatie te stabiliseren, echter zijn gedrag sluit hier niet op aan. Verdachte heeft de neiging eigen voorwaarden te verbinden aan hulp en wijst gedragsbeïnvloedende interventies resoluut af.

Verdachte heeft een zeer beperkte hulpvraag en stelt zich niet begeleidbaar op waar het gedragsverandering betreft. Zijn motivatie is onvoldoende om aan een verplicht reclasseringscontact invulling te geven en ingeschat wordt dat er een hoog risico is dat hij zich zal ontrekken aan voorwaarden. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog-gemiddeld.

De reclassering adviseert aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de strafmaat in soortgelijke zaken en ziet, ondanks dat zij tot een andere – minder omvattende – bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, geen aanleiding, gelet op het omvangrijke strafblad van verdachte en zijn opstelling ten aanzien van het bewezenverklaarde feit en begeleiding door de reclassering, voor een lagere of andere straf.

7. Het beslag

7.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- tas, merk Lacoste, kleur blauw,

- jas, merk Breach, kleur blauw,

- telefoon, merk Samsung, type Slider , kleur zilver,

- MP3 speler/Ipod, merk Apple,

- Schoenen, merk Nike, type South, maat 42;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juni 2011.