Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ4994

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
304176 / KG ZA 11-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executoriaal beslag onder gedaagde sub 2. op twee auto’s. Eiser stelt zich op het standpunt dat tussen eiser en gedaagde sub 2 een huurkoopovereenkomst tot stand is gekomen en hij eigenaar is van de auto’s. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat, indien in een bodemgeding over deze kwestie moet worden beslist, de uitkomst daarvan zal zijn dat eiser en gedaagde sub 2 ter zake van de beslagen voertuigen een huurkoopovereenkomst hebben gesloten. De voorzieningenrechter heft het beslag op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 304176 / KG ZA 11-316

Vonnis in kort geding van 18 mei 2011

in de zaak van

vennootschap onder firma

V.O.F. ZEEVISHANDEL [eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.L. van Opijnen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF [gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.P.J. Botterblom,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] v.o.f., [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 22 april 2011

- de pleitnota van [gedaagde sub 1]

- de eis in reconventie

- de aanhouding ten behoeve van het dagvaarden van [gedaagde sub 2] door [eiseres] v.o.f.

- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 2 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In een factuur van 11 januari 2010 van [eiseres] v.o.f. is een bedrag van

€ 16.134,45 (exclusief btw) aan [gedaagde sub 2] in rekening gebracht voor een Renault Midlum met kenteken [kenteken Renault Midlum] (verder: de Renault Midlum) en een verkoopwagen KOWA met kenteken [Kowa] (hierna: de Kowa). Daarin staat onder andere: “Aan u geleverd en akkoord bevonden” en “Betaling geschiedt in 24 maandelijkse termijnen van € 800,- (inclusief BTW) (…)”.

2.2. Op 11 januari 2010 zijn de kentekens van de Renault Midlum en de Kowa op naam gesteld van [gedaagde sub 2] en vanaf die datum zijn deze voertuigen door [gedaagde sub 2] verzekerd.

2.3. [eiseres] v.o.f. en [gedaagde sub 2] hebben een stuk ondertekend waarop staat “Huurkoopovereenkomst” en waarin staat “Aldus overeengekomen te [woonplaats], op 20 januari 2010”. Deze overeenkomst heeft betrekking op de Renault Midlum en de Kowa die door [eiseres] v.o.f. aan [gedaagde sub 1] in huurkoop zijn verkocht. Op grond van artikel 1 van deze overeenkomst gaat de eigendom van deze voertuigen van de verkoper over op de koper onder de opschortende voorwaarde van de betaling van al hetgeen koper op grond van de overeenkomst aan verkoper verschuldigd is. Volgens artikel 2 is de koopprijs € 16.134,45 (exclusief 19% btw) en op grond van artikel 3 zal dit bedrag door koper worden voldaan in 24 maandelijkse termijnen van € 800,-. Verder is in laatstgenoemd artikel bepaald dat de eigendom overgaat zodra de laatste termijn is betaald. Ook is in het stuk vermeld dat [gedaagde sub 2] zorg dient te dragen voor de verzekering van de beide voertuigen.

2.4. Bij verstekvonnis van de rechtbank Utrecht van 3 november 2010 is [gedaagde sub 2] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde sub 1] van € 14.444,11 (te vermeerderen met rente en kosten).

2.5. Op 6 januari 2011 is door [gedaagde sub 1] op grond van het vonnis van 3 november 2010 onder [gedaagde sub 2] executoriaal beslag gelegd op verschillende auto’s, waaronder de Kowa en de Renault Midlum. De openbare verkoop is aangezegd tegen 14 februari 2011.

2.6. Op 22 februari 2011 waren deze voertuigen in het bezit van [eiseres] v.o.f. en zijn de kentekens daarvan op naam gesteld van [vennoot eiser] (vennoot van [eiseres] v.o.f.).

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiseres] v.o.f. vordert samengevat - (de voorzieningenrechter begrijpt) opheffing van het executoriale beslag op de Renault Midlum en de Kowa, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000,-, met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de kosten van het geding (waaronder de nakosten).

3.2. [eiseres] v.o.f. legt zakelijk weergegeven aan haar vordering ten grondslag dat zij op grond van de – begin januari 2010 mondeling gesloten – huurkoopovereenkomst, welke op 20 januari 2010 schriftelijk is vastgelegd, met [gedaagde sub 2] eigenaar is gebleven van de voertuigen. Daarom is het door [gedaagde sub 1] op deze voertuigen gelegde executoriale beslag voor een vordering op [gedaagde sub 2] onrechtmatig.

3.3. [gedaagde sub 1] voert hiertegen verweer en betwist onder andere dat [eiseres] v.o.f. en [gedaagde sub 2] een huurkoopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de bedoelde voertuigen. Het betreft koop op afbetaling, zodat [gedaagde sub 2] daarvan eigenaar is geworden. [eiseres] v.o.f. heeft zich derhalve de voertuigen onrechtmatig toegeëigend.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde sub 1] vordert op grond van zijn verweer in conventie samengevat - veroordeling van [eiseres] v.o.f. om binnen 48 uur de Kowa en de Renault Midlum af te geven aan de deurwaarder, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan met veroordeling van [eiseres] v.o.f. in de proceskosten.

4.2. [eiseres] v.o.f. voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Het geschil betreft zowel in conventie als in reconventie in de kern genomen de vraag of [eiseres] v.o.f. en [gedaagde sub 2] een huurkoopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de Renault Midlum en de Kowa, waarop [gedaagde sub 1] vanwege haar vordering op [gedaagde sub 2] executoriaal beslag heeft gelegd. De vorderingen in conventie en in reconventie zullen daarom gezamenlijk behandeld worden.

5.2. [gedaagde sub 1] heeft als verweer aangevoerd dat de overeenkomst tussen [eiseres] v.o.f. en [gedaagde sub 2] is aan te merken als koop op afbetaling en dat de huurkoopovereenkomst van 20 januari 2010 een schijnovereenkomst is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [gedaagde sub 1] onder andere aangevoerd dat de auto’s al op 11 januari 2010 aan [gedaagde sub 2] waren geleverd en op zijn naam waren gezet. Dit is strijdig met de tekst van de later gesloten huurkoopovereenkomst, die ervan uitgaat dat de bedrijfsauto’s nog moeten worden geleverd en nog moeten worden verzekerd.

5.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat, indien in een bodemgeding over deze kwestie moet worden beslist, de uitkomst daarvan zal zijn dat [eiseres] v.o.f. en [gedaagde sub 2] ter zake van de beslagen voertuigen een huurkoopovereenkomst hebben gesloten. Er bestaat daarom grond om in dit geding op dat oordeel vooruit te lopen. Daarvoor is redengevend dat de lezing van [eiseres] v.o.f. en [gedaagde sub 2] wordt bevestigd door de toelichting zoals bij de mondelinge behandeling van 22 april 2011 gegeven door mevrouw [A], werkzaam bij [admiiekantoor] B.V., de administrateur van [eiseres] v.o.f., en de toelichting van de heer [directeur administratiekantoor], directeur van voornoemd administratiekantoor, bij de mondelinge behandeling van 2 mei 2011. Mevrouw [A] heeft gezegd dat zij in januari 2010 de betreffende huurkoopovereenkomst heeft opgesteld aan de hand van een oorspronkelijke tekst van de NOAB en dat zij bij de ondertekening daarvan aanwezig was. De heer [directeur administratiekantoor] heeft voorts toegelicht dat hij wist van de totstandkoming van de overeenkomst en dat hij daarover overleg heeft gevoerd. [gedaagde sub 1] heeft niets concreets tegen de juistheid van de uiteenzettingen van mevrouw [A] en de heer [directeur administratiekantoor] ingebracht. Daar komt bij dat beiden buitenstaanders zijn en als zodanig in beginsel onafhankelijk. Verder is van belang dat [gedaagde sub 2] voor het tijdsverloop van negen dagen tussen de tenaamstelling van de auto’s en de ondertekening een aannemelijke verklaring heeft gegeven, namelijk dat de tekst van de overeenkomst nog moest worden aangepast vanwege een bepaling daarin over de aansprakelijkheid van zijn vrouw voor de schuld ingeval van zijn overlijden.

5.4. Verder heeft [gedaagde sub 1] zich beroepen op de tekst van de factuur van 11 januari 2010 (zie hiervoor onder 2.1). Hiermee gaat [gedaagde sub 1] er echter aan voorbij dat in de huurkoopovereenkomst zelf (artikel 1 en 3) is bepaald dat de eigendom eerst over gaat na betaling van alle 24 termijnen. De tekst van de factuur past ook in het licht van die bepalingen en betekent derhalve op zich zelf niet dat koop op afbetaling is overeengekomen.

5.5. Dat [eiseres] v.o.f. de auto’s heeft teruggenomen nadat de openbare aankondiging van de openbare verkoop op 14 februari 2011 had plaatsgevonden, terwijl [gedaagde sub 2] in haar visie reeds in augustus 2010 een betalingsachterstand had van ruim vier maanden, zoals [gedaagde sub 1] tevens heeft betoogd, is tot slot niet van belang voor de totstandkoming van een huurkoopovereenkomst.

5.6. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] ook aangevoerd dat ingeval van huurkoop slechts een verplichting tot teruggave door [gedaagde sub 2] aan [eiseres] v.o.f. van de in huurkoop gehouden goederen bestaat na ingebrekestelling en een rechterlijk bevel. Volgens artikel 7A:1576q BW is inderdaad een ingebrekestelling vereist voor ontbinding van de overeenkomst en teruggave van de in huurkoop afgegeven zaken. Dit staat echter los van de vraag wie als eigenaar van de voertuigen kan worden aangemerkt. Volgens de huurkoopovereenkomst gaat de eigendom immers eerst over nadat de 24ste termijn door [gedaagde sub 2] is betaald. Voorts geldt op grond van artikel 7A:1576r BW dat de kantonrechter bij voorlopige voorziening teruggave kan bevelen. Nog daargelaten dat een bevel van de kantonrechter niet nodig is ingeval van vrijwillige teruggave van de zaken, is dit evenmin van betekenis voor de vraag wie eigenaar is. Ook deze door [gedaagde sub 1] aangevoerde argumenten treffen derhalve geen doel.

5.7. Nu voorts niet in geschil is dat [gedaagde sub 2] niet de afgesproken 24 maandelijkse termijnen heeft betaald, is de eigendom van de voertuigen volgens de huurkoopovereenkomst niet op [gedaagde sub 2] overgegaan en is [eiseres] v.o.f. derhalve eigenaar gebleven van de Renault Midlum en de Kowa. Dit brengt met zich dat in het midden kan blijven hoeveel termijnen door [gedaagde sub 2] zijn voldaan en of hij in gebreke is gesteld. De conclusie is dat de voorzieningenrechter het beslag op de Renault Midlum en de Kowa zal opheffen.

5.8. [gedaagde sub 1] heeft voor dat geval om zekerheidsstelling door [eiseres] v.o.f. verzocht.

Nog daargelaten dat [gedaagde sub 1] niet heeft geconcretiseerd op welke wijze deze zekerheid door [eiseres] v.o.f. gesteld zou moeten worden en voorts dat zij dit niet als onderdeel van haar eis in reconventie heeft gevorderd, gaat [gedaagde sub 1] er met dit verzoek aan voorbij dat de in artikel 438 lid 2 Rv genoemde zekerheidstelling een factor is die (anders dan bij conservatoir beslag) mee kán brengen dat de voorzieningenrechter het beslag opheft. Met andere woorden, indien voldoende zekerheid wordt gesteld, kan de voorzieningenrechter het beslag opheffen. Het artikel geeft niet de bevoegdheid aan de voorzieningenrechter om ingeval van opheffing van het beslag een partij te gebieden zekerheid te stellen. Bovendien gaat het bij dit beslag om een vordering van [gedaagde sub 1] niet op [eiseres] v.o.f., maar op [gedaagde sub 2]. Voor het stellen van zekerheid door [eiseres] v.o.f. voor die vordering bestaat derhalve geen rechtsgrond.

5.9. Aangezien de voorzieningenrechter het beslag zelf zal opheffen, zoals is gevorderd door [eiseres] v.o.f., bestaat geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.

5.10. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.

5.11. [gedaagde sub 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [eiseres] v.o.f. geen betekende dagvaarding van [gedaagde sub 1] heeft overgelegd en derhalve niet gebleken is dat zij daarvoor kosten heeft gemaakt, of hoe hoog die kosten zijn, zal de voorzieningenrechter geen vergoeding toekennen voor die dagvaarding. De kosten aan de zijde van [eiseres] v.o.f. worden in conventie aldus begroot op:

- dagvaarding [gedaagde sub 2] € 76,31

- vast recht € 258,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.150,31

5.12. De kosten aan de zijde van [eiseres] v.o.f. in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

5.13. De nakosten, waarvan [eiseres] v.o.f. betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5.14. [gedaagde sub 1] zal tevens worden veroordeeld in de kosten [gedaagde sub 2], te begroten op:

- vast recht € 258,00

Totaal € 258,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. heft op het door [gedaagde sub 1] op de Renault Midlum met kenteken [kenteken Renault Midlum] en op de verkoopwagen KOWA met kenteken [Kowa] gelegde beslag,

6.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] v.o.f. tot op heden begroot op € 1.150,31 en aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op

€ 258,00,

6.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.6. wijst de vorderingen af,

6.7. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] v.o.f. tot op heden begroot op € 408,00,

6.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2011.?