Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5140

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
16-259745-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969. Verdachte heeft naar voren gebracht dat zij en haar echtgenoot behoren tot de stroming van het Pinkster-Holistisch Christendom. Beroep op vrijstelling van verplichting om kinderen op een school in te schrijven op grond van artikel 5, aanhef en sub b van de Leerplichtwet 1969 vanwege richtingsbezwaren, verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Parketnummer: 16-259745-10

Datum uitspraak: 17 mei 2011

Vonnis van de kantonrechter in bovengenoemde rechtbank op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op[1971] te [woonplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Bij het onderzoek ter terechtzitting van 3 mei 2011 is verdachte verschenen, bijgestaan door haar advocaat mr. G. van den Brink. De echtgenoot van verdachte, [naam], heeft tijdens de zitting als getuige een verklaring afgelegd. Verder waren aanwezig mevrouw

E. Wagensveld en de heer J. van de Hoef, leerplichtambtenaren van de gemeente [woonplaats].

De officier van justitie, mr. E.M. Mijnarends, heeft ter terechtzitting een geldboete van

€ 250,00 gevorderd.

De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat zij, in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 30 augustus 2010 te [woonplaats] meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [kind 1], geboren op [1999] en [kind 2], geboren op [2001], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongeren had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, als leerlingen van een school, waren ingeschreven.

en/of

zij, in of omstreeks de periode van 20 december 2009 tot en met 30 augustus 2010 te [woonplaats] meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [kind 3] geboren op [2003], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongeren had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.

Bewijsmiddelen/processtukken

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende dossierstukken:

- het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 30 augustus 2010, met bijlagen;

- een uitreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte d.d. 11 april 2011 waaruit blijkt dat de verdachte in dat register niet eerder als verdachte is geregistreerd;

- de brief met bijlagen van de advocaat van verdachte d.d. 29 april 2011;

- de pleitnota van de advocaat.

Het verweer

Door en namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het haar tenlastegelegde. Omdat [kind 3] nooit op een school ingeschreven heeft gestaan, is voor haar tijdig gebruikt gemaakt van de vrijstelling ex artikel 5 sub b van de Leerplichtwet 1969. Voor de andere kinderen wijst verdachte erop dat artikel 8 Leerplichtwet 1969 niet verenigbaar is met het EVRM en EU-handvest en dat dit artikel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Verdachte heeft overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen.

Beoordeling

Vaststaande feiten

- De oudste twee kinderen hebben tot 2 oktober 2006 onderwijs gevolgd op de protestants-christelijke basisschool Het Baken II te [woonplaats]. Op 2 oktober 2006 heeft verdachte de kinderen laten uitschrijven. Sindsdien geeft zij haar kinderen thuisonderwijs.

- De jongste dochter, [kind 3], heeft nooit ingeschreven gestaan op een school.

- Op 1 juli 2010 is verdachte met haar gezin verhuisd van [woonplaats] naar [woonplaats].

- Bij brief van 9 juni 2010 heeft de echtgenoot van verdachte met het oog op de verhuizing per 1 juli 2010 aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente [woonplaats] gemeld dat hij en zijn echtgenote voor hun kinderen aanspraak maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van de kinderen als leerling op een school. In de brief staat vermeld dat zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van hun woning gelegen scholen overwegende bedenkingen hebben.

- Bij brieven van 26 juli 2010 en 12 augustus 2010 van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats] zijn verdachte en haar echtgenoot uitgenodigd om hun bezwaren mondeling toe te lichten.

- Verdachte en haar echtgenoot hebben schriftelijk laten weten dat zij niet op deze uitnodigingen zouden ingaan.

- Op 30 augustus 2010 heeft leerplichtambtenaar J. van de Hoef proces-verbaal opgemaakt.

Vrijspraak

Verdachte woont sinds 1 juli 2010 in de gemeente [woonplaats]. Dit leidt ertoe dat zij zal worden vrijgesproken van hetgeen haar te laste is gelegd voor zover het de periode voor 1 juli 2010 betreft.

[kind 1] en [kind 2]

[kind 1] en [kind 2] hebben tot 2 oktober 2006 ingeschreven gestaan op een school. Ingevolge artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 is er geen beroep op vrijstelling wegens richtingbezwaren meer mogelijk als een kind eenmaal op een school is ingeschreven. Deze bepaling gaat ervan uit dat een eenmaal gemaakte schoolkeuze een definitieve keuze is. Indien de ouder later een andere levensovertuiging aanhangt, kan een kind wel bij een andere bij die levensovertuiging passende school worden ingeschreven, maar de mogelijkheid een vrijstelling van de verplichting tot inschrijving te verkrijgen indien een dergelijke school niet binnen een redelijke afstand van de woning beschikbaar is, is afgesneden.

Verdachte heeft met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011, waarin geoordeeld wordt dat artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 geen inbreuk maakt op de door artikel 9 van het EVRM en artikel 2 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde rechten, naar voren gebracht dat er zodanige verschillen tussen de zaak waarin de Hoge Raad uitspraak deed en deze zaak dat er aanleiding is om artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 buiten toepassing te laten.

De kantonrechter deelt deze visie niet. De Hoge Raad overweegt dat, gelet op de in Nederland bestaande vrijheid van ouders hun kinderen de school van hun keuze dan wel een zelf opgerichte school waar volgens hun godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen wordt lesgegeven, te doen bezoeken, en in aanmerking genomen voorts de vrijheid van ouders hun kinderen na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met hun opvattingen, maakt dat artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 geen inbreuk maakt op door het EVRM gewaarborgde rechten.

De Hoge Raad merkt verder op dat de omstandigheid dat ouders op grond van artikel 9 EVRM de vrijheid hebben om hun – al dan niet gewijzigde – godsdienst of levensbeschouwing in het onderwijs tot uitdrukking te brengen en dat de overheid volgens artikel 2 Eerste protocol EVRM het recht van ouders om zich van dat onderwijs dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging te verzekeren, dient te eerbiedingen, niet tot gevolg heeft dat ingeval zich binnen redelijke afstand van de woning niet een school bevindt waar onderwijs wordt gegeven dat overeenstemt met hun godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, zij zijn vrijgesteld van de in artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 bedoelde inschrijfplicht en dat zij gerechtigd zijn hun kind thuisonderwijs te geven.

Gelet op bovenstaande overwegingen van de Hoge Raad is de kantonrechter van oordeel dat voor [kind 1] en [kind 2] geen beroep op vrijstelling mogelijk is en dat de verweren die betrekking hebben op schending van het EVRM verder onbesproken kunnen blijven.

Verdachte doet in dit kader ook een beroep op schending van artikel 10 en artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze artikelen hebben echter geen rechtstreekse werking. Wat betreft het verzoek van verdachte om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie der Europese Unie te Luxemburg merkt de kantonrechter op dat dit juridisch niet mogelijk is.

Verdachte beroept zich ook nog op het verbod op discriminatie en het gelijkheidsbeginsel omdat artikel 8 van de Leerplichtwet 1969 een ongelijke behandeling inhoudt van personen die van overtuiging wijzigen en personen die dat niet doen. De kantonrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van discriminatie.

Tenslotte stelt verdachte dat artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 buiten toepassing moet blijven omdat verdachte met haar gezin is verhuisd. De kantonrechter overweegt dat een verhuizing aanleiding zou kunnen zijn om artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 buiten toepassing te laten. In dit geval is de afstand tussen de oude en de nieuwe woonplaats echter beperkt en gingen de kinderen ook in de oude woonplaats niet naar school. Daarbij komt dat verdachte wel heeft gesteld maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij enig onderzoek heeft gedaan naar scholen in de nieuwe woonomgeving zodat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat het feit dat de kinderen niet op een school staan ingeschreven te maken heeft met de verhuizing.

Nu artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 aan een beroep op vrijstelling voor [kind 1] en [kind 2] in de weg staat, komt de kantonrechter niet toe aan de vraag of er – kort gezegd – sprake is van een richtingsbezwaar.

[kind 3]

Aangezien [kind 3] nooit op een school ingeschreven heeft gestaan, komt voor haar wel de vraag aan de orde of verdachte is vrijgesteld van de verplichting om haar in te schrijven op een school omdat zij tegen de richting van de school overwegende bezwaren heeft.

Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van zulke bezwaren beoordeelt, maar het moet in dit verband wel om bedenkingen gaan die de richting van het onderwijs betreffen.

De kantonrechter verstaat onder “richting” een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing

Verdachte heeft naar voren gebracht dat zij en haar echtgenoot behoren tot de stroming van het Pinkster-Holistisch Christendom en dat zij zijn aangesloten bij de Evangelische gemeente in Ede.

Binnen het Pinkster-Holistisch Christendom is het belangrijk dat het geloof in Jezus Christus ook buiten de institutionele kaders van een kerkgenootschap en met name ook doordeweeks wordt beleden. Het geloof bestrijkt alle terreinen des levens en dat moet ook in de levenswandel duidelijk worden gemaakt. Een fundamenteel principe van het Pinkster-Holistisch Christendom is dat elk kind individueel wordt begeleid en dat er wordt ingezet op maximale ontplooiing van zijn talenten en capaciteiten.

Verdachte gelooft in een twee-enig God en zij gelooft in het opvoeden in de waarheid. Zij heeft bezwaar tegen het onderwijs op protestants-christelijke scholen omdat daar bijvoorbeeld wordt meegedaan aan het Sinterklaasfeest. Ook worden daar sprookjes als thema’s gebruikt waarbij kinderen zich verkleden als heksen en andere wezens. Verdachte is van mening dat dit soort occultisme bestreden moet worden omdat de Bijbel het zich bezighouden met bijgeloof en occultisme verbiedt. Vanuit haar geloofsovertuiging mogen de kinderen van verdachte niet worden blootgesteld aan dergelijk occultisme.

De kantonrechter overweegt dat verdachte en haar echtgenoot tijdig melding hebben gemaakt van het feit dat zij gebruik maken van de mogelijkheid tot vrijstelling op grond van artikel 5 sub b van de Leerplichtwet 1969. Zij hebben echter aan de leerplichtambtenaar geen inzicht willen geven in de afwegingen die aan hun melding ten grondslag liggen. Ook hebben zij niet verteld welke scholen zij bezocht hebben en op welke punten zij bezwaren hebben tegen deze scholen.

Desgevraagd heeft verdachte ter zitting ook geen antwoord willen of kunnen geven op de vraag naar welke scholen de kinderen gaan van ouders die net als verdachte zijn aangesloten bij de Evangelische gemeente te Ede. Evenmin is daarom duidelijk geworden of en zo ja welke overwegende bezwaren er zijn tegen die scholen.

Verdachte heeft zich erop beroepen dat een vrijstellingsgrond van rechtswege bestaat en dat deze niet verleend hoeft te worden.

De kantonrechter is van oordeel dat dit niet betekent dat verdachte niet aannemelijk hoeft te maken dat er tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen overwegende bezwaren bestaan. Het gewicht van de bezwaren staat weliswaar niet ter beoordeling aan de leerplichtambtenaar en de kantonrechter, maar wel dient beoordeeld te worden of er sprake is van een richtingsbezwaar.

Verdachte heeft uitleg gegeven over haar levensovertuiging, maar de kantonrechter acht deze uitleg onvoldoende om te kunnen oordelen dat deze levensovertuiging ertoe leidt dat er overwegende bezwaren bestaan tegen alle scholen die gelegen zijn binnen een redelijke afstand van de woning van verdachte. Volgens de kantonrechter kan van verdachte in redelijkheid worden gevraagd om haar bezwaren tegen de scholen in de woonomgeving concreet te omschrijven en is het onvoldoende om in algemene termen te stellen dat er bezwaren bestaan tegen alle scholen zonder dat duidelijk wordt om welke scholen het gaat.

De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat verdachte niet geacht kan worden wegens bedenkingen tegen de richting van het onderwijs te zijn vrijgesteld van de verplichtingen uit hoofde van de Leerplichtwet.

De bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat:

dat zij, in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 augustus 2010 te [woonplaats] meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [kind 1], geboren op [1999] en [kind 2], geboren op [2001], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongeren had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, als leerlingen van een school, waren ingeschreven.

en/of

zij, in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 augustus 2010 te [woonplaats] meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [kind 3] geboren op [2003], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongeren had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.

De kantonrechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

De vraag rijst of strafrechtelijke sanctionering van het handelen van de verdachte strijd oplevert met de artikelen 8 en 9 EVRM. Dat is niet het geval. Blijkens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hebben de verdragsstaten ter zake een zekere beleidsruimte.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 2 eerste lid van de Leerplichtwet 1969

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De officier van justitie heeft een geldboete van € 250,00 gevorderd.

De kantonrechter houdt bij het bepalen dan de aard en hoogte van de straf rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten overweegt de kantonrechter dat de Leerplichtwet 1969 het wettelijke kader biedt om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben.

Nu verdachte niet eerder is veroordeeld en de kinderen wel onderwijs hebben genoten door middel van thuisonderwijs, is de kantonrechter van oordeel dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969.

DE BESLISSING

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven vermeld onder de bewezenverklaring, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijf dagen.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat telkens de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting, kantonrechter, bijgestaan door M. van der Mark-van Eijndt, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van 17 mei 2011.