Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ2843

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
16-120457-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [verdachte] met twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/120457-02

Datum uitspraak: 1 februari 2011

Beslissing op de vordering tot verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 11 november 2010, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 11 november 2010, strekkende tot verlenging met twee jaren van de termijn van de terbeschikkingstelling van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

thans verblijvende in de Forensische Psychiatrische Kliniek Inforsa te Amsterdam;

1. De stukken.

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

- een afschrift van het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 18 april 2005, waarbij [verdachte] ter beschikking werd gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege, welke terbeschikkingstelling is ingegaan op 12 december 2006;

- de beslissing van deze rechtbank van 17 december 2008, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling laatstelijk is verlengd voor de duur van twee jaren, welke beslissing door het Gerechtshof te Arnhem op 24 november 2009 is bevestigd;

- de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van

[verdachte] over de periode 1 december 2008 tot en met 12 oktober 2009;

- de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van

[verdachte] over de periode 25 juli 2009 tot en met 3 september 2010;

- het rapport van de Forensische Psychiatrische Kliniek Inforsa d.d. 12 oktober 2010, opgemaakt door drs. M. van Kessel (GZ-psycholoog), I. van Outheusden (clustermanager behandelzaken en plaatsvervangend hoofd inrichting en waarnemend geneesheer-directeur) en H. Spitsbergen (directeur behandelzaken/Business Unit Hoogintensief/directeur van de Inrichting) waarin het advies van de zijde van de inrichting is vermeld, te weten een verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaren.

2. De procesgang

De rechtbank heeft acht geslagen op het vonnis van deze rechtbank d.d. 12 november 2003 waarbij [verdachte] onder meer ter beschikking werd gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege omdat de terbeschikkinggestelde heeft gepoogd iemand met een vuurwapen van het leven te beroven. De terbeschikkingstelling is ingegaan op

12 december 2006. Op 11 oktober 2007 is de heer [verdachte] opgenomen in het huidige FPK Inforsa.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 18 januari 2011 is de officier van justitie gehoord. Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman

E. Boskma, advocaat te Alkmaar. Voorts is de getuige-deskundige de heer

I. van Outheusden, werkzaam bij de FPK Inforsa voornoemd, gehoord.

3. Het standpunt van de inrichting

De rechtbank heeft kennis genomen van het standpunt van de getuige-deskundige, de heer

I. van Outheusden. De getuige-deskundige heeft het rapport d.d. 12 oktober 2010 en het advies van de inrichting toegelicht.

Kernproblematiek

De terbeschikkinggestelde is volgens de in het rapport omschreven kernproblematiek een

45-jarige man bij wie aanvankelijk de diagnose schizofrenie gesteld is. In het psychologische onderzoek afgenomen in december 2008 kwam naar voren dat hoogstwaarschijnlijk geen sprake is van schizofrenie, maar van een persoonlijkheidsstoornis NAO. Er zou gesproken kunnen worden van een ‘as-if borderline persoonlijkheidsorganisatie’ met vroeg narcisme. Bij deze organisatie is er sprake van onderliggende kwetsbaarheid en impulsiviteit, maar een (in dit geval narcistisch gekleurde) presentie naar de buitenwereld alsof alles altijd onder controle is. Bij hoogoplopende stress kan de terbeschikkinggestelde decompenseren in de vorm van agressieve impulsdoorbraken en/of psychotische symptomen.

Het huidige beleid is er op gericht betrokkene langere tijd psychiatrisch stabiel te houden om vervolgens vanuit een stabiel toestandsbeeld opnieuw persoonlijkheidsonderzoek te doen. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan een onafhankelijk en extern expertise onderzoek. Bij het verbleken van de laatste psychose, blijft een postpsychotische leegte over, worden er denkstoornissen (in de vorm van concretismen) en negatieve symptomen geobserveerd. Dit zijn allen symptomen passend bij schizofrenie. Ook lijkt er sprake van een stabiel maar rigide waansysteem teruggaande tot de kindertijd welke in de komende periode, mede gezien de hernieuwde contacten met de moeder van betrokkene, nader onderzocht en waar mogelijk gefalsificeerd zouden kunnen worden.

Het behandelverloop

Met betrekking tot het behandelverloop sinds de vorige zitting heeft de getuige-deskundige, de heer I. van Outheusden, opgemerkt dat de terbeschikkinggestelde .

In november 2009 wordt een floride psychotisch toestandsbeeld vastgesteld nadat betrokkene zich agressief heeft uitgelaten naar de psycholoog die hem Cognitieve Gedrags Therapie geeft.

Duidelijk wordt dat betrokkene reeds sinds juli 2009 geen medicatie meer gebruikt. Betrokkene heeft zich, binnen de structuur en regelmaat van de kliniek, staande weten te houden. Waarschijnlijk is zijn hoger beroep zitting en de daardoor ervaren stress, een luxerende factor geweest in de decompensatie. Betrokkene herkent de mening van het behandelteam niet, geeft aan geen medicatie nodig te hebben en zich niet in de psychotische symptomen te herkennen. Dit gebrek aan ziekte-inzicht leidt tot zeer beperkte aansluiting bij de door het behandelteam geformuleerde doelen.

Er wordt besloten medicamenteuze dwangbehandeling aan te vragen die in januari 2010 is gestart. CGT wordt tijdelijk gestopt. Betrokkene staat eveneens afwerend tegenover psycho-educatie.

In de behandelplan bespreking van maart 2010 wordt vastgesteld dat er niet langer sprake is van een psychotisch toestandsbeeld. Dwangmedicatie is begin maart gestaakt. Betrokkene neemt vanaf dat moment vrijwillig zijn depotmedicatie.

De cursus psycho-educatie wordt gevolgd. Hoewel betrokkene hier na verloop van tijd een actievere rol speelt, is van groeiend ziekte-inzicht geen sprake. Er wordt besloten CGT te herstarten met als foci de modules delictanalyse en recidivepreventie. Duidelijk wordt dat angst en krenking belangrijke factoren zijn geweest die bijgedragen hebben aan het ontstaan van het delict. Pas als het doel van de delictanalyse wordt geherformuleerd waarbij het aspect ‘schuld bekennen’ minder centraal staat, is betrokkene bereid meer zijn eigen aandeel te overwegen en bekijken.

In iuli/augustus 2010 lijkt betrokkene wisselend te slagen in een meer actieve dagbesteding. Hij maakt meer gebruik van zijn begeleide vrijheden naar onder ander Amsterdam en Utrecht. Naast zijn CGT en de Cliëntenraad, is de afgelopen periode aandacht geweest voor het contact met zijn ouders, met name moeder. Hoogtepunt hierin was een bezoek van zijn moeder onlangs aan de kliniek. Dit voorzichtige contactherstel heeft betrokkene goed gedaan. In september 2010 is betrokkene gestart met het schrijven van een aanvraag voor onbegeleid verlof. Binnen de nu aangeboden structuur van de afdeling en de verloven is een voorzichtig positieve ontwikkeling waarneembaar met betrekking tot bereidheid tot reflectie en inzet voor behandeling. Deze trend dient nog meer gestabiliseerd en gecontinueerd te worden, waarbij onbegeleid verlof een stimulans, alsook een middel om op een stapsgewijze en verantwoorde manier een mogelijke uitdaging van het aangeleerde zou kunnen zijn.

Het behandeldoel

De behandeling van betrokkene heeft het afgelopen jaar met name in het teken gestaan van

stabilisatie van het psychotisch toestandsbeeld en behandelen van de postpsychotische leegte door middel van depotmedicatie en aandacht voor ritme, structuur en een actieve dagindeling. Langzamerhand tekent zich een begin van ziektebesef af bij betrokkene. Een en ander lijkt recentelijk een voorzichtig positieve trend te vertonen, waarbij gebrekkig ziekte-inzicht, intrinsieke motivatie en krenkingsgevoeligheid zeer belangrijke aandachtspunten zijn in de behandeling en de komende periode voortdurend aandacht zullen behoeven. Betrokkene heeft voor wat dit betreft nog een lange weg te gaan, waarin met het aanvragen van onbegeleid verlof een voorzichtige eerste stap wordt gemaakt. Heroriënteren op resocialiseren buiten de kliniek en alle facetten die daarbij komen kijken, staan hiermee nog in de kinderschoenen.

Risicotaxatie

De risicotaxatie is gedaan aan de hand van de HKT-30 en is gedateerd op oktober 2009.

Het risico op recidive vrij in de maatschappij wordt op hoog ingeschat. Er is nog niets geregeld voor betrokkene voor een verblijf vrij in de maatschappij (huisvesting, dagbesteding, financiën). Daarnaast rijst de vraag of betrokkene zich aan afspraken zal houden. Betrokkene heeft een zeer beperkt ziekte-inzicht en besef en is nog steeds van mening geen medicatie nodig te hebben. Vrij in de maatschappij zal betrokkene waarschijnlijk stoppen met de inname van medicatie. Zonder een dwingend zorgkader en bij afwezigheid van een adequaat functionerend sociaal netwerk is de kans reëel dat hij, met zijn gebrekkige vaardigheden, onder toename van spanning opnieuw psychotisch decompenseert.

Het recidiverisico in het kader van onbegeleid verlof wordt ingeschat op een laag tot matig risico. Binnen de kliniek houdt betrokkene zich momenteel aan de afspraken. Afgelopen jaar heeft betrokkene nog een langere periode gesmokkeld met zijn medicatie. Momenteel krijgt betrokkene een depot. Hij werkt hier aan mee omdat hij weet dat hij op deze manier eerder onbegeleid verlof kan krijgen. Met de structuur en begeleiding vanuit de kliniek is het risico op recidive laag te noemen. Mocht het depot vervangen worden door orale medicatie, dan zal er een matig risico zijn. Betrokkene zal mogelijk opnieuw stoppen met medicatie, waardoor er een grotere kans bestaat op psychotische decompensatie. Tevens is het onduidelijk hoe betrokkene met onbegeleid verlof om gaat met de verleidingen van middelengebruik. Betrokkene is binnen de kliniek al langere tijd niet positief bevonden op middelen. Wel heeft hij aangegeven geen risico te zien in het gebruik van cannabis.

4. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting haar vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren gehandhaafd.

5. Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde [verdachte] geeft aan het eens te zijn met de verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaren. [verdachte] verklaart dat er nog ontwikkelingen zullen plaatsvinden die maken dat de terbeschikkingstelling later niet meer verlengd hoeft te worden. Tevens moet het onbegeleid verlof nog van start gaan. [verdachte] geeft wel aan liever een verlenging voor de duur van één jaar opgelegd te krijgen. Hij is van mening dat er dan ten aanzien van zijn behandeling meer druk op de inrichting wordt gelegd.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde verzoekt de rechtbank de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen. Hij is van mening dat dit als een beloning voor [verdachte] gezien kan worden, gelet op de vooruitgang die hij reeds heeft geboekt. Tevens kan na één jaar duidelijker gesteld worden hoe er verder gegaan dient te worden en hoe het traject er dan uit dient te zien.

6. De beoordeling

Uit het voormelde vonnis van de rechtbank van 12 november 2003 blijkt dat de terbeschikkinggestelde heeft gepoogd iemand van het leven te beroven. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen en in het bijzonder gelet op het recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist dat de terbeschikkingstelling met verpleging van [verdachte] wordt verlengd.

Uit het advies van de Forensische Psychiatrische Kliniek d.d. 12 oktober 2010, dat nader is toegelicht door de getuige-deskundige de heer I. van Outheusden ter terechtzitting blijkt dat de terbeschikkinggestelde in het afgelopen jaar vooruitgang heeft geboekt in zijn behandeling, zo heeft hij met goed gevolg de CGT afgerond en werkt hij sinds maart 2010 mee aan de depotmedicatie. Maar een verder behandeltraject zal moeten uitwijzen in hoeverre de terbeschikkinggestelde er in zal slagen het geleerde te internaliseren.

Gelet op de aard van de problematiek waar de terbeschikkinggestelde mee te kampen heeft en de noodzaak om hem nog een langdurige begeleiding te bieden en een onbegeleid verlofkader nog moet starten, dient naar het oordeel van de rechtbank de terbeschikkingstelling met twee jaren te worden verlengd.

De rechtbank overweegt tot slot dat het een doorbraak lijkt te zijn dat momenteel bij [verdachte] enig ziektebesef aanwezig lijkt te zijn. Door de vooruitgang die in de behandeling is geboekt, heeft [verdachte] zijn perspectieven vergroot. Desondanks zullen de stappen die in de behandeling en begeleiding nog te gaan zijn, niet in een jaar kunnen worden gezet. Daarom stemt de rechtbank niet in met het voorstel van de terbeschikkinggestelde om de termijn van de TBS te verlengen met één jaar

7. Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht

De beslissing.

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [verdachte] met twee jaren.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.C. Oostendorp, voorzitter, J.E. Kruijff-Bronsing en L.E. Verschoor-Bergsma, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. P. Groot-Smits en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 februari 2011.