Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ3096

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
29-04-2011
Zaaknummer
SBR 10/2688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Laattijdige Wajong Gelet op deze jurisprudentie overweegt de rechtbank dat de weigering van verweerder om eiseres in aanmerking te brengen voor een Wajonguitkering inhoudelijk beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg, werkzaam bij het Uwv.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 28 januari 2010 heeft verweerder geweigerd om eiseres in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 9 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het besluit van 28 januari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 11 januari 2011. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door boven-genoemde gemachtigde.

Overwegingen

2.1 Eiseres, geboren op 30 november 1951, heeft op 19 november 2009 laattijdig een uitkering op grond van de Wajong aangevraagd. Deze uitkering heeft verweerder, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek, bij het besluit van 28 januari 2010 geweigerd, omdat eiseres op haar achttiende verjaardag, zijnde 30 november 1969, niet voor meer dan 25% arbeidsongeschikt was. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze weigering, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar door respectievelijk een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, met dezelfde motivering in stand gelaten.

2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 6 maart 2007 (LJN BA0905), dienen aanspraken van de verzekerde (in deze: eiseres) in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. Gelet op deze jurisprudentie overweegt de rechtbank dat de weigering van verweerder om eiseres in aanmerking te brengen voor een Wajonguitkering inhoudelijk beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De AAW is weliswaar pas in 1976 in werking getreden, en derhalve ruim na de zeventiende en achttiende verjaardag van eiseres, maar de overgangsbepaling neergelegd in artikel 89 van die wet brengt mee dat eiseres destijds bij de invoering van de wet (onder bepaalde voorwaarden) een beroep op de AAW had kunnen doen.

2.3 Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, zesde lid, van de AAW wordt voor de toepassing van onder meer artikel 6, eerste lid, van de AAW niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene, die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

2.4 Eiseres betoogt in beroep dat zij reeds in haar jeugd en ook op haar zeventiende en achttiende verjaardag kampte met psychische problemen welke door verweerder niet als zodanig zijn onderkend. Er is 20 jaar geleden al geconstateerd dat ze ook voordien volledig arbeidsongeschikt was. Eiseres beklaagt zich er verder over dat de bewijslast bij haar wordt gelegd en meent dat verweerder haar, bij gebreke aan gegevens uit het verre verleden, door een psychiater had moeten laten onderzoeken.

2.5. Voor de vraag of eiseres aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is gezien de hiervoor genoemde bepalingen van de AAW als één van de voorwaarden bepalend of zij aan het einde van de wachttijd van 52 weken na haar zeventiende verjaardag, derhalve op haar achttiende verjaardag (30 november 1969) voor 25% of meer arbeidsongeschikt was. Verweerder heeft dan ook terecht de arbeidsongeschiktheid naar deze datum beoordeeld en daarbij het bij het in werking treden van de AAW geldende arbeidsongeschiktheidscriterium van voor 1987 toegepast.

2.6. In de systematiek van de arbeidsongeschiktheidswetgeving houdt het betoog van eiseres in dat zij stelt dat zij op achttienjarige leeftijd verdergaande beperkingen had dan die door verweerder in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn neergelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft, rekening houdend met de voorhanden zijnde (medische) informatie van de behandelende sector, in zijn rapportages gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat bij eiseres op de leeftijd van achttien jaar enige beperkingen konden worden vastgesteld. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten aangetroffen om te concluderen dat de bezwaarverzekeringsarts verdere arbeidsbeperkingen voor eiseres had moeten vaststellen. Daarnaast heeft eiseres ook zelf geen medische gegevens ingebracht die twijfel oproepen aan het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt over haar belastbaarheid op de relevante datum in dit geding, zijnde 30 november 1969. Dit is van belang nu op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2008, LJN BD4453 en de uitspraak van 6 maart 2009, LJN BH5146) in een situatie als de onderhavige, waarin eiseres eerst vele jaren na het tijdstip waarop naar haar mening haar arbeidsongeschiktheid is ingetreden een aanvraag indient, op eiseres de plicht rust gegevens naar voren te brengen die steun bieden voor haar standpunt ter zake het bestaan van de gestelde arbeidsongeschiktheid op dat tijdstip, waarmee ook het risico dat deze gegevens niet kunnen worden aangeleverd voor haar rekening dient te blijven. In het ontbreken van deze gegevens had verweerder dan ook geen reden hoeven te zien om een psychiater onderzoek naar de psychische gesteldheid van eiseres te laten doen, zoals zij aanvoert.

2.7 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen en in de FML opgenomen beperkingen en derhalve om het bestreden besluit medisch voor onjuist te houden. Nu het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar, waartegen door eiseres geen aparte gronden zijn aangevoerd, leidt tot de conclusie dat eiseres met haar beperkingen op 30 november 1969 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is, voldoet zij niet aan de voorwaarde van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW in samenhang met artikel 6, zesde lid, van de AAW. Hieruit volgt dat verweerder terecht heeft geweigerd aan eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.

2.8 Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Bongers, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2011.

De griffier: De rechter:

mr. L.M. Janssens-Kleijn mr. E. Bongers