Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7109

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
693111 UC EXPL 10-7755 LH 4059
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY9270, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twee werknemers, belast met het vullen van geldautomaten, worden door hun werkgever aangesproken tot betaling van het geld dat bij het vullen van een geldautomaat is verdwenen. Beide werknemers ontkennen het geld te hebben weggenomen en wijzen de ander als schuldige aan. Werkgever kan niet aantonen wie van de twee het geld heeft ontvreemd, noch dat beide werknemers daartoe hebben samengespannen. Werkgever baseert haar vordering op onrechtmatige daad althans op bewuste roekeloosheid van de werknemers, bestaande in het verontachtzamen van de verplichting om elkaar bij het werk te controleren. De kantonrechter wijst het beroep op art. 6:102 BW (medeschuld) en art. 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) af. Van bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7:661 BW is in de gegeven omstandigheden geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Kantonrechter

Locatie Utrecht

zaaknummer: 693111 UC EXPL 10-7755 LH 4059

vonnis d.d. 1 juni 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Group 4 Securicor Cash Services B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen G4S,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.G.M. Lieshout,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 1],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. de Gelder,

en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 2],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.P.J. Franssen.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 28 juli 2010.

De comparitie is gehouden op 14 september 2010. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft G4S voor repliek en hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. [gedaagde sub 1] is van 3 september 2007 tot 3 maart 2010, en [gedaagde sub 2] is van 22 februari 2009 tot 4 november 2009 in dienst geweest van G4S. In hun functie van ATM (Automatic Teller Machine)-medewerker waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] belast met het vullen en legen van geldautomaten.

1.2. Gezien de fraudegevoeligheid van de bedongen werkzaamheden wordt het vullen en legen van geldautomaten in tweetallen verricht en hanteert G4S een aantal zogenoemde ‘Gouden regels’, onder meer inhoudende dat ‘(i)edere telling dient plaats te vinden onder het zogenaamde “vier ogen principe”. Daarnaast dient op iedere cassettevulling de zogenaamde “dubbele telling” te worden toegepast.’ [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn van deze regels op de hoogte gesteld.

1.3. Op 2 november 2009 tussen 15.00 en 15.20 uur hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], die toen voor het eerst met elkaar werkten, een ING-geldautomaat in de Bruna winkel te Harmelen gevuld. Volgens ING had zij daartoe € 140.000,-- aan 50 Euro-biljetten (zijnde 2800 biljetten, verpakt in pakketjes van 100) aangeleverd (de zogenoemde subsidie), terwijl nadien was gebleken dat er slechts € 125.000,-- aan dergelijke geldbiljetten (dus 300 biljetten te weinig) in de geldautomaat is gedaan. Na een in november en december 2009 door haar afdeling Security en Risk Management uitgevoerd intern onderzoek heeft G4S het ontbreken bedrag van € 15.000,-- aan ING vergoed.

1.4. Blijkens het verslag van het interne G4S-onderzoek hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de werkzaamheden aan genoemde ING-geldautomaat op 2 november 2009 onderling verdeeld zonder elkaars werkzaamheden te controleren. [gedaagde sub 1] heeft zich beziggehouden met het legen van de ‘aflegbak’ van de geldautomaat en het tellen ervan. Hij was ook degene die de automaat heeft gevuld, echter zonder het geld dat hij erin deed te tellen. [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat [gedaagde sub 2] de subsidie heeft nageteld, terwijl [gedaagde sub 2] stelde dat [gedaagde sub 1] dat heeft gedaan. [gedaagde sub 2] heeft verklaard het subsidiebedrag zelf niet te hebben gecontroleerd.

1.5. Op het door [gedaagde sub 2] ingevulde en zowel door hem als door [gedaagde sub 1] ter plekke ondertekende serviceformulier is vermeld dat de geldautomaat werd gevuld met € 140.000,-- aan 50 Euro-biljetten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in het kader van het interne onderzoek beiden erkend dat de geldautomaat met € 15.000,-- te weinig is gevuld. Beiden ontkennen het ontbrekende geld te hebben weggenomen. Zij wijzen elkaar als schuldige aan.

1.6. Begin november 2009 heeft [gedaagde sub 2] zijn dienstverband met G4S met onmiddellijke ingang opgezegd om bij een andere groepsvennootschap te gaan werken. Zijn laatste werkdag bij G4S was 2 november 2009. De arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1], die op 7 december 2009 van werkzaamheden werd vrijgesteld, is op 3 maart 2010 niet verlengd.

De vordering en de standpunten van partijen

2.1. G4S vordert de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om aan haar te voldoen € 15.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2009 tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proces- en nakosten.

2.2. G4S beseft dat zij niet kan aantonen wie zich het op 2 november 2009 verdwenen geldbedrag heeft toegeëigend en - evenmin - of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daartoe hebben samengespannen. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat het evenwel niet anders kan dan dat òf [gedaagde sub 1] òf [gedaagde sub 2], danwel beiden samen, zich aan de ontvreemding van het geld hebben schuldig gemaakt. Zij zijn jegens G4S voor de hierdoor ontstane schade aansprakelijk op grond van wanprestatie althans onrechtmatige daad. Dat geldt niet slechts indien zij het geld samen mochten hebben ontvreemd. Zou het zo zijn dat de één het geld zonder medeweten van de ander heeft weggenomen, is de aansprakelijkheid van die ander gegrond op het veronachtzamen van de ‘Gouden regel’ die de werknemers verplicht elkaar tijdens het werk in de gaten te houden en elkaars werkzaamheden te controleren. Dit moet worden aangemerkt als bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, omdat - ingevolge artikel 6:166 althans 6:102 Burgerlijk Wetboek (BW) - hen hun aandeel in de gebeurtenis in groepsverband is toe te rekenen.

3. [gedaagde sub 1] betwist de vordering. Omdat hij het ontbrekende geld niet heeft weggenomen, moet [gedaagde sub 2] dat hebben gedaan. Voor diens gedraging is [gedaagde sub 1] niet (mede) aansprakelijk. Bij het ATM-werk werd het ‘vier ogen principe’ en een ‘dubbele telling’ vaak niet toegepast, omdat dit door de tijdsdruk waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht niet mogelijk was. Het vullen van een geldautomaat moest in 20 minuten gebeuren, terwijl het bij naleving van de bedoelde ‘Gouden regel’ minstens 45 minuten zou vergen. Daarvoor was in het rooster geen tijd, zodat wel op de collega mòest worden vertrouwd. Het was dan ook de gebruikelijke gang van zaken dat, zoals op 2 november 2009, het werk onderling werd verdeeld (de één telde en de ander vulde) en de telling van de een niet door de ander werd gecontroleerd. Dat het anders moest, is [gedaagde sub 1] in de opleiding en bij het inwerken niet geleerd. Van opzet of bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW is geen sprake geweest. Het had daarentegen op de weg van G4S gelegen om [gedaagde sub 1] voor [gedaagde sub 2] te waarschuwen, die eerder bedrijfsregels had overtreden en van wie zij wist dat hij aan pokertoernooien deelnam.

4. [gedaagde sub 2] betwist de vordering eveneens. Hij bestrijdt het verdwenen geld te hebben ontvreemd. Dat moet [gedaagde sub 1] hebben gedaan zonder dat [gedaagde sub 2] dat heeft gemerkt. Gezien de ruimte waarin - met de rug naar elkaar toe - moest worden gewerkt, bestond daarvoor zeker gelegenheid. Er is niet in groepsverband gehandeld. Dat [gedaagde sub 2] heeft nagelaten het werk van [gedaagde sub 1] te controleren, vestigt geen aansprakelijkheid, omdat van bewuste roekeloosheid geen sprake was. Voor naleving van de genoemde ‘Gouden regel’ was gezien de strakke planning geen tijd.

De beoordeling van het geschil

5.1. De kantonrechter acht zich bevoegd van de vordering kennis te nemen en daarover te beslissen. Ook voor zover G4S haar vordering op artikel 6:162 e.v. BW heeft gebaseerd, moet het geschil worden aangemerkt als een zaak ‘betreffende een arbeidsovereenkomst’,

als bedoeld in artikel 93, aanhef en onder c Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, omdat hetgeen aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt verweten zich bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten van partijen zou hebben voorgedaan.

5.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben weliswaar betwist dat op 2 november 2009 bij het vullen van de ING-geldautomaat in de Bruna winkel te Harmelen € 15.000,-- is verdwenen, maar zij hebben dit verweer onvoldoende met feiten of omstandigheden onderbouwd. Het moet er daarom in dit geding voor worden gehouden dat ING destijds € 140.000,-- aan 50 Euro-biljetten heeft aangeleverd en dat er, nu daarvan slechts € 125.000,-- in de geldautomaat is terecht gekomen, bij het vullen van de geldautomaat € 15.000,-- is verdwenen. Daaraan doet niet af dat G4S het betreffende serviceformulier niet heeft overgelegd.

5.3. In het door G4S uitgevoerde interne onderzoek hebben zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] ontkend zich aan het wegnemen van het geld schuldig te hebben gemaakt. In dit geding hebben zij dit verweer gehandhaafd. Van een erkenning van aansprakelijkheid is daarom geen sprake geweest. Dat zij hebben erkend zich op 2 november 2009 niet aan het ‘vier ogen principe’ en de ‘dubbele telling’ te hebben gehouden, maakt dit niet anders.

5.4. G4S heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 2 november 2009 samen het verdwenen geld hebben weggenomen. Dat de een het geld met medeweten van de ander heeft ontvreemd, heeft G4S evenmin voldoende kunnen onderbouwen. Zij heeft ook niet aangeboden hiervan bewijs te leveren. G4S heeft zich er eveneens bij neergelegd dat zij niet kan aantonen dat ofwel [gedaagde sub 1], ofwel [gedaagde sub 2] zich - alleen - het geld heeft toegeëigend. In dit geding moet daarom in het midden blijven wie van beiden het geld, buiten medeweten van de ander, heeft weggenomen. De vordering is daarom slechts toewijsbaar, indien de tekortkoming die beiden wèl hebben erkend, te weten dat de één (de telling door) de ander niet heeft gecontroleerd, tot aansprakelijkheid leidt en tot vergoeding van de schade verplicht.

5.5. Het geschil betreft derhalve de vraag of [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] voor de door G4S geleden schade aansprakelijk zijn. G4S heeft zich onder meer beroepen op het bepaalde in artikel 6:102 en 6:166 BW. Dit beroep slaagt niet. Eerstgenoemde bepaling baat G4S niet, omdat medeschuld veronderstelt dat elk der plegers van een onrechtmatige daad de verplichting heeft de daardoor ontstane schade te vergoeden, terwijl dat laatste hier nu juist de te beantwoorden vraag is. Het beroep op laatstgenoemde bepaling faalt, omdat voor aansprakelijkheid voor een in groepsverband gepleegde onrechtmatige daad vereist is dat de groepsleden wisten of behoorden te begrijpen dat het optreden als groep het gevaar op het ontstaan van de schade in het leven riep en dat zij de mogelijkheid hadden zich uit het groepsverband terug te trekken, maar dit hebben nagelaten. Van het een, noch van het ander was hier sprake. Dat [gedaagde sub 1] wist of behoorde te begrijpen dat [gedaagde sub 2] het voornemen had geld te verduisteren is niet gesteld of gebleken. Evenmin dat [gedaagde sub 2] wist of behoorde te weten dat [gedaagde sub 1] dit van plan was. Daarbij waren zij als werknemers van G4S gehouden hun werkzaamheden samen te verrichten.

5.6. Indien G4S mocht hebben willen betogen dat de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], voor zover deze is gebaseerd op artikel 6:162 e.v. BW, ruimer is dan die welke ingevolge artikel 7:661 BW op hen als werknemers jegens haar als werkgeefster rust, kan zij in dit standpunt niet worden gevolgd. Zoals mede uit het bepaalde in artikel 6:170 BW blijkt, leidt artikel 7:661 BW tot een aanmerkelijke beperking van de aansprakelijkheid van de werknemer voor in de bedongen arbeid toegebrachte schade, waar het eerste lid van laatstgenoemd artikel bepaalt dat de werknemer voor bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst toegebrachte schade niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

5.7. Niet gesteld of gebleken is dat overeenkomstig het tweede lid van artikel 7:661 BW is afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel. Uit de omstandigheden van het geval vloeit, mede gelet op de aard van de arbeidsovereenkomsten van partijen, evenmin iets anders voort. Dat het gaat om fraudegevoelige arbeid en G4S haar ATM-medewerkers met de aan haar toevertrouwde gelden moet kunnen vertrouwen, is hiervoor onvoldoende.

5.8. Omdat G4S niet heeft gesteld dat van opzet sprake was, komt het er in dit geding op aan of, veronderstellende dat de een het verdwenen geld buiten medeweten van de ander heeft ontvreemd, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], ieder voor zich, bewust roekeloos hebben gehandeld door de ander bij het werk aan de geldautomaat niet in de gaten te houden althans door na te laten diens (tel)werk te controleren. Vast staat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kennis droegen van de desbetreffende ‘Gouden regel’. Om bewuste roekeloosheid te kunnen aannemen is evenwel, behalve wetenschap van de norm, vereist dat de werknemer zich er onmiddellijk voorafgaand aan het handelen in strijd met die norm, waardoor de schade is kunnen ontstaan, daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter hiervan. Op grond van de feiten en omstandigheden van dit geval kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2], ervan uitgaande dat hij niet zelf maar zijn collega buiten zijn medeweten het geld heeft weggenomen, zich er daadwerkelijk van bewust is geweest dat de niet-naleving van de ‘Gouden regel’ de kans in het leven riep dat de ander geld zou ontvreemden. De kantonrechter neemt hierbij het volgende in aanmerking.

5.9. G4S heeft ter comparitie erkend dat er bij de planning van het werk van de ATM-medewerkers vanuit wordt gegaan dat het vullen van een geldautomaat niet langer dan 20 minuten in beslag neemt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gesteld dat dit met zich meebrengt dat niet steeds alle werkzaamheden van de een door de ander kunnen worden geobserveerd of gecontroleerd en dat daarom de gebruikelijke gang van zaken is dat de werkzaamheden onderling worden verdeeld zonder dat de een het werk van de ander nog controleert. G4S heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft er ter comparitie op gewezen dat moeilijk is te achterhalen of de bedoelde ‘Gouden regel’, door haar ‘de belangrijkste regel binnen de organisatie’ genoemd, door haar personeel pleegt te worden nageleefd. G4S heeft onvoldoende onderbouwd dat zij op die naleving toezicht houdt, bijvoorbeeld door de werkzaamheden van ATM-medewerkers - al was het steekproefsgewijs - te beoordelen of hen te superviseren. Voorstelbaar is dan ook dat in de loop der tijd een werkwijze ontstaat waarbij de ATM-medewerkers onder tijdsdruk de te verrichten werkzaamheden onderling plegen te verdelen en erop rekenen dat zij op hun - door G4S gescreende - collega kunnen vertrouwen. Daarbij moet rekening worden gehouden met het ervaringsfeit dat zij bij de dagelijkse arbeidsverrichting niet steeds de zorgvuldigheid in acht nemen die daarbij geraden is en minder waakzaam zijn dan wenselijk zou zijn. Hiervan moge hen onder omstandigheden een (meer of minder ernstig) verwijt kunnen worden gemaakt, het is niet - zonder meer - bewust roekeloos. Feiten of omstandigheden die maken dat dit in dit geval anders is, zijn gesteld noch gebleken.

5.10. Op het voorgaande stuit de vordering af. G4S wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Op hun vordering zullen de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt G4S tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 900,-- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt G4S tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 900,-- aan salaris gemachtigde.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.