Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7381

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
16/600142-11[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen: gering aandeel en verhouding tussen verdachte en medeverdachten niet gelijkwaardig. Medeplichtigheid niet tll

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600142-11[P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. J.J. Merkelijn, advocaat te Wageningen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 mei 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen, dan wel alleen, een auto heeft gestolen;

feit 2: samen met anderen, dan wel alleen, een groot aantal goederen uit een winkel heeft gestolen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaringen van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van medeplegen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er op basis van de in het dossier aanwezige stukken niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de diefstal van een bestelbus en het medeplegen van een winkeldiefstal, zoals deze ten laste is gelegd.

De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij bij beide feiten op de uitkijk heeft gestaan. Bij de winkeldiefstal in Woerden is hij buiten de winkel gebleven. Uit de verklaring van verdachte volgt dat het voornemen voor beide feiten door beide medeverdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], aan hem is meegedeeld. Uit het dossier volgt echter niet dat verdachte enig aandeel heeft gehad in of betrokken is geweest bij het plannen van beide feiten. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij de onder feit 1 genoemde bus alleen heeft weggenomen. Beide medeverdachten verklaren dat verdachte bij de onder feit 2 genoemde diefstal buiten op de parkeerplaats is gebleven. Op camerabeelden is te zien dat beide medeverdachten zich in de winkel begeven, verdachte is op die beelden niet te zien.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank bij de feitelijke uitvoering van beide feiten geen rol van betekenis gespeeld. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de zeer beperkte verstandelijke vermogens van verdachte, geen sprake van gelijkwaardigheid tussen verdachte en zijn beide medeverdachten.

De rechtbank overweegt dat op grond van het voorgaande geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Hoogstens is hier sprake van medeplichtigheid van verdachte aan beide feiten, hetgeen door het Openbaar Ministerie echter niet aan verdachte ten laste is gelegd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan en zal hem hier dan ook van vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 897,82 voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juni 2011.