Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ4172

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
293461 - FA RK 10-5640
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek nihilstelling kinderalimentatie wegens inmiddels arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verlies aan inkomen zelf te weeg gebracht, niet zodanig verwijt dat inkomensverlies buiten beschouwing wordt gelaten. Rechtbank houdt rekening met inkomensverlies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector Familie & Toezicht

rekestnummer: 293461 / FA RK 10-5640

wijziging kinderalimentatie

Beschikking van 4 mei 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. Haverkort te Utrecht,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. B. Valeton te Nieuwegein.

1. Verloop van de procedure

De man heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn van de zijde van zowel de man als de vrouw nader stukken ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 25 maart 2011 waarbij verschenen zijn beide partijen met hun advocaat.

Ter zitting zijn de man en de vrouw verwezen naar mediation in verband met de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige [minderjarige]. Over deze verdeling hebben partijen problemen, welke zij niet aan de rechtbank hebben voorgelegd.

2. Vaststaande feiten

2.1. De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van 4 maart 2009. Deze beschikking is op 17 april 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te [woonplaats].

Het minderjarige kind van de man en de vrouw is:

[minderjarige], geboren op [2008] te [woonplaats].

De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

2.2. Op grond van het echtscheidingsconvenant dat aan voornoemde beschikking van 4 maart 2009 is gehecht, dient de man vanaf het moment dat de voormalige echtelijke woning was verkocht en geleverd, € 220,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Op grond van de wettelijke indexering is het bedrag inmiddels € 225,06 per maand. De voormalige echtelijke woning is in april 2009 verkocht.

3. Beoordeling van het verzochte

De man heeft gevraagd de kinderalimentatie per 17 augustus 2010 op nihil te stellen op grond van gewijzigde omstandigheden. Het overige dat de man in het verzoekschrift heeft verzocht, is ter zitting ingetrokken. De wijziging van omstandigheden houdt in dat de man arbeidsongeschikt is geworden. Vanaf 13 november 2009 ontvangt hij een uitkering op grond van de Ziektewet. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man onder meer een draagkrachtberekening overgelegd.

De vrouw heeft zich daartegen verweerd. Zij heeft een bijdrage voor [minderjarige] dringend nodig. Aangevoerd is dat het inkomensverlies buiten beschouwing dient te blijven aangezien het de man te verwijten valt dat hij zijn baan is kwijt geraakt. Bovendien heeft de man verdiencapaciteit en bestaat de mogelijkheid zeker gelet op zijn jonge leeftijd, tot herstel van inkomen. De man dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn verzoek.

De vrouw betwist voorts dat de man kostgeld dient te betalen nu hij bij zijn moeder inwoont.

De rechtbank is van oordeel dat de door de man naar voren gebrachte omstandigheden zijn aan te merken als relevante wijzigingen van de omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of de gewijzigde omstandigheden meebrengen dat de beschikking van 4 maart 2009 voor wat betreft de kinderalimentatie voor [minderjarige] niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft ter zitting toegelicht dat zijn dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd per 31 augustus 2009. Voor de man heeft daarbij meegespeeld dat hij al geruime tijd niet in staat was te werken. Hij had gedacht na korte tijd weer aan de slag te kunnen gaan. Dat is volgens de man niet gelukt mede vanwege zijn psychische gesteldheid die werd beïnvloed door de scheiding en het feit dat de contacten tussen de man en [minderjarige] niet lopen. De man heeft nog voor een uitzendbureau gewerkt maar vanaf november 2009 ontvangt hij een uitkering op grond van de Ziektewet. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de man het inkomensverlies zelf te weeg heeft gebracht.

Vervolgens ligt de vraag voor of het inkomensverlies, nu de man in de Ziektewet zit, voor herstel vatbaar geacht moet worden. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de man een re-integratietraject volgt bij Agens. Mede uit een rapportage van 30 november 2010 maakt de rechtbank op dat de begeleiding van de man zich concentreert op het scheppen van randvoorwaarden zoals een sollicitatietraining en aandacht voor het verwerken van de scheiding. Van concrete sollicitaties is (nog) geen sprake. Ten tijde van de zitting was in die situatie geen verandering gekomen. De rechtbank concludeert dat de man weliswaar, mede gezien zijn leeftijd, op termijn in staat moet worden geacht om zijn oorspronkelijke inkomen te genereren, maar dat het verlies aan inkomen binnen afzienbare tijd, niet voor herstel vatbaar is.

De rechtbank overweegt vervolgens dat de man bij het verlies aan inkomen niet een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat het inkomensverlies buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat gelet op de zich in het dossier bevindende medische rapportages kan worden aangenomen dat de man bij het beëindigen van zijn dienstverband psychische klachten had die van invloed kunnen zijn geweest op zijn beoordelingsvermogen. Dat brengt met zich dat de rechtbank bij de draagkracht van de man rekening zal houden met het inkomensverlies.

Een rechtens relevante behoefte aan een bijdrage ten behoeve van [minderjarige] is in de eerdere beschikking komen vast te staan en niet betwist.

Ten aanzien van financiële gegevens van de vrouw (geboren op [1989]) is het volgende gebleken:

- Blijkens de uitkeringsspecificatie bedraagt het netto inkomen € 551,05 per maand.

- Aan vakantietoeslag wordt gereserveerd € 45,65 per maand.

- Het kindgebondenbudget bedraagt € 84,- per maand.

- De premie voor de ziektekostenverzekering is € 46,32 per maand.

Ten aanzien van de financiële gegevens van de man (geboren op [1985]) is het volgende gebleken:

- Blijkens de uitkeringsspecificatie bedraagt het inkomen € 213,10 netto per week, exclusief vakantietoeslag. Dat is € 923,- per maand netto exclusief vakantietoeslag.

- De man woont in bij zijn moeder.

- De premie voor de ziektekostenverzekering is € 149,- per maand.

- Aan kostgeld betaalt de man € 200,- per maand.

- De kosten voor de omgangsregeling zijn € 20,- per maand..

Bij het onderzoek naar de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan van de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden. Daaruit leidt de rechtbank af dat de man geen draagkracht heeft om een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging van opvoeding van [minderjarige]. Evenwel is de man bereid om concrete uitgaven voor zijn rekening te nemen zoals de contributie voor jazzballet, een balletpakje, schoentjes, en de maandelijkse kosten voor de crèche. De vrouw heeft ter zitting inzichtelijk gemaakt dat deze kosten € 40,- per maand bedragen. De vrouw gaat er mee akkoord dat de bijdrage van de man voor deze kosten aangewend wordt. Deze afspraak tussen de man en de vrouw leent zich niet voor opname in het dictum maar is evengoed bindend tussen de man en de vrouw. De rechtbank zal de kinderalimentatie dan ook bepalen op € 40,- per maand.

Ingangsdatum wijziging

De rechtbank zal voornoemde bijdrage wijzigen met ingang van 1 oktober 2010, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift. Voor zover de man in de periode van 1 oktober 2010 tot heden méér heeft betaald of voor zover méér op hem is verhaald, wordt de bijdrage over die periode nader bepaald op hetgeen in feite is betaald of verhaald.

4. Beslissing

De beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2009 wordt met ingang van 1 oktober 2010 gewijzigd.

De rechtbank bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw vanaf 1 oktober 2010 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] op € 40,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voor zover de man in de periode van 1 oktober 2010 tot heden méér heeft betaald of voor zover méér op hem is verhaald wordt de bedoelde bijdrage over die periode nader bepaald op hetgeen dienaangaande in feite is betaald of verhaald.

Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

De beschikking van 4 maart 2009 blijft voor het overige gehandhaafd.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.B. Heijmans, en in het openbaar in het bijzijn van de griffier, mr. C.G.J.M. Moison, uitgesproken op 4 mei 2011.?