Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ3999

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
16/711761-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met twee mededaders een gewapende overval gepleegd op een gezin. Hierbij hebben verdachte en zijn mededaders zich door gebruikmaking van geweld de toegang tot de woning van de familie verschaft. Onder bedreiging van een vuurwapen is een geldbedrag buitgemaakt. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Ook was verdachte, in strijd met de Wet wapens en munitie, in het bezit van een stroomstootwapen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar en zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711761-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 april 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 6 maart 2010 in [woonplaats], samen met anderen, [slachtoffer 1] heeft

beroofd en/of afgeperst.

Feit 2: in de periode van 1 februari 2010 tot en met 6 oktober 2010 cocaïne heeft

verkocht, afgeleverd, vervoerd en in zijn bezit heeft gehad.

Feit 3: op 6 oktober 2010 een stroomstootwapen voor handen heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1, 2 en 3 aan hem is ten laste gelegd, heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd. Verdachte dient van dit feit te worden vrij gesproken.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het tapgesprek waarin verdachte zegt dat hij betrokken is geweest bij de overval in [woonplaats] op de [adres], geen zogenoemde specifieke daderwetenschap bevat. Hiertoe heeft de raadsman gewezen op de, op pagina 20 en 25 van het proces-verbaal vermelde, CIE-informatie die blijkens de processen-verbaal van bevindingen op 24 maart 2010 en op 30 augustus 2010 – met andere woorden voordat het getapte gesprek plaatsvond – reeds beschikbaar was. Hieruit blijkt dus dat al wel bekend was dat er drie overvallers bij de overval betrokken waren en dat er een paar duizend euro buit is gemaakt. Daarnaast is het algemeen bekend dat de informatie, die door de CIE wordt opgeschreven, ‘rond zingt’. In dit verband wijst de raadsman ook nog op de verklaring van getuige [getuige 1]. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat de hele duivenwereld weet dat de familie [slachtoffer] is overvallen.

Verder heeft de raadsman bepleit dat uit het onderzoek naar de telecomgegevens niets kan worden afgeleid. Dit geldt ook voor de camerabeelden van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Allereerst staan de tijden zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 357 van het dossier niet op de prints van de camerabeelden. In het proces-verbaal van bevindingen staat dat er een Seat aan komt rijden en dat te zien is dat deze inparkeert. Verder is er op de beelden niets te zien. Het Openbaar Ministerie doet voorkomen alsof de personen in de Seat zijn uitgestapt, naar de woning zijn gelopen, de overval hebben gepleegd en vervolgens weer in de auto terecht zijn gekomen en dat verdachte één van deze personen is. Echter, niet kan op basis van de camerabeelden worden vastgesteld dat er personen uit de Seat zijn gestapt en vervolgens naar de woning van de familie [slachtoffer] zijn gelopen. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte hierbij aanwezig was. Ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] kan dit niet worden afgeleid. Zij zien drie personen rennend de [adres] oversteken in de richting van de begraafplaats. Het Openbaar Ministerie stelt nu dat de personen de begraafplaats zijn overgestoken, naar rechts zijn gegaan, over een hek zijn geklommen en in de auto zijn gestapt. Er is echter geen enkel bewijs dat verdachte over het hek is geklommen. Op de camerabeelden is dat niet te zien.

Als laatste staat de raadsman nogmaals stil bij het telefoongesprek waarin verdachte daderinformatie zou hebben prijs gegeven. Belangrijk punt is dat geen oordeel kan worden gegeven over de betrouwbaarheid van de informant. Uit het telefoongesprek volgt dat verdachte erop gewezen wordt dat hij wordt afgeluisterd. Desgevraagd zegt verdachte tegen de politie dat het een grapje was en dat hij zoiets niet zou doen. Dat verdachte zich vervolgens op zijn zwijgrecht beroept, is duidelijk en ingegeven door de omstandigheden. Het telefoongesprek hoeft niet nader uitgelegd te worden. Daarbij komt dat het gesprek zes maanden na de overval is opgenomen en er dus voldoende tijd en gelegenheid was voor de informatie om rond te zingen. Als het telefoongesprek wel richtinggevend is voor de beoordeling van het overige bewijs, dan nog kan niet tot een veroordeling worden gekomen. Er is niet voldaan aan de bewijsminima, gelet op artikel 341 van het Wetboek van Strafvordering. Al zou het tapgesprek een geschrift zijn, dan nog betreft het een verklaring van verdachte opgeschreven door een verbalisant. Een enkele opgave van verdachte kan niet leiden tot een veroordeling. De overige omstandigheden die door het Openbaar Ministerie zijn aangedragen zijn van dusdanig weinig overtuigende kwaliteit, dat daar niet de overtuiging en het wettig bewijs aan kan worden ontleend.

Wat betreft de feiten 2 en 3 is de raadsman van mening dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling te kunnen komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.3.1 Het bewijs met betrekking tot feit 1

De aangifte van [slachtoffer 1]

Aangever heeft verklaard dat op 6 maart 2010 tussen 19.30 en 19.45 uur meerdere mannen voor de deur van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] stonden. Deze mannen hadden dikke zwarte panty’s over hun hoofden en probeerden de woning binnen te dringen. Aangever probeerde dit tegen te gaan door de deur dicht te drukken. Dit lukt niet en er ontstond een gevecht in de hal van de woning tussen de mannen en aangever. Hierbij werd aangever geslagen en door één van de mannen bij zijn nek vastgehouden. Ook werd er door de mannen geschreeuwd. De man die aangever vast hield, trok een pistool en richtte dat op het hoofd van aangever. Hierop zei de man ‘je geld’ of ‘waar is je geld’. Aangever is de woonkamer ingelopen, gevolgd door de man met het vuurwapen. In de woonkamer waren de vrouw en de twee dochters van aangever aanwezig. Aangever zag dat de andere twee daders ook de woonkamer in kwamen lopen en dat één van hen tegen [slachtoffer 3], één van zijn dochters, zei dat zij op de grond moest gaan zitten. Ook zijn andere dochter, genaamd [slachtoffer 4], moest op de grond gaan zitten. Aangever wees de man met het vuurwapen op een zwart geldkistje. Het geldkistje werd door één van de daders geopend. Vervolgens werd geroepen ‘er moet meer geld zijn, dit is niet alles’. Op dat moment liep de man met het vuurwapen naar [slachtoffer 3] en richtte het vuurwapen op haar en zei ‘ben jij de liefste dochter’. Hierop heeft aangever de pot met geld uit de kast gepakt en aan de overvallers gegeven. In deze pot zat de dagopbrengst van die dag, in totaal € 5.600,00 en 65 pond. Vervolgens werden aangever, zijn vrouw en twee dochters in het toilet opgesloten en werd de deur gebarricadeerd.

Het tapgesprek

Op 9 september 2010 wordt ingebeld op telefoonnummer [telefoonnummer], toebehorende aan en op dat moment in gebruik bij verdachte. Tijdens het telefoongesprek wordt door een persoon aan verdachte gevraagd of hij betrokken is geweest bij roofovervallen. Hierop antwoordt verdachte dat hij, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], betrokken is geweest bij de overval in [woonplaats] op de [adres]. De buit betrof bijna € 2.000,00 de man.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het tapgesprek, waarin verdachte zegt dat hij de overval op de [adres] te [woonplaats] heeft gepleegd met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], een grap was. Hij had hierover gelezen in de krant.

Nader onderzoek naar perspublicaties omtrent de overval heeft uitgewezen dat in de gepubliceerde persberichten niets is verschenen omtrent het aantal overvallers en de hoogte van het buit gemaakte geldbedrag.

De camerabeelden

Naar aanleiding van de overval op de [adres] te [woonplaats] is door de politie een buurtonderzoek ingesteld in onder andere de [adres] te [woonplaats]. De woning aan de [adres] te [woonplaats] is zowel aan de voor- als de achterzijde voorzien van een vaste camera. Op de beelden van 6 maart 2010 vanaf ongeveer 19.15 uur, is te zien dat een personenauto van het merk Seat, kleur grijs aan komt rijden en parkeert in een doodlopende steeg. De wielen van de auto zijn niet voorzien van wieldoppen. De velgen zijn zwart. Te zien is dat op de velg rechtsachter een rechthoekige, lichtkleurige sticker zit. Voor in het voertuig zitten twee personen. Achterin zit één persoon. De verlichting van de auto wordt gedoofd en de inzittenden stappen uit. Vervolgens, omstreeks 19.30 uur, rijdt de auto weer weg.

Onderzoek naar de personenauto, merk Seat, type Leon

De grijze Seat Leon die te zien is op de camerabeelden van de woning aan de [adres] te [woonplaats], blijkt eigendom te zijn van de firma [firma] te [woonplaats]. Aan de manager van [firma], de heer [getuige 4], zijn de fotoprints van de camerabeelden getoond. De heer [getuige 4] herkende de Seat Leon die hierop te zien is, als één van de twee personenauto’s van dat merk welke eigendom zijn van zijn bedrijf. De heer [getuige 4] herkende de auto aan de zwart gekleurde stalen velgen, waarop winterbanden gemonteerd zijn. Deze auto stond op 6 maart 2010 in het filiaal te [woonplaats] en is toen verhuurd aan verdachte. Ook de heer [getuige 5], werkzaam bij [firma] te [woonplaats], heeft de Seat Leon op de camerabeelden herkend als één van de personenauto’s die door [firma] te [woonplaats] worden verhuurd. Verbalisant [verbalisant 1], aanwezig bij [firma], nam waar dat op de zwart gekleurde stalen rechter achtervelg van de Seat Leon, welke aan verdachte was verhuurd op 6 maart 2010, restanten zaten van een witte sticker. Aan de lijmresten was te zien dat op deze velg een rechthoekige witte sticker had gezeten.

Telecomgegevens

Uit onderzoek naar de telecomgedragingen behorende bij de telefoonnummers toebehorende aan verdachte ([telefoonnummer]) en twee personen genaamd [medeverdachte 2] ([telefoonnummer]) en [medeverdachte 1] ([telefoonnummer]) is gebleken dat verdachte op de dag van de overval 18 contacten heeft gehad met nummer [telefoonnummer] en 29 contacten met nummer [telefoonnummer]. Ten tijde van de overval zijn er geen contacten tussen het nummer van verdachte en de andere twee genoemde nummers, na de overval en daaraan voorafgaand wel. Rond het tijdstip van de overval stralen alle drie de telefoonnummers de mast aan het [adres] in [woonplaats] aan, welke mast is gelegen in de nabijheid van de locatie van de overval. Ook stralen de drie genoemde telefoonnummers dezelfde masten aan in [woonplaats], [woonplaats] en [woonplaats]. Zo stralen alle drie de nummers om 14.53 uur de zendmast aan de [adres] in [woonplaats] aan, welke mast zich bevindt in de nabijheid van de woning van verdachte en [medeverdachte 1]. Tussen 15.45 uur en 16.02 uur en omstreeks 16.56 uur stralen de telefoonnummers de zendmast aan de [adres] in [woonplaats] aan. Deze zendmast bevindt zich in de nabijheid van zowel de woning van [medeverdachte 2] als de plaats van de overval. Ook om respectievelijk 17.43 uur en 17. 48 uur, respectievelijk 19.58 en 19.54 uur wordt deze zendmast door het nummer van verdachte en [medeverdachte 2] aangestraald. Vervolgens, om 20.13 en 20.14 uur, stralen de nummers van verdachte en [medeverdachte 1] de zendmast aan de [adres] in [woonplaats] aan. Nadien, om 22.15 en 22.19 hebben verdachte en [medeverdachte 2] nog contact, terwijl beide nummers een andere zendmast in [woonplaats] aanstralen. Later die avond, om 22.48 en 22.51 uur stralen hun nummers aan op de zendmast aan de [adres] te [woonplaats]. Omstreeks 12.45 uur op 6 maart 2011, straalt het nummer van verdachte overigens een mast aan in Wageningen, waar verdachte bij een vestiging van de [firma] de grijze Seat Leon heeft gehuurd.

Aanvullende bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De ongeloofwaardige verklaring van verdachte

De raadsman heeft bepleit dat de inhoud van het tapgesprek, waarin verdachte zegt betrokken te zijn geweest bij de overval in [woonplaats] op de [adres], een grap was. Verdachte heeft dit ook ten overstaan van de politie verklaard.

Dat de uitlatingen van verdachte omtrent de overval door hem bedoeld zijn als een grap, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft in dezelfde verklaring verklaard dat hij in de krant heeft gelezen over de overval in [woonplaats] op de [adres]. Door de politie is evenwel onderzoek verricht naar de perspublicaties die zijn verschenen omtrent deze overval en in geen der persberichten is melding gemaakt van de hoogte van de buit, noch van het aantal overvallers. Hiermee is, naar het oordeel van de rechtbank, aangetoond dat de verklaring van verdachte dat hij de informatie die hij in het telefoongesprek geeft uit de krant heeft, niet kan kloppen. Zijn verklaring wordt immers niet ondersteund door hetgeen in de kranten is gepubliceerd over de overval.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet geloofwaardig.

Het tapgesprek inhoudende daderwetenschap

Door de verdediging is ook aangevoerd dat verdachte in het gewraakte tapgesprek geen blijk van daderwetenschap geeft. De raadsman heeft bepleit dat er langere tijd is verstreken tussen de overval en bovengenoemd tapgesprek, waardoor het goed mogelijk is dat informatie omtrent de overval is gaan rond zingen en verdachte daarvan dus zeer wel op de hoogte had kunnen zijn.

De rechtbank is een ander oordeel toegedaan. Zoals reeds aangegeven is uit nader onderzoek naar de perspublicaties gebleken dat daarin nimmer is vermeld met hoeveel personen de overval is gepleegd en hoeveel de buit bedroeg. Verdachte heeft echter, in het reeds aangehaalde telefoongesprek, aangegeven dat hij de overval samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gepleegd en dat de buit bijna € 2.000,00 de man betrof.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat de overval inderdaad door drie personen is gepleegd. Tevens volgt uit zijn aangifte dat de overvallers € 5.600,00 en 65 pond buit hebben gemaakt. Dat komt neer op bijna € 2.000,00 per persoon, zoals door verdachte genoemd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte in het tapgesprek wel degelijk blijk geeft over daderwetenschap te beschikken.

De telecomgegevens

In het dossier bevindt zich een uitgebreide analyse van een drietal gebruikte telefoonnummers, toebehorende aan verdachte en aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Uit deze –hiervoor al aangehaalde– analyse volgt dat verdachte veelvuldig contact heeft met de andere twee personen op de dag van de overval. De contacten hebben plaats voorafgaand en na afloop van de overval. De analyse toont ook dat de nummers die kennelijk toebehoren aan verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 6 maart 2011 vaak dezelfde zendmast aanstralen. Zo stralen de nummers van verdachte en [medeverdachte 2] vlak na de overval een zendmast aan die is gelegen nabij de plaats waar de overval plaats had.

De telecomgegevens ondersteunen, naar het oordeel van de rechtbank, ook het tapgesprek waarin verdachte als zijn mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] noemt.

4.3.3 Het bewijs met betrekking tot de feiten 2 en 3

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ongeveer vanaf maart 2010 tot oktober 2010 heeft gedeald in cocaïne.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het stroomstootwapen, dat is aangetroffen in zijn slaapkamer, tijdens de doorzoeking in de woning aan het [adres]in [woonplaats], heeft gekocht op de markt.

De verklaringen van getuigen

[getuige 6] en [getuige 7] zijn als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Bij die gelegenheid hebben zij beiden verklaard meerdere malen cocaïne van verdachte te hebben gekocht in de aan verdachte ten laste gelegde periode.

Doorzoeking van de woning

Op 6 oktober 2010 vond een doorzoeking plaats in de woning, gelegen aan het [adres] te [woonplaats], waar verdachte woonachtig is. Tijdens de doorzoeking is in de slaapkamer van verdachte een boterhamzakje met 0,4 gram van een witte substantie aangetroffen, alsmede één koker inhoudend 0,6 gram wit poeder en een koker met een restant wit poeder en een zakje wit poeder. In totaal werd 1,18 gram wit poeder, zijnde cocaïne, in de slaapkamer van verdachte aangetroffen. Ook werd er in de slaapkamer van verdachte een stroomstootwapen aangetroffen. Het stroomstoot wapen betreft een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Het betrof geen medisch hulpmiddel.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 6 maart 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld dhr. [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (5600 euro en 65 pond), geheel of ten dele toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- met (zwarte) panty's over het hoofd, althans met enige gezichtsbedekking,

de woning van de familie [slachtoffer] zijn binnengedrongen, en

- [slachtoffer 1] hebben geslagen en gestompt en vastgepakt, en

- daarbij hebben geschreeuwd, en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd

en/of op het lichaam van die [slachtoffer 1] hebben gericht, en

- hebben gezegd "je geld" en/of "waar is je geld" en/of "er moet meer geld zijn",

althans woorden van gelijke strekking, en

- de dochters van die [slachtoffer 1] (te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4])

hebben gedwongen om te gaan zitten op de grond, en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben

gericht op de dochter van [slachtoffer 1] (te weten [slachtoffer 3]) en daarbij

gezegd: "ben jij de liefste dochter", althans woorden van gelijke strekking, en

- leden van de familie [slachtoffer] in de toiletruimte gezet en de deur van die ruimte gebarricadeerd;

2.

in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 6 oktober 2010 te [woonplaats], althans in het arrondissement Utrecht, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk heeft vervoerd en verkocht en afgeleverd en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

op of omstreeks 06 oktober 2010 te [woonplaats], een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen, althans een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Afpersing

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid van de Opiumwet.

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor hetgeen onder feit 1 aan verdachte is ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte vanaf ongeveer maart 2010 tot september 2010 cocaïne heeft gedeald. Gelet op de richtlijnen die worden gehanteerd ten aanzien van het dealen van drugs en de daarvoor op te leggen straf, in samenhang met de pleegperiode, kan geen gevangenisstraf opgelegd worden die de duur van één jaar zal overstijgen. Daarnaast is verdachte een first offender als het gaat om het dealen van drugs en het bezit van het stroomstootwapen. Derhalve dient een gevangenisstraf voor de duur korter dan één jaar te worden opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met twee mededaders een gewapende overval gepleegd op de familie [slachtoffer]. Hierbij hebben verdachte en zijn mededaders zich door gebruikmaking van geweld de toegang tot de woning van de familie [slachtoffer] verschaft. Nadat verdachte en zijn mededaders de woning waren binnengedrongen, hebben zij de heer [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen bewogen een hoeveelheid geld aan hen af te geven. Verdachte en zijn mededaders namen echter geen genoegen met de inhoud van een geldkist waar de heer [slachtoffer 1] hun op wees. Zij wilden meer geld zien. Om dit duidelijk te maken en hun bevelen kracht bij te zetten, hebben zij vervolgens één van de dochters van de heer [slachtoffer 1] onder schot gehouden. Hierop heeft de heer [slachtoffer 1] een pot met geld aan de overvallers overhandigd.

Het spreekt voor zich, dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de familie [slachtoffer]. Zij ondervinden allen nog dagelijks de nadelige gevolgen van de overval. Zo heeft dochter [slachtoffer 4] last van concentratieproblemen en moeite met leren. Ook ondervindt zij, evenals haar zus [slachtoffer 3], lichamelijke klachten. [slachtoffer 1] is erg schrikachtig geworden en is het vertrouwen in haar omgeving verloren. Ook de heer [slachtoffer 1] is zijn vertrouwen in andere mensen verloren. Hij belt meerdere malen per dag naar zijn vrouw en kinderen om te horen of alles goed gaat. De familie heeft na de overval het huis op allerlei manieren beveiligd om zo te voorkomen dat het nogmaals gebeurt.

Verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij gevolgen van zijn handelen voor de familie [slachtoffer]. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van hen, op deze manier snel aan geld te komen. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen en zijn eigen financieel gewin voorop heeft gesteld.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Het is algemeen bekend dat harddrugs zoals cocaïne gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan opleveren. Daarnaast proberen gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen te bekostigen. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving.

Ook was verdachte, in strijd met de Wet wapens en munitie, in het bezit van een stroomstootwapen. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk wapen dient, gelet op het gevaarzettend karakter daarvan, krachtig te worden bestreden.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 15 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en poging tot zware mishandeling.

Daar verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan de reclassering, noch aan het opmaken van een pro justitia rapport door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, is de rechtbank ook niet gebleken dat er sprake is van verzachtende feiten en omstandigheden, waarmee bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

In afwijking van zijn schriftelijke vordering waarbij hij met betrekking tot de vorderingen benadeelde partij van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] een gedeeltelijke toewijzing verzoekt, vraagt de officier van justitie ter terechtzitting de gehele toewijzing van de vorderingen benadeelde partijen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, voor een bedrag groot:

- € 1.670,00 ten aanzien van [slachtoffer 3]

- € 2.000,00 ten aanzien van [slachtoffer 4]

- € 2.000,00 ten aanzien van [slachtoffer 1]

- € 1.670,00 ten aanzien van [slachtoffer 2].

7.2 Het standpunt van de verdediging.

De verdediging meent dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen, nu verdachte ontkent de overval te hebben gepleegd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 1.670,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 1.670,00 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 2.000,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 2.000,00 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 2.000,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 2.000,00 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 1.670,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 1.670,00 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 27, 36f, 47, 57, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Afpersing

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid van de Opiumwet.

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 1.670,00, ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 2.000,00, ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 2.000,00, ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.670,00, ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 6 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 3], € 1.670,00, 26 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 4], € 2.000,00, 30 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 1], € 2.000,00, 30 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2], € 1.670,00, 26 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.J. Harmeijer, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 mei 2011.

Mr. H.H.J. Harmeijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.