Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5276

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
304882 HARK 11-162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer: 304882 HARK 11-162

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

17 mei 2011

in de zaak van

[A] B.V.,

gevestigd te IJsselstein,

voor welke als gevolmachtigde optreedt de heer [D],

verder te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. G. van de Nesse

tegen

[B],

rechter in de sector Civiel van de rechtbank Utrecht

verder te noemen: [B].

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 11 april 2011, ingekomen bij de rechtbank op 12 april 2011, heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend, gericht tegen [B]. In deze brief heeft verzoeker zijn wrakingsgronden aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

1.2. [B] heeft niet in de wraking berust. Hij heeft op 13 april 2011 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.3. Partijen zijn bij brief van 13 april 2011 door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 10 mei 2011.

1.4. De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 10 mei 2011. Verzoeker en mr. Van de Nesse waren ter zitting aanwezig. Ter zitting heeft mr. Van de Nesse een nadere toelichting gegeven op het verzoek tot wraking. Tevens was mr. C. van Scherpenzeel, waarnemend voor mr. J.L.A. de Waard, gemachtigde van de eisende partij in de onderliggende hoofdprocedure [C], aanwezig. [B] heeft laten weten verhinderd te zijn om de zitting bij te wonen.

2. De feiten

In de hoofdprocedure onder zaaknummer 720399 UC EXPL 10-18204 MAR4186 heeft op

28 maart 2011 een comparitie na antwoord plaatsgevonden. Hierbij waren [A] B.V. als gedaagde partij, alsmede mr. Van de Nesse, aanwezig. [B] heeft deze comparitie na antwoord gehouden.

3. Het verzoek

3.1. Het verzoek strekt ertoe om [B] in de hoofdprocedure te vervangen door een andere rechter.

3.2. Verzoeker heeft primair aan het verzoek ten grondslag gelegd dat er tijdens de op

28 maart 2011 gehouden terechtzitting sprake was van een dreigende houding van de eisende partij [C] tegenover de heer [D] en mr. Van de Nesse. Deze dreigende houding uitte zich doordat [C] zich breeduit zittend met allerlei verwijten rechtstreeks wendde tot de heer [D] en mr. Van de Nesse. [B] had [C] er in elk geval op moeten wijzen dat hij zich tot hem diende te wenden en niet tot de heer [D] en mr. Van de Nesse en dat hij geen vijandige en dreigende houding behoorde in te nemen. Door dit na te laten heeft [B] niet op de voor rechters gebruikelijke wijze de orde tijdens de terechtzitting bewaard. [B] heeft hiermee blijk gegeven partijdig te zijn dan wel heeft [B] in elk geval de schijn van partijdigheid gewekt, aldus mr. Van de Nesse.

4. Het standpunt van de rechter

[B] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd. Hij heeft er onder meer op gewezen dat het hem niet bijstaat dat de zitting van 28 maart 2011 zich heeft gekenmerkt door bijzondere incidenten. Van een bedreiging is geen sprake geweest en als dat wel het geval was geweest, zou [B] hebben ingegrepen. Naar de mening van [B] is de schijn van partijdigheid niet gewekt en moet het verzoek worden afgewezen.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1. Artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: RV) bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (artikel 37 RV).

5.2. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zich beroept hebben betrekking op het verloop van de terechtzitting van 28 maart 2011. Deze feiten en omstandigheden waren derhalve op de zitting van 28 maart 2011 aan verzoeker bekend. Verzoeker had het verzoek tot wraking direct op zitting kunnen doen of, als hij zich door het verloop van de zitting overvallen voelde, zo snel mogelijk daarna. Het verzoek tot wraking is echter eerst op

12 april 2011 ingediend. Dat is 15 dagen na de betreffende zitting. Daarmee kan niet meer gezegd worden dat het verzoek is ingediend, zodra de feiten aan verzoeker bekend zijn geworden. Om die reden kan verzoeker in dit wrakingsverzoek niet worden ontvangen.

5.3. De rechtbank overweegt nog ten overvloede dat zelfs al zou verzoeker in het wrakings-verzoek kunnen worden ontvangen het wrakingsverzoek zou worden afgewezen, reeds omdat het enkele feit dat een rechter ter terechtzitting niet of onvoldoende acht zou slaan op de orde van de zitting niet kan leiden tot het oordeel dat die rechter blijk geeft van partijdigheid dan wel dat die rechter daardoor de schijn van vooringenomenheid wekt. Als het verloop van de zitting daarvoor aanleiding geeft mag van de aanwezige professionele procesdeelnemers bovendien worden verwacht dat ze direct ter terechtzitting aangeven een probleem te hebben met de houding van de andere partij.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

6.2. draagt de griffier op deze beslissing toe te zenden aan [A] B.V. aan de gemachtigde mr. G. van de Nesse, aan [B], alsmede aan de president en de voorzitter van de sector Civiel van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. P. Bender, voorzitter, mr. R. in ‘t Veld en

mr. G. Perrick, leden van de wrakingskamer, in aanwezigheid van mr. K.F. van Dam, op

17 mei 2011.