Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ4811

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-05-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
16-600042-11 en 16-610880-08 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling/ bedreiging vader en vernieling goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600042-11 en 16/610880-08 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres]

[woonplaats]

raadsvrouw mr. E.B. Hilwig, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 april 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. (primair) op 11 januari 2011 heeft geprobeerd zijn vader zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling;

2. op 11 januari 2011 goederen heeft vernield;

3. op 7 januari 2011 zijn vader heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van de ouders van verdachte en voor wat betreft de feiten 2 en 3 eveneens op de (deels) bekennende verklaring van verdachte. Zij verzoekt verdachte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde vrij te spreken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het eerste en derde ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat verdachte deze feiten heeft ontkend en de door de ouders van verdachte afgelegde verklaringen op cruciale punten uiteen lopen. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld wat er daadwerkelijk is gebeurd. Het tweede ten laste gelegde feit heeft verdachte bekend, met uitzondering van het vernielen van de aluminium douchestrip en het vernielen van de deur van een kledingkast. Van deze twee onderdelen van de tenlastelegging dient verdachte, aldus de verdediging, te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangever [slachtoffer], de vader van verdachte, heeft verklaard dat hij op 11 januari 2011 in zijn woning te Amersfoort zag en voelde dat [verdachte] met zijn borst tegen zijn borst begon te duwen. Toen aangever bij de bank stond, voelde hij dat hij bij zijn keel werd gegrepen. Hij verloor zijn evenwicht en kwam al zittend op de zijleuning van de bank terecht. Hij keek omhoog en zag dat [verdachte] hem met zijn rechterhand bij zijn keel vasthad. Hij voelde dat [verdachte] met zijn vingers zijn keel dicht begon te knijpen. Hij merkte dat hij geen lucht meer kreeg.

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige], de moeder van verdachte. Zij verklaart dat zij zag dat [verdachte] haar man bij zijn keel greep. Zij zag dat haar man over de leuning van de bank gleed en dat [verdachte] haar man - toen hij op de bank lag - met zijn rechterhand vasthad. Ze zag een blik van angst in de ogen van haar man.

Verdachte heeft bekend dat hij op 11 januari 2011 met zijn hand het borstbeen van zijn vader heeft geraakt waardoor zijn vader op de leuning van de bank is gevallen.

Verdachte heeft ontkend dat hij zijn vader bij de keel heeft gegrepen. De rechtbank acht deze verklaring, mede in het licht van de verklaringen van de ouders van verdachte niet geloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat door de ouders van verdachte bij de politie en bij de rechter-commissaris consistente verklaringen zijn afgelegd. Dat deze verklaringen op sommige punten van elkaar verschillen doet aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen niet af, nu deze verklaringen op de essentiële punten met elkaar overeenkomen.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder twee ten laste gelegde feit heeft begaan en grondt haar oordeel op het volgende.

Op 11 januari 2011 heeft [slachtoffer], de vader van verdachte, aangifte gedaan van vernieling door verdachte van een aantal goederen in zijn woning te Amersfoort. Aangever heeft verklaard dat verdachte een douchekop, een doucheslang, een wasmand, een aluminium strip van de douchewand, een kledingkast en een vaas heeft vernield.

Verdachte heeft bekend dat hij op 11 januari 2011 een douchekop, een doucheslang, een kledingkast, een wasmand en een vaas heeft vernield. Ter zitting heeft hij verklaard dat het goed mogelijk is dat de aluminium strip van de douchewand kapot is gegaan toen hij de doucheslang losrukte.

Ten aanzien van feit 3

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 7 januari 2011 in zijn woning te Amers-foort samen met zijn vrouw en zijn zoon aan tafel zat. Op een gegeven moment pakte [verdachte] het mes waarmee hij aan het eten was, deed dit met zijn rechterhand omhoog en hield dit mes in de richting van aangever. Aangever hoorde hem vervolgens zeggen: “kutvader, zal ik je even steken”. Aangever schrok hiervan en schoof zijn stoel naar achter.

Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de moeder van verdachte. Zij verklaart dat zij zag dat [verdachte] op 7 januari 2011 een mes dicht bij de keel van haar man heeft gehouden.

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het eten op 7 januari 2011 boos werd op zijn ouders en dat hij toen met het mes, waarmee hij aan het eten was, een beweging heeft gemaakt vanuit zijn pols. Dit was een beweging alsof hij het mes weg wilde gooien. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zijn vader heeft uitgescholden voor kutvader.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank volgt de verklaring van de ouders van verdachte, die bij de politie en bij de rechter-commissaris consistente verklaringen hebben afgelegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 11 januari 2011 te Amersfoort opzettelijk mishandelend zijn vader, te weten [slachtoffer], in diens keel heeft geknepen en tegen diens borst heeft geduwd, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

op 11 januari 2011 te Amersfoort telkens opzettelijk en wederrechtelijk een doucheslang en een douchekop en een wasmand en een aluminium strip van een douchewand en een deur van een kledingkast en een vaas, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield door toen aldaar telkens opzettelijk en wederrechtelijk met (grote) kracht die

doucheslang en die douchekop stuk te gooien en/of te trekken, en tegen die wasmand en aluminium strip en vaas te schoppen en/of duwen en/of slaan;

3.

op 07 januari 2011 te Amersfoort, [slachtoffer], zijnde verdachtes vader, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen en daar

opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer] van nabij een mes voorgehouden en daarbij voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Kutvader, zal ik je even steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. subsidiair: mishandeling;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd;

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Toerekeningsvatbaarheid van verdachte

Verdachte is, in opdracht van de rechter-commissaris, onderzocht door psychiater C.J.F. Kemperman, ter beantwoording van vragen over de persoonlijkheid, de geestvermogens van verdachte, de toerekeningsvatbaarheid en de aan te bevelen straf en/of maatregel.

In het door deze psychiater op 15 februari 2011 uitgebrachte rapport wordt geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn

geestvermogens, er is sprake van afhankelijkheid van cannabis, PDD-NOS en ADHD, een periodieke explosieve stoornis en enige psychotische vertekening van de realiteit. Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Geadviseerd wordt verdachte op grond hiervan als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde.

De rechtbank maakt bovengenoemde conclusie van de deskundige tot de hare. De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 130 dagen waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van een agressieregulatietraining of een leeftstijltraining.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, in geval van een veroordeling, aan verdachte een taakstraf dient te worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van zijn vader. Hiermee heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van zijn vader, hetgeen des te ernstiger is nu een en ander gebeurde in de woning waar verdachte samen met zijn ouders woonde. De plaats dus waar zijn vader zich bij uitstek veilig behoort te kunnen voelen. Daarnaast heeft verdachte een groot aantal goederen in de woning waar hij met zijn ouders woonde vernield. Dit hele gebeuren heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij aangever.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vernieling;

- een hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 23 maart 2011, opgesteld door D. Djorai, reclasseringswerker;

- voornoemd rapport van 15 februari 2011 van C.J.F. Kemperman.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Tevens dient verdachte zich gedurende de proeftijd te houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een agressieregulatietraining of een leeftstijltraining. De rechtbank acht gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 253,- voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente ontstaan vanaf het moment van de schade.

De officier van justitie is van mening dat deze vordering tot een bedrag van € 154,50 kan worden toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft er hierbij op gewezen dat de kast, waarvoor vergoeding is gevorderd, slechts voor de helft toebehoort aan [slachtoffer].

De verdediging is van mening dat de vordering dient te worden afgewezen, nu deze niet is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 154,50 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de kast waarvoor de benadeelde partij [slachtoffer] vergoeding heeft gevraagd, slechts voor de helft toebehoort aan de benadeelde partij.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 154,50 toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vordering ten uitvoer legging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 40 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 12 juni 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 57, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. subsidiair: mishandeling;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd;

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland/Centrum Maliebaan, ook als dit inhoudt het volgen van een agressieregulatietraining of een leeftstijltraining.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- heft het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis op.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 154,50 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 154,50 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 12 juni 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/610880-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mr. A. Wassing en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 mei 2011.

Mr. I.P.H.M. Severeijns en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.