Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ2979

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
SBR 10-3175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinair strafontslag. De verweten gedragingen zijn aan te merken als plichtsverzuim. Strafontslag niet onevenredig aan het plichtsverzuim, gezien aard en ernst van de gedragingen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/3175

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. drs. P.R. Slier, werkzaam bij juridisch adviesbureau,

en

de korpsbeheerder van de Politie Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Vlaskamp, werkzaam bij de politie Utrecht.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 21 april 2010 heeft verweerder eiser onder toepassing van artikel 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j, van het Barp opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 13 januari 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Namens verweerder is verschenen gemachtigde, voornoemd, en [naam X], districtchef. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiser, geboren [1958], is vanaf 1 oktober 1979 werkzaam in dienst van de politie Utrecht. Vanaf de oprichting van de Jongerenteams in 1996, op basis van een tussen de gemeente Utrecht en de politie gesloten convenant, verrichtte eiser de functie van coördinator Jongerenteams. De gemeente was de opdrachtgever voor de Jongerenteams. De politie leverde de coördinator, in de persoon van eiser. De gemeente stelde jaarlijks een budget beschikbaar aan de politie waaruit onder andere het salaris van eiser werd betaald, alsmede de aankoop van goederen en voertuigen ten behoeve van de Jongerenteams.

Om zijn kennis en ervaring met het werken met Jongerenteams ook buiten de politie te kunnen inzetten heeft eiser begin 2008 bij de Kamer van Koophandel op zijn naam een stichting en een advies- en trainingsbureau laten inschrijven.

Eind juli 2008 is besloten de dagelijkse aansturing van de Jongerenteams over te dragen van de politie naar de gemeente Utrecht. Dat hield mede in dat de politie niet langer de coördinator zou leveren. De gemeente Utrecht heeft per 1 december 2008 een nieuwe externe coördinator aangesteld, waardoor de feitelijke werkzaamheden van eiser als coördinator van de Jongerenteams werden beëindigd. Per gelijke datum heeft verweerder eiser de functie van wijkagent opgedragen.

2.2 Na eerst bij brief van 25 januari 2010 zijn voornemen daartoe te hebben meegedeeld, heeft verweerder bij besluit van 21 april 2010, zoals gehandhaafd bij besluit van 17 augustus 2010, aan eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag als genoemd in artikel 77, eerste lid, onder j, van het Barp opgelegd in verband met zeer ernstig plichtsverzuim. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende gedragingen:

1. Het na de beëindiging van zijn functie van coördinator Jongerenteams nog geruime tijd onder zich houden van voertuigen, te weten een personenauto Volkswagen Passat, een personenbus Fiat Ducato en een bedrijfswagen Iveco. Deze voertuigen heeft hij op zijn eigen naam dan wel op naam van zijn Stichting AlaCock (hierna: de Stichting) overgeschreven, terwijl deze eigendom waren van ofwel de Politie Utrecht ofwel de gemeente Utrecht. Noch de Politie Utrecht noch de gemeente hebben eiser daartoe opdracht of toestemming gegeven.

2. Het onrechtmatig onder zich houden van goederen die eiser uit hoofde van zijn vorige functie als coördinator Jongerenteams onder zich had, waaronder kampeeruitrustingen.

3. Het handelen in strijd met de voorwaarden van het besluit nevenwerkzaamheden van 7 januari 2009.

4. Het berokkenen van schade aan het gezag en imago van de Politie Utrecht.

2.3 De rechtbank merkt vooraf op dat het strafrechtelijke en het disciplinaire traject los van elkaar moeten worden gezien. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van plichtsverzuim als hier aan de orde, is niet relevant of de verweten gedragingen ook daadwerkelijk leiden (of reeds hebben geleid) tot een strafrechtelijke veroordeling. Verweerder heeft hierin naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep een eigen verantwoordelijkheid te nemen en afweging te maken. Om deze reden is ook het – herhaalde – verzoek van eiser om aanhouding van de behandeling ter zitting totdat in de strafzaak onherroepelijk is beslist, afgewezen.

2.4 De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het ter zitting gedane bewijsaanbod tot het doen horen van getuigen, aanleiding geeft gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank constateert in de eerste plaats dat dit aanbod buitengewoon laat is gedaan, gelet op de reeds lange tijd bekende zittingsdatum en de informatiebrief die aan eiser is verstrekt bij de ontvangstbevestiging. Eiser had, conform artikel 8:60, vierde lid, van de Awb getuigen mee kunnen brengen of bij aangetekende brief kunnen oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen mededeling was gedaan, met vermelding van de namen en woonplaatsen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Eiser heeft in dit verband gewezen op de aan hem door de rechtbank verzonden uitnodigingsbrief voor de regiezitting, waarin staat dat tijdens de zitting onder meer aan de orde kan komen of er nog reden is een getuige te horen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de informatie in de uitnodigingsbrief niet dat van eiser niet mag worden verlangd de bepalingen in de Awb in acht te nemen. De rechtbank blijft daarbij haar eigen bevoegdheid houden overeenkomstig deze bepalingen. Aan het verzoek dat eiser drie dagen voor de zitting aan de rechtbank heeft gedaan om de zitting uit te stellen om hem in de gelegenheid te stellen alsnog getuigen op te roepen, heeft de rechtbank in dat stadium dan ook geen gehoor willen geven.

In de tweede plaats heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank zijn bewijsaanbod onvoldoende onderbouwd. Immers, pas ter zitting heeft eiser de namen genoemd van de getuigen die hij zou willen horen en hij heeft voorts, desgevraagd, toegelicht wat in zijn ogen het doel is om deze vier personen op te roepen als getuigen. De rechtbank acht het, anders dan eiser betoogt, niet aannemelijk dat in het geval die vier personen op een gerichte wijze door hem zouden worden ondervraagd en het geheel in een andere context zou worden gezet, daaruit andersluidende verklaringen naar voren zullen komen. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, niet overgaan tot het heropenen van het onderzoek ter zitting.

2.5 Artikel 76, eerste lid, van het Barp bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp bepaalt dat als straf ontslag kan worden opgelegd.

Artikel 82 Barp bepaalt dat de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer wordt gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

2.6 Eisers betoog dat er geen sprake is van één van de in artikel 94, eerste lid, van het Barp limitatief opgesomde ontslaggronden treft geen doel. Verweerder heeft zijn besluit tot oplegging van onvoorwaardelijk strafontslag gebaseerd op artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Toepassing van artikel 94 van het Barp is hier niet aan de orde.

2.7 Eiser is – samengevat – van mening dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de aan hem verweten gedragingen. Hij heeft uitvoerig weergegeven wat de context is waarin de hele kwestie moet worden bezien. De basis van het conflict is in zijn ogen gelegen in het verschil in visie tussen hem en de korpsleiding over de inzet van politiemensen bij de Jongerenteams. De korpsleiding misbruikt volgens eiser zijn macht. Eiser was er voorstander van om het coördinatorschap los te koppelen van de politie en over te dragen aan de gemeente. De toekomst voor de Jongerenteams zou verzekerd zijn als deze zouden worden ondergebracht in een Stichting. Uiteindelijk is hij buiten spel gezet, omdat de korpschef een negatief advies over een samenwerking tussen eiser en de gemeente had uitgebracht. Nadien heeft de gemeente dat advies opgevolgd en een externe coördinator aangetrokken van het bedrijf Actium uit Ede.

2.8. De rechtbank overweegt ten aanzien van de aan eiser verweten gedragingen als volgt.

Het in 2009 handelen in strijd met de voorwaarden van het besluit nevenwerkzaamheden

2.9 Bij besluit van 7 januari 2009 heeft verweerder eiser onder voorwaarden toestemming verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden. Deze voorwaarden hielden onder meer in dat er een goede scheiding van belangen gewaarborgd diende te zijn en dat eiser zijn diensten, zowel op beleidsondersteunend als op administratief gebied, niet zou aanbieden in het gebied van de politieregio Utrecht.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat eiser zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden voor het verrichten van nevenwerkzaamheden.

Uit de stukken blijkt genoegzaam dat het voor derden niet transparant was in welke hoedanigheid eiser zijn diensten aanbood. Eiser heeft voorts niet ontkend dat hij, voorafgaand, tijdens en ook na de periode van november 2008 tot begin maart 2009 dat hij de nieuwe coördinator had ingewerkt, met het in Ede gevestigde Actium onderhandelingen heeft gevoerd uit hoofde van zijn ondernemerschap in het kader van de Jongerenteams. Hij heeft in dat kader een drietal conceptovereenkomsten opgesteld waaruit blijkt dat eiser voornemens was om met Actium op allerlei gebieden samen te werken, dat hij over het gebruik van goederen afspraken wilde maken en dat hij voor bepaalde diensten een vergoeding wenste te ontvangen. De rechtbank stelt vast dat eiser ermee bekend was dat de activiteiten van Actium gericht waren op de Jongerenteams in de regio Utrecht en ook dat de nieuwe coördinator vanuit Actium werd geleverd. Dat Actium in Ede gevestigd was, doet derhalve niet ter zake: de feitelijke activiteiten vonden plaats in de regio Utrecht. Indien eiser al twijfelde of de activiteiten van Actium in of buiten de regio Utrecht vielen, had het op eisers weg gelegen te verifiëren of de gemaakte afspraken ondersteuning vonden bij zijn werkgever. Dit gold te meer nu kort daarvoor de oprichting van zijn Stichting en zijn daaruit voortkomende nevenwerkzaamheden onderwerp van gesprek waren geweest tussen hem en zijn werkgever en deze bovendien tot nadere besluitvorming hebben geleid, waaronder een disciplinaire straf wegens het niet melden van de nevenwerkzaamheden. Eiser was er dus uitdrukkelijk op gewezen dat hij ieder risico op belangenverstrengeling moest zien te voorkomen.

Gelet op dit alles is voldoende aannemelijk geworden dat eiser in strijd met de aan hem opgelegde voorwaarden heeft gehandeld.

De verweten gedragingen dat eiser voertuigen op zijn naam heeft laten overschrijven en onrechtmatig goederen onder zich heeft gehouden

2.11 Met betrekking tot de goederen betwist eiser dat hij deze onrechtmatig onder zich heeft gehouden. Die goederen waren sinds 1996 bij hem opgeslagen, omdat zowel de gemeente als de politie geen opslagruimte ter beschikking had. De voertuigen zijn volgens eiser nooit eigendom geweest van de politie, maar van de Jongerenteams. Alleen omdat laatstgenoemde geen rechtspersoon was, zijn de voertuigen op naam van de politie gezet. Als coördinator had hij carte blanche om voertuigen te kopen en te verkopen. Hij heeft dat jaren gedaan, maar dat is nimmer vastgelegd in een functiebeschrijving. In verband met de overdracht van de Jongerenteams aan de nieuwe coördinator moesten ook de voertuigen en goederen worden overgedragen. De gemeenteambtenaar had hem carte blanche gegeven om met de nieuwe coördinator daarover afspraken te maken. Bij de gemeente was men bekend met de beheersconstructie van zijn Stichting. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 29 december 2008 met de nieuwe coördinator mondeling overeengekomen is dat de goederen overgedragen zouden worden aan zijn Stichting en dat de gemeente vrij gebruik kon maken van de goederen. Omdat er nadien toch discussie ontstond, heeft hij ondanks dat de goederen en de voertuigen inmiddels in eigendom waren van zijn eigen stichting, deze weer geretourneerd. Specifiek ten aanzien van de Iveco-bus heeft eiser aangevoerd dat die bus hem in november 2005 privé was geschonken door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee. Die bus heeft hij vervolgens belangeloos ter beschikking gesteld aan de Jongerenteams. Nadat het hem bekend was dat hij geen coördinator Jongerenteams meer zou zijn, heeft hij de bus overgeschreven op naam van zijn Stichting.

2.12 De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat hij meent dat de voertuigen en de overige goederen aan de Jongerenteams toebehoorden en dat hij, als coördinator Jongerenteams, daarover vrijelijk kon beschikken.

2.13 De rechtbank stelt vast dat de Jongerenteams oorspronkelijk onder verantwoordelijkheid van de politie vielen, terwijl de gemeente daarvoor een budget beschikbaar stelde. Ten behoeve van de Jongerenteams zijn twee voertuigen aangeschaft, een Volkswagen Passat en een Fiat Ducato. Uit de stukken blijkt dat deze voertuigen op naam van de politie zijn gekocht, dat de kentekens daarvan kort na de aankoop eveneens op naam van de politie zijn gezet en dat de politie de vaste lasten van deze voertuigen betaalde. Vaststaat eveneens dat de politie de voertuigen niet heeft verkocht of geschonken aan eiser of aan zijn Stichting. Hij of die Stichting is derhalve nimmer eigenaar geworden van de voertuigen. Hetzelfde geldt voor de overige goederen (kampeerspullen etc.). Dat eiser in zijn toenmalige functie als coördinator Jongerenteams Stad Utrecht de beschikking had over de voertuigen en de spullen, brengt daarom niet mee dat aan eiser, na de opheffing van zijn functie, het recht toekwam om vrijelijk over die voertuigen te beschikken als ware hij daarvan eigenaar. De rechtbank is van oordeel dat eiser uit niets heeft kunnen of mogen afleiden dat verweerder hem daartoe toestemming had gegeven. Desondanks heeft eiser de voertuigen overgeschreven op zijn naam of op die van de Stichting, heeft hij de voertuigen onder zich gehouden en heeft hij deze alsmede de overige spullen onderwerp gemaakt van onderhandelingen met Actium, zo blijkt uit een van de eerder genoemde conceptovereenkomsten. Al die tijd werden de vaste lasten van de voertuigen door de politie betaald. De rechtbank acht gelet op dit alles de stellingname van eiser, inhoudende dat hem van zijn handelwijze met betrekking tot de voertuigen geen verwijt kan worden gemaakt, onbegrijpelijk.

De stelling van eiser dat op 29 december 2008 een bindende overeenkomst tussen hem en de nieuwe coördinator tot stand is gekomen volgt de rechtbank niet. Immers, eiser was geen eigenaar van de voertuigen of de spullen en was derhalve niet bevoegd om overeenkomsten aan te gaan met betrekking tot deze goederen. Daar komt bij dat de nieuwe coördinator van Actium op 14 september 2009 en op 12 november 2009 tegenover een beambte van de politie heeft verklaard dat een overeenkomst over de goederen, waaronder een Volkswagen Passat en een Fiat Ducato, mondeling noch schriftelijk tot stand is gekomen, omdat onduidelijk was hoe het eigendomsrecht was geregeld. Gelet voorts op hetgeen hierboven onder 2.10 is overwogen ten aanzien van de aan de nevenwerkzaamheden van eiser verbonden voorwaarden, had het eiser duidelijk moeten zijn dat verweerder niet zou instemmen met eisers onderhandelingen met Actium. Immers, eiser was daarbij aanwezig niet in zijn hoedanigheid van voormalig coördinator en in het kader van de overdracht van het coördinatorschap, maar als vertegenwoordiger van zijn eigen Stichting, terwijl de onderhandelingen betrekking hadden op activiteiten van zijn Stichting welke zouden plaatsvinden in de politieregio Utrecht, hetgeen verweerder nu juist wilde voorkomen door het stellen van voorwaarden. Het valt eiser ten slotte aan te rekenen dat hij, ondanks dringende verzoeken daartoe, niet direct overging tot het overdragen van de goederen. Door die handelwijze heeft eiser langere tijd de goederen onrechtmatig onder zich gehouden.

2.14 Ten aanzien van de Ivecobus ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat deze in 2005 aan eiser als privé-persoon zou zijn geschonken. Aan de overgelegde – ongedateerde en niet eenduidige – verklaring van de Commandant, ondertekend door de adjudant-onderofficier [naam Z], kan niet die waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. In 2005 was eiser coördinator Jongerenteams en het is voldoende aannemelijk te achten dat de bus ten behoeve van de Jongerenteams is geschonken en niet aan eiser in persoon voor privé-gebruik. Dit volgt ook uit hetgeen nadien door de heer [naam Z] is verklaard. [naam Z] heeft er daarbij op gewezen dat volgens het beleid van Defensie nooit goederen aan particulieren worden geschonken. Eiser heeft daar niets tegenover gesteld. De rechtbank acht eisers stelling voorts niet aannemelijk aangezien eiser de bus pas in februari 2008 heeft overgeschreven op zijn Stichting terwijl de bus daarvoor op naam stond van de politie, en hij ermee bekend was dat de vaste lasten met betrekking tot de bus werden voldaan door de politie.

2.15 De rechtbank acht aannemelijk dat aan verweerder als gevolg van eisers gedragingen imagoschade is berokkend. De relatie tussen de gedragingen en de werkzaamheden van eiser is bovendien gegeven. Van belang is verder dat eiser aanvankelijk bleef weigeren de goederen, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, over te dragen. Voorts kan de rechtbank verweerder volgen in diens standpunt dat eiser het noodzakelijke vertrouwen dat in een politieambtenaar moet kunnen worden gesteld door deze handelwijze heeft verspeeld.

2.16 De rechtbank is van oordeel dat voldoende vaststaat dat eiser zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. Deze gedragingen dienen als plichtsverzuim te worden aangemerkt.

2.17 De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan eiser dit plichtsverzuim niet ten volle kan worden toegerekend. Verweerder was dan ook bevoegd om verzoeker disciplinair te straffen.

2.18 Uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechterlijke toetsing van een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf vervolgens is gericht op de vraag of de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig is aan het plichtsverzuim.

2.19 Eiser heeft betoogd dat de strafmaatregel disproportioneel en onbegrijpelijk is en dat de consequenties van deze straf voor hem desastreus zijn.

Volgens verweerder is er geen ruimte voor een andere dan een onvoorwaardelijke straf. Eisers lange staat van dienst maakt dat niet anders. Verweerder heeft zijn waardering voor het werk van eiser steeds uitgesproken. Het in eiser gestelde vertrouwen is echter als gevolg van het plichtsverzuim te zeer beschadigd om hem een tweede kans te geven in de vorm van een lichtere dan wel voorwaardelijke strafoplegging.

2.20 De rechtbank acht het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van eiser binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Ook de langdurige staat van dienst van eiser doet niet af aan de conclusie van verweerder dat eiser het in hem te stellen vertrouwen heeft geschonden en zo aan het eigen aanzien en aan dat van de politiedienst schade heeft toegebracht. De integriteit van eiser als politieambtenaar, die onomstreden behoort te zijn, is op ernstige wijze in geding geraakt. Om die reden kan het belang van eiser om een minder zware disciplinaire straf te krijgen, niet doorslaggevend zijn en rechtvaardigen de verweten gedragingen, gezien de concrete omstandigheden, het gegeven strafontslag.

2.21 Eiser heeft voorts betoogd dat de feiten die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit al negen maanden bekend waren en dat om die reden het opleggen van een onvoorwaardelijk strafontslag zich niet verdraagt met het karakter van de straf dat onmiddellijk ingegrepen moet worden na een geconstateerd vergrijp.

2.22 De rechtbank volgt eisers betoog niet. Voor zover eiser daarmee bedoelt te betogen dat het onzorgvuldig is dat het negen maanden heeft geduurd alvorens verweerder zijn besluit tot strafoplegging heeft genomen, overweegt de rechtbank dat verweerder gehouden is juist in dergelijke zaken met vergaande persoonlijke gevolgen zorgvuldig onderzoek te doen om tot een gedegen besluitvorming te komen. Van onzorgvuldige besluitvorming is de rechtbank niet gebleken. Een dergelijk tijdsverloop staat evenmin in de weg aan het opleggen van een onvoorwaardelijke sanctie.

2.23 De stelling van eiser dat het besluit voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor de bevoegdheid is gecreëerd en dat daardoor sprake is van détournement de pouvoir, vindt geen steun in de stukken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staan de verweten gedragingen voldoende vast om tot vaststelling van plichtsverzuim te komen. Op geen enkele wijze heeft eiser aannemelijk kunnen maken dat het bestaan van een persoonlijk conflict de daadwerkelijke reden was voor het gegeven ontslag en niet de aan het plichtsverzuim ten grondslag gelegde gedragingen.

2.24 Op grond van het voorgaande luidt de conclusie dat het bestreden besluit stand houdt. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, als voorzitter, en mr. M.N. Noorman en

J.R. van Es-de Vries, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2011.

De griffier: De voorzitter:

mr. M.S.D. de Weerd mr. J.M. Willems

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.