Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6670

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
628027 AC EXPL 19-2790 PK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art 96 Rv. Vordering ogv "ladderrecht" om muur aanbouw te voegen vanaf perceel buren. Tegenvordering tot afbraak aanbouw. Kantonrechter houdt gedaagde aan de ter comparitie overengekomen regeling: eiser mag de muur voegen, vordering tot afbraak afgewezen, ter comparitie overeengkomen schadevergoeding van EUR 1.500,-- toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Kantonrechter

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 628027 AC EXPL 19-2790 PK

vonnis ex art. 96 Rv d.d. 25 mei 2011

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. S.W. Haagsma,

tegen:

[gedaagde sub 1], en

[gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen in mannelijk enkelvoud [gedaagden],

gedaagden,

procederende in persoon.

1. Het verdere verloop van de procedure in conventie en in reconventie

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van 12 mei 2010. Ingevolge dat vonnis heeft op 1 juli 2010 een bezichtiging plaatsgevonden op de percelen en in de woningen van beide partijen aan de [adres] nrs. 17 en 19 te [woonplaats]. Hiervan is aantekening gehouden.

Op 10 oktober 2010 heeft [gedaagden] een brief aan de kantonrechter doen toekomen. [eiser] heeft daarop bij brief van 12 oktober 2010 gereageerd. [gedaagden] heeft de kantonrechter vervolgens bij brief van 6 november 2010 geschreven, op welke brief [eiser] op 23 november 2010 schriftelijk heeft gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] 19 te [woonplaats]. [gedaagden] is eigenaar en bewoner van de [adres] 17 te [woonplaats]. De achtertuinen van partijen grenzen aan elkaar. In de loop van 2001 heeft [eiser] aan de achterzijde van zijn woning een uitbouw laten bouwen van ongeveer 3 m hoog en 3 m diep. Deze uitbouw grenst direct aan de achtertuin van [gedaagden]. Voor deze aanbouw is een bouwvergunning afgegeven.

2.2. Na de bouw heeft [gedaagden] geweigerd [eiser] toestemming te geven de buitenmuur van de aanbouw vanaf het perceel van [gedaagden] te voegen. Nadat [eiser] had geconstateerd dat een tak van een plant (hedera) die groeide op het perceel van [gedaagden] door de niet gevoegde buitenmuur bij hem naar binnen was gegroeid, heeft hij in 2008 [gedaagden] andermaal verzocht om toestemming de muur te voegen. Ook dit verzoek is door [gedaagden] afgewezen.

3. Het geschil en de beoordeling

In conventie

3.1. [eiser] vordert [gedaagden] te gebieden zijn perceel aan de [adres] 17 te [woonplaats] open te stellen en open te houden voor [eiser], althans voor door hem aan te wijzen werklieden, en voorts alle noodzakelijke werkzaamheden en daarbij behorende voorzieningen en werkzaamheden, waaronder het plaatsen van een steiger, het tijdelijk verwijderen van de schutting en een conifeer te gehengen en te gedogen ten behoeve van het voegen van de buitenmuur van de aanbouw van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag voor elke dag dat [gedaagden] twee dagen na betekening van het vonnis in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

Op grond van artikel 5:56 BW is hij gerechtigd de buitenmuur van de aanbouw vanaf het perceel van [gedaagden] te ( laten) voegen. Hij is bereid [gedaagden] daarvoor schadeloos te stellen.

3.3. [gedaagden] voert uitgebreid verweer. Omtrent de voorgeschiedenis vermeldt hij het volgende. Door het gedrag van [eiser] is de aanvankelijk goede verhouding tussen partijen in de loop de jaren minder goed geworden. [gedaagden] was bepaald niet gelukkig met de omvang van de aanbouw. Uiteindelijk heeft hij de ontstane situatie in de loop van 2001-2002 met tegenzin geaccepteerd.

Voorts komt zijn verweer voorzover van belang en samengevat op het volgende neer:

a. er is onvoldoende overleg geweest;

b. artikel 5:56 BW is niet van toepassing;

c. [eiser] heeft voorafgaand aan de procedure onvoldoende duidelijk gemaakt waaruit de door hem aangeboden schadevergoeding zou bestaan;

d. [eiser] stelt ten onrechte (cva p. 9) dat de notariële vastlegging van een overeenkomst niet nodig zou zijn;

e. het is niet verboden dat beplanting van [gedaagden] over de erfgrens met [eiser] groeit;

f. als [eiser] de muur 15-20 cm uit de erfgrens had gebouwd, dan had hij deze over de kop kunnen metselen en afvoegen.

In reconventie

3.4. [gedaagden] vordert na vermeerdering van eis veroordeling van [eiser] tot:

- primair: afbraak van de aanbouw en ervoor zorgdragen dat de gemeenschappelijke coniferen niet hoger groeien dan circa 2 m;

- subsidiair:

o het betalen van een schadevergoeding van

? € 13.000,-- ter zake van waardevermindering van de woning;

? € 4.000,-- ter zake van het niet meer vrij kunnen gebruiken van het perceel;

? € 2.000,-- ter zake van overlast tijdens het afvoegen en het opnieuw aankijken tegen een kale muur;

? € 1.000,-- voor herinrichting van de tuin na 2001 en nieuwe aanplant in 2010 na het afvoegen van de muur;

? € 15.000,-- ter zake van tijdverlies (correspondentie, verweerschriften, overleg met juristen);

o het leveren van drie hardhouten palen ten behoeve van de bevestiging van bloembakken;

o ervoor zorgdragen dat de gemeenschappelijke coniferen niet hoger groeien dan circa 2 m;

- meer subsidiair: hetgeen de kantonrechter in goede justitie passend acht en ervoor zorgdragen dat de gemeenschappelijke coniferen niet hoger groeien dan circa 2 m.

3.5. [gedaagden] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de aanbouw onrechtmatig is. Hij beroept zich daarbij op HR 21 oktober 2005 (Ludlage/Van Paradijs), LJN AT8823. Voorts stelt hij dat [eiser] hem in verband met deze kwestie veel overlast bezorgt.

3.6. [eiser] voert verweer. Primair beroept hij zich op verjaring van de vordering van [gedaagde], subsidiair stelt hij dat de onderhavige kwestie niet te vergelijken is met die in eerder genoemd arrest.

In conventie en in reconventie

3.7. De kantonrechter overweegt het volgende.

3.8. De kantonrechter stelt vast dat partijen hem ter gelegenheid van de bezichtiging op 1 juli 2010 te kennen hebben gegeven dat zij bedoeld hebben zich het recht op hoger beroep in conventie en in reconventie voor te behouden.

3.9. Ter gelegenheid van de bezichtiging ter plaatse op 1 juli 2010 zijn partijen alsnog tot overeenstemming gekomen. Zij hebben dit ter plaatse aan de kantonrechter en de griffier bevestigd. Deze overeenstemming kwam op het volgende neer:

a. [gedaagden] verleent de [eiser] toestemming om de muur vanaf het perceel van [gedaagden] te voegen;

b. het voegen van de muur zal plaatsvinden medio oktober 2010;

c. het is [eiser] op zich toegestaan de conifeer op het perceel van [gedaagden] te (doen) verwijderen, hoewel [gedaagden] liever heeft dat de conifeer blijft staan;

d. de aannemer van de [eiser] zal de hedera verwijderen na overleg met [gedaagden];

e. [eiser] zal aan [gedaagden] een bedrag betalen van € 1.500,--;

f. partijen zullen zelf zorg dragen voor het vastleggen van de schikking en het toezenden daarvan aan de griffie, waarna de kantonrechter deze schikking in een proces-verbaal zal vastleggen; betaling van genoemd bedrag van € 1.500,-- zal plaatsvinden nadat het proces-verbaal is opgesteld.

3.10. [gedaagden] heeft de kantonrechter in zijn brief van 10 oktober 2010 onder meer het volgende geschreven:

“Wij zijn van mening dat eiser met een schriftelijke overeenkomst moet komen, die voor beide partijen acceptabel is, zodat deze aan u kan worden voorgelegd. Het is zijn belang dat de muur wordt afgevoegd. Niet ons belang omdat we dan weer tegen een kale muur aankijken. Eiser had uit ons handelen kort na 1 juli (2010) kunnen weten dat wij die verklaring niet zouden schrijven.

(…)

Na de bezichtiging en de tweede poging tot een minnelijke schikking op 1 juli hebben we niets meer van de eiser vernomen. Op 22 september 2010 hebben we geïnformeerd naar de stand van zaken. De eiser kon, als opdrachtgever voor een juridische procedure, de (dagvaarding) van ons, niet vertellen hoe de stand van zaken was. Hij onttrekt zich daarmee als opdrachtgever aan zijn verantwoordelijkheid het proces in tijd te bewaken. Hij heeft vervolgens een mail verstuurd naar zijn rechtsbijstand verzekering. Deze treft u bijgaand aan. Ook die actie heeft niets opgeleverd. Het afgesproken tijdstip voor de uitvoering van de werkzaamheden zal nu niet meer worden gehaald.

(…)

Wij verzoeken u daarom een uitspraak te doen in dit geschil. Wij kunnen niet anders meer. Wij achten uw tweede poging tot minnelijke schikking mislukt. Daar wij zelf in 2008 ook al pogingen hebben gedaan om te komen tot een oplossing, vinden we nu dat het eindpunt bereikt is. Wij achten ons niet meer gehouden aan de mondelinge overeenkomst van 1 juli 2010”.

3.11. Bij brief van zijn gemachtigde van 12 oktober 2010 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het vragen van vonnis, “nu er een overeenkomst tussen partijen gesloten is”. Bij die brief was een concept-“Overeenkomst van dading” gevoegd.

3.12. Bij brief van 6 november 2010 heeft [gedaagden] onder meer het standpunt ingenomen dat een mondelinge overeenkomst die schriftelijk uitgewerkt moet worden, nog niet wil zeggen dat er een definitieve overeenkomst is. Voorts stelt hij onder verwijzing naar de tussen partijen gevoerde correspondentie dat de finale kwijting niet de afspraak is geweest. Verder wijst hij erop dat hij de gemachtigde van [eiser] een laatste termijn heeft gesteld, welke afliep op 4 november 2010 om 17.00 uur. Hij heeft echter eerst bericht ontvangen op 5 november 2010 om 11.41 uur, welk bericht hij pas heeft gelezen aan het einde van die dag.

3.13. Bij zijn brief van 6 november 2010 heeft [gedaagden] kopie overgelegd van zijn brief aan de gemachtigde van [eiser] van 13 oktober 2010, waarin hij als nader uit te werken punten onder meer noemt:

“Overige punten van overeenkomst, zonder uitputtend te zijn.

Het verwijderen van klimop en de schutting en de klimop afvoeren via het dak van de uitbouw van eiser.

De grond niet meer dan twee stenen ontgraven voor het afvoegen van de muur. En na het afvoegen weer aanvullen.

De voegen uitboren, de muur schoonmaken en de voegen goed voegen met kwaliteitsmortel.

Het aanbrengen van 3 hardhouten balken aan de muur. Maten zijn eerder overeengekomen.

De conifeer wordt niet verwijderd. Er wordt zorgvuldig achter de conifeer gewerkt zonder de conifeer te beschadigen.

De werkzaamheden worden op een nader tijdstip in februari-maart 2011 uitgevoerd. Medio oktober wordt niet meer gehaald en daardoor kunnen we voor de winter geen nieuwe planten meer poten.

Rond de uitvoering van de werkzaamheden dient de minimum temperatuur 2 dagen voor en verwachte minimum temperatuur 2 dagen na de werkzaamheden is 4° C, zodat de cement goed kan harden. De exacte datum dient nader te worden overeengekomen.

Eiser betaalt aan gedaagden een vergoeding van € 1.500, nadat de rechtbank de overeenkomst in proces-verbaal heeft vastgelegd, voorafgaande aan de werkzaamheden en de afspraak met de aannemer door het bedrag te storten op rekening [nummer] ten name van [gedaagde sub 1] e/o [gedaagde sub 2].

Eventueel schade aan eigendom van ons wordt onmiddellijk vergoed”.

3.14. Bij brief van zijn gemachtigde van 23 november 2010 heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat hij de stellingen van [gedaagden] in diens brief van 6 november 2010 nadrukkelijk weerlegt, maar dat hij wel bereid is tot verder praten als de kantonrechter dat alsnog noodzakelijk zou vinden.

3.15. Naar de kantonrechter begrijpt beroept [eiser] zich primair erop dat [gedaagden] gehouden is de op 1 juli 2010 mondeling gesloten overeenkomst na te komen. De kantonrechter zal dit standpunt dus het eerst beoordelen.

3.16. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben partijen op 1 juli 2010 volledige overeenstemming bereikt. Voor zover [gedaagden] bedoeld heeft zich erop te beroepen dat deze overeenkomst - afgezien van de enkele schriftelijke vastlegging daarvan - op bepaalde punten nader uitgewerkt diende te worden (bijvoorbeeld ten aanzien van de punten die hij noemt in zijn brief van 13 oktober 2010) gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Beide partijen hebben de inhoud van de overeenkomst aan de kantonrechter meegedeeld. [gedaagden] heeft daarbij geen enkel voorbehoud gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter had [eiser] in de gegeven omstandigheden er ook geen rekening mee behoeven te houden dat de Pee in een later stadium nadere voorwaarden zou stellen. De mondeling tussen partijen overeengekomen boven weergegeven afspraken dienden alleen nog schriftelijk te worden vastgelegd.

3.17. Naar de kantonrechter uit de door partijen overgelegde correspondentie van na 1 juli 2010 begrijpt, stelt de Pee zich op het standpunt dat partijen geen finale kwijting zijn overeengekomen, hetgeen volgens hem met name inhoudt dat hij niet afziet van zijn recht om verwijdering van de aanbouw te vorderen.

Indien [gedaagden] dit voorbehoud had willen maken, dan had het echter op zijn weg gelegen dit duidelijk aan te geven, gelet op de omstandigheid dat het conflict zich al enkele jaren voortsleept, dat het op een eerder gehouden comparitie niet mogelijk is gebleken overeenstemming te bereiken, dat partijen op 1 juli 2010 gedurende enkele uren met elkaar over een regeling hebben gesproken, en ten slotte ten overstaan van de kantonrechter overeenstemming hebben bereikt. Hieruit volgt dat [gedaagden] heeft afgezien van zijn vordering om te bevelen de aanbouw te verwijderen, alsmede van de nevenvorderingen. De kantonrechter tekent hierbij aan dat hij direct voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tussen partijen uitgebreid aan de orde heeft gesteld wat de reikwijdte was van de vordering van [gedaagden] om de aanbouw te verwijderen, en welke met betrekking tot die vordering de procesrisico's waren voor beide partijen. Onder deze omstandigheden was het vanzelfsprekend dat finale kwijting onderdeel was van de overeenkomst tussen partijen.

3.18. Nu partijen naar het oordeel van de kantonrechter mondeling een definitieve overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot de beëindiging van het geschil en [eiser] zich daarop ook beroept, zijn beide partijen daaraan gebonden. Dat deze mondelinge overeenkomst uiteindelijk niet schriftelijk is vastgelegd doet daar niet aan af.

3.19. De overeenkomst kan slechts door [gedaagden] worden aangetast indien hij terecht stelt dat sprake is van een wilsgebrek aan zijn kant (op grond waarvan de overeenkomst vernietigbaar is) of van een tekortschieten aan de zijde van [eiser] (op grond waarvan hij de overeenkomst zou kunnen ontbinden).

3.20. Met betrekking tot een wilsgebrek (dwaling, dwang, bedrog of misbruik van omstandigheden) heeft [gedaagden] niets gesteld. Op die grond is de overeenkomst dus niet aantastbaar.

3.21. Met betrekking tot het eventueel tekortschieten door [eiser] in het nakomen van de overeenkomst overweegt de kantonrechter het volgende.

Naar de kantonrechter begrijpt stelt [gedaagden] in dit verband dat het op de weg van (de gemachtigde van) [eiser] had gelegen de overeenkomst schriftelijk vast te leggen, en dat dit niet tijdig is gebeurd.

Naar het oordeel van de kantonrechter mocht de Pee er op zich van uitgaan dat de overeenkomst door de gemachtigde van [eiser] op schrift zou worden gesteld, nu [eiser] wel maar [gedaagden] niet van rechtskundige bijstand was voorzien. [gedaagden] heeft echter niet gesteld dat partijen expliciet zijn overeengekomen dat (de gemachtigde van) [eiser] de overeenkomst schriftelijk zou vastleggen. Het had daarom op de weg van [gedaagden] gelegen om [eiser] schriftelijk en duidelijk in gebreke te stellen, alvorens hij zich aan de overeenkomst zou kunnen onttrekken. [gedaagden] heeft [eiser] weliswaar in gebreke gesteld tegen 4 november 2010, bij brief van 12 oktober 2010 heeft de gemachtigde van [eiser] echter reeds een schriftelijke overeenkomst aan [gedaagden] doen toekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter beantwoordde deze concept-overeenkomst in grote lijnen aan hetgeen partijen op 1 juli 2010 mondeling waren overeengekomen. Onder de gegeven omstandigheden stond het [gedaagden] niet vrij de in zijn brief van 6 november 2001 genoemde -niet limitatief bedoelde - nadere en zeer gedetailleerde voorwaarden te stellen.

3.22. Naar de kantonrechter begrijpt is de achterliggende reden van de late schriftelijk vastlegging van de overeenkomst daarin gelegen dat de toenmalige gemachtigde van [eiser] niet langer bij diens rechtsbijstandsverzekeraar in dienst was. Op zich is deze omstandigheid aan [eiser] toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst eerst op 12 oktober 2010 aan [gedaagden] is toegezonden verdient naar het oordeel van de kantonrechter gelet op de aard van het geschil bepaald niet de schoonheidsprijs, maar is echter niet aan te merken als een tekortkoming die algehele ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Ook [gedaagden] is dus aan de mondeling gesloten overeenkomst gebonden.

3.23. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] als na te melden toewijsbaar is en de reconventionele vordering van [gedaagden] tot een bedrag van € 1.500,-- toewijsbaar is.

De kantonrechter tekent hierbij aan dat het toegewezen schadebedrag van € 1.500,-- overeenkomstig een redelijke uitleg van de tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst is aan te merken als een vergoeding voor de redelijkerwijs te verwachten schade die [gedaagden] lijdt door de aanwezigheid van de aanbouw én door de overlast van het vanaf zijn perceel uit te voeren voegwerk van de muur van de aanbouw van [eiser]. De kantonrechter gaat er wel van uit dat [eiser] bereid zal zijn eventuele onvoorziene schade die ontstaat bij de uitvoering van de voegwerkzaamheden aanvullend aan [gedaagden] te voldoen. De periode waarin de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd hebben partijen gesteld op medio oktober 2010. Naar de kantonrechter uit de bespreking van 1 juli 2010 begrepen heeft is dit mede geschied op verzoek van [gedaagden]. Nu dit vonnis later dan de overeengekomen periode wordt uitgesproken, zal de kantonrechter de vordering toewijzen voor de maand oktober 2011, waarbij de kantonrechter aantekent dat het partijen uiteraard vrijstaat in onderling overleg een andere periode overeen te komen.

3.24. Gelet op de rechtsverhouding tussen partijen zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

beveelt [gedaagden] zijn perceel aan de [adres] 17 te [woonplaats] gedurende de maand oktober 2011 - echter niet langer dan voor de duur van de werkzaamheden - open te stellen en open te houden voor [eiser], althans voor door hem aan te wijzen werklieden, en voorts alle noodzakelijke werkzaamheden en daarbij behorende voorzieningen en werkzaamheden, waaronder het plaatsen van een steiger, het tijdelijk verwijderen van de schutting en - alleen indien dit strikt noodzakelijk is - een conifeer te gehengen en te gedogen ten behoeve van het voegen van de buitenmuur van de aanbouw van [eiser];

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagden] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.500, met de wettelijke rente vanaf de eerste dag waarop de werkzaamheden op het perceel van [gedaagden] een aanvang hebben genomen tot de voldoening;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.