Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6233

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
SBR 10-2795
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toerekenbaar plichtsverzuim. Evenredigheid disciplinaire straf. Weigering van administratief medewerkster van de rechtbank om herhaaldelijk concreet verzoek van leidinggevende uit te voeren om uitspraak op de volgende rolzitting te plaatsen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2795

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het bestuur van de rechtbank Arnhem, verweerder,

Inleiding

1.1 Bij besluit van 18 februari 2010 heeft verweerder ten aanzien van handelen van eiseres toerekenbaar plichtsverzuim vastgesteld en aan haar een disciplinaire straf opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 18 februari 2010 herroepen enkel voor wat betreft de opgelegde disciplinaire straf. Na heroverweging heeft verweerder de disciplinaire straf opgelegd van een schriftelijke berisping evenals de disciplinaire straf van vaststelling van het salaris op een bedrag dat een jaarlijkse periodiek minder bedraagt voor de tijd van één jaar, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Eiseres heeft hiertegen beroep bij de rechtbank Arnhem ingesteld.

1.2 De rechtbank Arnhem en de rechtbank Utrecht zijn overeengekomen dat zaken waarin (voormalige) medewerkers van deze rechtbank zijn betrokken van elkaar over te nemen. Op voet van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de rechtbank Arnhem de zaak verwezen naar de rechtbank Utrecht. De rechtbank Utrecht heeft hiermee ingestemd.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 15 april 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M. Colenbrander, advocaat te Zwolle. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Ruinaard en N. Ketelaar, beiden werkzaam bij de rechtbank Arnhem.

Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 80, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenaren Reglement (hierna: ARAR) kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Op grond van voornoemd artikel, tweede lid, omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, ARAR zijn de disciplinaire straffen welke kunnen worden opgelegd, onder a, schriftelijke berisping en, onder g, het niet toekennen van periodieke salarisverhogingen gedurende ten hoogste vier jaren.

Ingevolge artikel 81, derde lid, ARAR kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

2.2 Eiseres, [eiseres], is senior administratief medewerkster bij de sector Bestuursrecht van de rechtbank Arnhem. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van eiseres op donderdag 1 oktober 2009 tegenover drie collega’s als toerekenbaar plichtsverzuim moet worden aangemerkt. Volgens verweerder zijn op die dag drie collega’s bij eiseres geweest met het verzoek om een uitspraak op de zittingsrol van dinsdag 6 oktober 2009 te plaatsen. Volgens verweerder was het eiseres duidelijk, althans had het haar duidelijk moeten zijn dat, nadat [A], [B] en [C], welke laatstgenoemde de leidinggevende is van eiseres, haar hadden gevraagd een uitspraak op de zittingsrol te plaatsen, er geen sprake (meer) was van een algemeen verzoek of een algemene vraag, maar van een concreet dossier en een concreet verzoek. Als volgens verweerder een leidinggevende aan eiseres vraagt om bepaalde werkzaamheden te verrichten, of om hem daarbij te helpen, is het niet aan eiseres om te bepalen dat er geen goede argumenten zijn om van de richtlijnen af te wijken. Het behoort dan tot de plicht van een ambtenaar om die werkzaamheden uit te voeren. Het argument dat het dossier niet tot haar verantwoordelijkheid behoorde, zo dit het al anders zou maken, had eiseres ten tijde van het verzoek van haar leidinggevende naar voren moeten brengen. Ten tijde van het verzoek leefden zowel eiseres als haar leidinggevende kennelijk in de veronderstelling dat het wel tot haar verantwoordelijkheid behoorde. Eiseres heeft niet gehandeld zoals van een goed ambtenaar verwacht mag worden.

2.3 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar geen plichtsverzuim kan worden verweten. Haar is geen concrete opdracht gegeven om de uitspraak op de zitting van dinsdag 6 oktober 2009 te plaatsen. In beroep heeft eiseres gesteld dat op 1 oktober 2009 eiseres en haar collega [D] om ongeveer 12.00 uur of 12.30 uur werden aangesproken door een gerechtssecretaris [A]. In algemene zin heeft [A] gevraagd aan eiseres en aan [D] of het mogelijk was dat een uitspraak nog mee zou kunnen worden genomen met de rol van 6 oktober 2009. Eiseres en [D] verwezen [A] naar de interne richtlijn waarin staat dat een uitspraak uiterlijk om 10.00 uur bij de administratie moet zijn om op de rol voor de eerstvolgende zitting te kunnen plaatsen. Eiseres en [D] hebben erop gewezen dat de uitspraak van [A] pas op de zitting van donderdag 8 oktober 2009 geplaatst kon worden. [A] vertrok daarna zonder enige opmerking daarover te maken en liet niet blijken het niet eens te zijn met eiseres en [D]. Kort daarna is eiseres naar [C] gegaan en heeft het voorval met hem besproken. [C] gaf tijdens dit gesprek aan dat eiseres goed gehandeld had. Rond 13.30 uur kwam [B] naar de afdeling administratie. Hij vroeg eiseres om opheldering in de zaak. Eiseres verwees opnieuw naar de interne richtlijn en heeft haar collega’s die op dat moment aanwezig waren op de afdeling daarbij betrokken omdat er een uitzondering op de regel gemaakt zou moeten worden om de uitspraak van [A] en [B] alsnog op de zitting van 6 oktober te kunnen plaatsen. Eiseres was van mening dat zij niet zelfstandig de beslissing mocht nemen om een uitzondering te maken. Rond 14.30 uur werden eiseres en haar collega’s aangesproken door [C]. Zowel eiseres als haar collega’s gaven aan dat de uitspraak op de zitting van 8 oktober geplaatst zou moeten worden.

Eiseres is van mening dat zij zich niet direct aan plichtsverzuim schuldig maakt indien zij niet willoos opdrachten van haar leidinggevende uitvoert. Zij heeft de interne richtlijn nageleefd en is van mening dat het niet aan haar was om een beslissing te nemen om een uitzondering te maken op de richtlijn. Daarnaast acht eiseres van belang dat het betreffende dossier niet tot haar werkpakket behoorde. Door het opleggen van een disciplinaire straf wordt eiseres ongelijk behandeld ten opzichte van haar collega’s, omdat haar collega’s hetzelfde standpunt hebben ingenomen.

Ten slotte stelt eiseres dat de adviescommissie bezwaarschriften ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet in geschil is dat aan haar is verzocht een dossier op de rol te plaatsen. Dit kan niet als vaststaand feit worden aangenomen omdat het juist het onderwerp van geschil is.

2.4 De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er aan eiseres een concrete opdracht is gegeven om de uitspraak op de zitting van 6 oktober 2009 te plaatsen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en neemt daarbij het volgende in aanmerking.

2.5 Uit het verslag van 29 oktober 2009 van het gesprek met [A] blijkt dat zij rond 12.15 uur naar de administratie is gegaan en aan eiseres heeft gevraagd of de uitspraak van haar en [B] nog meekon met de uitspraakzitting van 6 oktober 2009. Volgens [A] heeft eiseres dat geweigerd en wilde zij geen uitzondering maken.

Uit het verslag van het gesprek van 19 oktober 2009 met [B] blijkt dat deze rond 13.30 uur naar eiseres is gegaan en haar heeft gezegd dat hij graag wil dat de uitspraak nog wel meeging, aangezien de zes-wekentermijn afliep. Eiseres heeft dat volgens [B] geweigerd.

2.6 In het verslag van 15 oktober 2009 van het gesprek met eiseres, opgemaakt door een personeelsadviseur van verweerder – voor zo ver relevant - staat:

“Vervolgens kwam [C] ergens tussen 14.15 en 14.30 uur binnen. Hij liep naar [eiseres]. [C] kwam met het verhaal dat [B] bij hem was geweest en dat hij vindt dat de uitspraak moet worden meegenomen. [eiseres] zei tegen [C] dat zij hem net had gesproken en dat het haar zwaar tegen viel dat het nu toch moest.

(…)

[C] kwam na 10 minuten terug met de mededeling dat hij de zaak had ingevoerd. Vervolgens vroeg [C] aan [eiseres] “wil je mij verder helpen met en de uitspraak verzenden?”[eiseres] gaf aan dat niet te zien zitten. Zij zei tegen [C]: “dat is hetzelfde als dat ik het zelf doe, vraag het maar aan de andere kant”.

In het verslag van het gesprek met [D] van 27 oktober 2009 staat:

“Op donderdag 1 oktober 2009 tijdens de lunchpauze, ongeveer 12.15 uur, kwam [A] op de belastingadministratie. Op dat moment waren alleen [D] en [eiseres] aanwezig op de administratie. [A] vroeg aan [eiseres] of een uitspraak van [B] nog mee kon op de uitspraakrol voor aanstaande dinsdag. [eiseres] legde haar uit dat de regel is dat donderdag voor 10.00 uur de uitspraak moet worden aangeleverd.”

In de brief van eiseres van 3 december 2009 – voor zo ver relevant - staa[A] zou bij mij zijn gekomen met het verzoek om een uitspraak van [B] op de rol van de uitspraakzitting van 6 oktober 2009 te plaatsen. Dit is niet juist. Zij heeft mij enkel een algemene vraag gesteld, namelijk of een zaak nog op die rol geplaatst kon worden;

Ik zou dat hebben geweigerd. Dit is niet juist nu ik enkel heb verwezen naar de richtlijnen die voorschrijven dat dit verzoek op de rol van donderdag zou komen.

[B] zou bij mij zijn gekomen met hetzelfde verzoek. Ook hiervoor geldt: er is geen verzoek gedaan! [B] erkent uitdrukkelijk dat hij geen dienstbevel heeft gegeven.

Ik zou tot twee keer toe hebben geweigerd. Dit is een onjuiste interpretatie van de verklaring van [B], zijn verklaring zegt dit immers niet. Er is geen dienstbevel geweest, dus ook geen weigering. Er is enkel sprake geweest van verwijzing naar de algemene richtlijnen. Tot slot was het geen persoonlijke beslissing, maar een beslissing van het team.

[C] zou mij hebben verzocht de uitspraak op de rol te zetten en de uitspraak te verzenden. Uit de uitspraak van [C] blijkt heel duidelijk dat hij mij dit niet persoonlijk heeft gevraagd, maar aan de groep.

Ik zou hebben geweigerd. Van een weigering is geen sprake. Niet alleen ik geen uitvoering gegeven aan dat algemeen verzoek, maar niemand van de groep heeft gereageerd.”

In het verslag van 26 oktober 2009 van het gesprek met [C] – voor zo ver relevant - staat:

“[C] is met het dossier naar de administratie gelopen en heeft [eiseres] aangesproken. Hij verzocht [eiseres] om de uitspraak op de rol te zetten, ondanks dat deze te laat was aangeleverd. [eiseres] weigerde dit en de hele administratie raakte betrokken in de discussie. Zij vonden het onwenselijk dat zaken te laat worden aangeleverd. Ze zeiden dat [B] vaker zaken te laat aanlevert en dat de manier waarop [B] het had gevraagd hen niet aanstond.

[C] krijgt geen andere argumenten van de groep dan dat het niet volgens afspraak is. [eiseres] stelde voorop dat in dit geval een verdagingsbrief moest worden opgesteld. [C] heeft aangegeven dat hij dat geen optie vond. Ten eerste is dat een beslissing die het juridische team neemt en verder is het administratieve verspilling aangezien het meer werk is de verdagingsbrief op te stellen dan de zak op de rol te zetten. [C] heeft nogmaals benoemd dat hij vindt dat de zaak nog op de rol moet worden gezet. Wederom weigerde [eiseres] en niemand van de groep reageerde op het verzoek van [C].

(…)

Uiteindelijk heeft [C] besloten dat hij het zelf ging doen. Hij heeft op zijn eigen werkplek de zaak ingevoerd. Binnen 5 minuten was [C] weer terug op de administratie. Daar vroeg hij vervolgens aan [eiseres] om de verzending te verzorgen. [eiseres] gaf aan dat het nog steeds om de zaak van [B] ging en dat zij het dus niet ging doen.”

2.7 De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van [A], [B] en [C] onmiskenbaar blijkt dat zij op 1 oktober 2009 eiseres hebben verzocht een uitspraak van [A] en [B] te plaatsen op de uitspraakzitting van 6 oktober 2009 en dat eiseres dat heeft geweigerd. Uit de brief van eiseres van 3 december 2009 blijkt ook dat eiseres zelf verklaart dat zij diegene is die op 1 oktober 2009 is aangesproken. Zij heeft immers geantwoord op de verzoeken van [A], [B] en [C]. Het is vervolgens eiseres geweest die, zowel toen [B] bij haar kwam, als ook toen [C] het verzoek tot haar richtte, andere collega’s er bij heeft betrokken. Zelfs toen [C] de uitspraak zelf had verwerkt en eiseres vroeg te helpen met de verzending ervan heeft zij dat geweigerd. De rechtbank volgt eiseres daarom niet dat aan eiseres geen concrete opdracht zou zijn gegeven, dan wel een concreet verzoek gedaan zou zijn.

2.8 Nu eiseres geen herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan het hiervoor genoemde verzoek de uitspraak op de rol van de zitting van 6 oktober 2009 te plaatsen en te verzenden, waaronder een herhaaldelijk verzoek van haar eigen leidinggevende, heeft eiseres nagelaten iets te doen hetwelk zij als goed ambtenaar in gelijke omstandigheden had behoren te doen. De stelling van eiseres dat het ging om een zaak die niet bij haar hoorde, maar bij een collega, is, zo blijkt uit alle verklaringen geen onderwerp geweest van de weigering. Eiseres heeft zich steeds beroepen op strikte naleving van de interne afspraken over tijdige aanlevering van uitspraken voor de uitsprakenrol. Wat daar ook van zij, eiseres had de verzoeken, waaronder het herhaaldelijke verzoek van haar leidinggevende niet naast zich neer mogen leggen. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat er sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim door eiseres. De beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

2.9 De opmerking van de adviescommissie bezwaarschriften, dat niet in geschil is dat aan eiseres is verzocht een dossier op de rol te plaatsen is niet juist. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden, nu uit de verdere weergave van het advies van deze commissie blijkt dat deze wel degelijk goede nota heeft genomen van de stelling van eiseres dat er sprake was van een algemene vraag en geen concreet verzoek.

2.10 Gelet op het voorgaande had verweerder de bevoegdheid om een straf op te leggen als bedoeld in artikel 81, eerste lid, ARAR.

2.11 Eiseres heeft voorts aangevoerd dat, zo er al sprake kan zijn van plichtsverzuim, de opgelegde straf onevenredig zwaar is. Eiseres heeft sinds haar indiensttreding, in 2002, prima gefunctioneerd. Niet eerder heeft er plichtsverzuim plaatsgevonden. Ook is eiseres niet gewaarschuwd en had zij geen rekening hoeven te houden met een straf. De oplegging van de straf kan ook voor eiseres negatieve gevolgen hebben in haar toekomstige loopbaan.

2.12 Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt dat een schriftelijke berisping de lichtste straf is die opgelegd kan worden op grond van artikel 81, eerste lid, ARAR. De straf dat voor één jaar geen periodieke loonsverhoging toegekend zal worden, zal niet uitgevoerd worden indien eiseres zich gedurende twee jaar niet opnieuw schuldig maakt aan plichtsverzuim. Eiseres zal daarom, indien zij zich niet opnieuw aan plichtsverzuim schuldig maakt, geen financiële gevolgen ondervinden van de straf. De opgelegde straf kan dan ook niet voor onevenredig worden gehouden in verhouding tot het plichtsverzuim waaraan eiseres zich schuldig heeft gemaakt.

2.13 Hetgeen in beroep is aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Es – de Vries, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2011.

De griffier: De rechter:

mr. G.K. Heger mr. J.R. Es – de Vries