Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ3281

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
304697 HA RK 11-157.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer: 304697 HA RK 11-157

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

11 april 2011

in de zaak van

1. [verzoekster sub 1], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht,

2. [verzoeker sub 2], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht,

tegen

mr. [X],

mr. [Y],

mr. [Z],

respectievelijk voorzitter en rechters van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank.

De procedure

1.1 Ter terechtzitting van 7 april 2011 heeft voornoemde meervoudige strafkamer van deze

rechtbank de tegen verzoekers aanhangig gemaakte strafzaken onder parketnummers 16/710921-09 en 16/600854 -10 behandeld.

Bij brief/faxbericht van 8 april 2011 hebben de verzoekers 1 en 2 de drie bovengenoemde rechters ter zitting gewraakt. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.2 De rechters hebben niet in de wraking berust.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking heeft op 11 april 2011

plaatsgevonden. Bij deze behandeling zijn tevens de wrakingsverzoeken van [A], [B], [C], [D], [E], [F] en [G] behandeld. Mede namens verzoekers 1 en 2 was aanwezig mr. S.D. Kurz, advocaat te Utrecht. Voorts waren aanwezig de leden van voormelde strafkamer en mr. E.C. Lodder, de officier van justitie in de onderhavige strafzaak.

1.4 Op de zitting hebben verzoekers hun verzoeken toegelicht. De rechters wier wraking is

verzocht zijn in de gelegenheid gesteld nader uiteen te zetten waarom zij niet berusten in de wraking. De officier van justitie heeft verzocht het verzoek af te wijzen en haar standpunt op schrift aan de wrakingskamer overgelegd. Vervolgens is de uitspraak bepaald op heden.

De feiten

2.1 Ter zitting van 13 december 2010 hebben verzoekers verzocht een aantal getuigen te mogen horen en stukken (het zogenaamde pre-weegdocument en het projectvoorstel) toe te voegen aan de dossiers. De meervoudige strafkamer heeft deze verzoeken afgewezen en de officier van justitie opgedragen om in het licht van de door verzoekers gedane verzoeken een aanvullend proces-verbaal op te maken.

2.2 Daarop heeft verbalisant [verbalisant] op 7 maart 2011 een aanvullend proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud volgens de meervoudige strafkamer niet voldeed aan de gegeven opdracht. Vervolgens heeft C.D.M. Geldermans, officier van justitie, op 1 april 2011 opnieuw een proces-verbaal opgemaakt.

2.3 Verzoeker [E] heeft de rechtbank ter zitting van 4 april 2011 primair verzocht een oordeel te geven omtrent de vraag of de officier van justitie had voldaan aan het bevel van de rechtbank met betrekking tot het aanvullende proces-verbaal. Na de mededeling van de reactie van de meervoudige strafkamer op dit verzoek is het onderzoek ter terechtzitting op 7 april voortgezet. Tijdens deze zitting heeft de strafkamer de verzoeken om getuigen te horen en documenten aan de dossiers toe te voegen gemotiveerd afgewezen. Hierna is de meervoudige strafkamer gewraakt als hiervoor omschreven.

De verzoeken

3.1 De wrakingsgronden richten zich tegen de motivering van de meervoudige strafkamer om het pre-weegdocument en het projectvoorstel niet aan het dossier toe te voegen en om de verzochte getuigen niet te horen. Verzoekers betogen dat de meervoudige strafkamer bij de beoordeling van het verzoek om getuigen te horen ten onrechte het noodzakelijkheids-criterium heeft toegepast. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat uit de op 7 april 2011 door de meervoudige kamer gebezigde en onbegrijpelijke motivering blijkt dat deze kamer vooruitloopt op het definitieve eindoordeel, waardoor niet langer van hun onpartijdigheid kan worden uitgegaan.

Beoordeling

4.1 Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van (onder meer) de verdachte de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2 Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.3 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.4 De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoekers de persoonlijke instelling van de rechters van de meervoudige strafkamer niet ter discussie hebben gesteld. Derhalve zal slechts onderzocht worden of er objectief bepaalde feiten en omstandigheden zijn die verzoekers grond geven te vrezen dat het de meervoudige strafkamer aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de meervoudige strafkamer een aantal voor verzoekers onwelgevallige procedurele beslissingen heeft genomen, geen grond voor wraking oplevert. Immers is niet gebleken noch aannemelijk geworden dat het de meervoudige strafkamer door afwijzend op de verzoeken van verzoekers te beslissen aan onpartijdigheid ontbreekt of dat door aldus te beslissen de schijn van vooringenomenheid of partijdigheid jegens verzoekers is gewekt. De rechtbank is van oordeel dat de beslissingen van de meervoudige kamer op de verzoeken niet zo onbegrijpelijk zijn dat voor die beslissingen redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij voorvloeit uit vooringenomenheid van de rechters. Evenmin is gebleken dat de meervoudige kamer door de wijze van motiveren van haar beslissingen zoals vervat in het proces-verbaal van de zittingen van 4 en 7 april 2011 op onaanvaardbare wijze vooruit is gelopen op nog te nemen eindbeslissingen.

4.6 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het middel van wraking niet kan worden benut om de juistheid van een beslissing inhoudelijk aan de orde te stellen. Daarover dient in hoger beroep te worden geklaagd.

4.7 Nu zich ook overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor partijdigheid of vooringenomenheid van de meervoudige strafkamer dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoekers, dienen de verzoeken te worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

5.1 wijst de verzoeken af;

5.2 bepaalt dat de behandeling van de strafzaken met parketnummers 16/710921-09 en 16/600854 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van deze verzoeken;

5.3 draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan de raadslieden van de verzoekers, de betrokken rechters, de officier van justitie mr. E.C. Lodder, de voorzitter van de sector Strafrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. L.E. Verschoor- Bergsma en

mr. drs. R. in ’t Veld, leden van de wrakingskamer, in aanwezigheid van mr. J.J. van Doorn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2011.