Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ2839

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
16-600736-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verdachte is veroordeelt voor onder andere zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600736-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Flevoland – HvB Almere Binnen, Almere

raadsman mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 januari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 22 juli 2010 geprobeerd heeft [aangever 1] te doden door haar tegen het lichaam te stompen en te stampen, danwel [aangever 1] (zwaar) verwond heeft door deze misdragingen.

feit 2: op 22 juli 2010 [aangever 2] verwond heeft door haar tegen het lichaam te slaan.

feit 3: op 30 april 2010 geprobeerd heeft [aangever 3] zwaar te verwonden door haar tegen het lichaam te stompen en te trappen, danwel haar (zijn levensgezel) verwond heeft door deze misdragingen.

feit 4: op 30 april 2010 [aangever 4] verwond heeft door haar tegen het lichaam te stompen of te schoppen.

feit 5: op 3 juni 2010 [aangever 5] op straat van haar tas heeft beroofd waarbij hij [aangever 5] tegen haar hoofd heeft gestompt.

3. De voorvragen

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er derhalve geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 heeft begaan en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 primair baseert de officier van justitie zich op de aangifte van [aangever 1], de geneeskundige verklaring, de foto’s van het letsel, de verklaring van getuige [aangever 2] en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, waarin hij erkent aan [aangever 1] een vuistslag gegeven te hebben.

Ten aanzien van zowel feit 2, feit 3 primair als feit 4 baseert de officier van justitie zich op de aangifte van het slachtoffer, de geneeskundige verklaring en de foto’s van het letsel.

Ten aanzien van feit 5 baseert de officier van justitie zich op de aangifte van [aangever 5], de camerabeelden van het misdrijf, de geneeskundige verklaring en de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1 (meer) subsidiair, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 5 en verzoekt de rechtbank verdachte voor het overige vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 1 is de raadsman van mening dat er slechts bewijs is voor het eerste en tweede gedachtenstreepje. Om die reden dient vrijspraak voor het primaire te volgen.

Ten aanzien van feit 2 verzoekt de raadsman vrij te spreken van het slaan en stompen tegen het lichaam. Hij refereert zich ten aanzien van het bewijs betreffende het slaan tegen het hoofd.

Ten aanzien van feit 3 verzoekt de raadsman vrijspraak van het primair tenlastegelegde wegens gebrek aan bewijs. De raadsman vindt de geneeskundige verklaring onvoldoende duidelijk en de verklaringen van [aangever 3] en [aangever 4] onvoldoende betrouwbaar. Hij refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde onder 3, maar met het wegstrepen van het ‘ten val brengen en het trappen danwel schoppen tegen het lichaam’.

Ten aanzien van feit 4 stelt de raadsman dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Verdachte ontkent herhaaldelijk [aangever 4] geslagen te hebben en de enige getuige, [aangever 3], heeft een de auditu verklaring afgelegd, maar zij heeft zelf niets waargenomen. De letselverklaring komt volgens de raadsman ook niet overeen met de aangifte van [aangever 4].

Ten aanzien van feit 5 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 1 onvoldoende wettig bewijs aanwezig is dat verdachte slachtoffer De [aangever 1] naast een krachtige stomp ook nog ten val heeft gebracht, geschopt/getrapt heeft of op het lichaam van De [aangever 1] gestampt heeft.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair heeft begaan en zal hem dan ook van dit onderdeel vrijspreken.

De rechtbank acht daarentegen wel feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij gelet op de volgende bewijsmiddelen.

[aangever 1] verklaart in haar aangifte het volgende: “Op 22 juli 2010 had ik samen met een vriendin, [aangever 2], in Utrecht afgesproken. Ik weet nog dat we bij de woning van [verdachte] aangebeld hebben. Wat er daarna is gebeurd weet ik niet meer, ik weet alleen dat ik in het St. Antonius ziekenhuis wakker ben geworden met een gebroken linkeroogkas, en dat [verdachte] de laatste persoon is geweest die ik heb gezien en gesproken voordat ik in het ziekenhuis wakker werd. Als het goed is word ik 26 juli 2010 geopereerd aan mijn linkeroog.”

De vriendin van aangeefster, [aangever 2], heeft over het voorval het volgende bij de politie verklaard: “Ik zag dat [verdachte] met gebalde vuist een harde klap gaf tegen het hoofd van [aangever 1]. Ik zag dat [aangever 1] op de grond viel. Ik zag dat [aangever 1]’s hoofd direct blauw en paars werd.”

Vervolgens is [aangever 1] in het ziekenhuis onderzocht. De arts heeft in de geneeskundige verklaring opgetekend dat [aangever 1] een breuk van de oogkas heeft en een hersenschudding. Voorts schat de arts in dat genezing een aantal weken zal gaan duren.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, kan worden afgeleid dat [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring spreekt van een breuk van de oogkans. De rechtbank stelt vast dat [aangever 1] door haar letsel haar normale bezigheden gedurende enkele weken niet heeft kunnen verrichten en dat zij is geopereerd aan haar oogkas op 28 juli 2010. Aldus is er nader medisch ingrijpen nodig geweest. Daaraan doet niet af dat de opgemaakte geneeskundige verklaring op zichzelf geen mededelingen bevat omtrent de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Tot slot bezigt de rechtbank de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, voor het bewijs dat hij feit 1 subsidiair heeft gepleegd.

Verdachte heeft namelijk verklaard: “Op 22 juli 2010 heb ik [aangever 1] één klap met mijn vuist gegeven. Ik zag dat zij op het voorstapje van een busje viel.”

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 18 januari 2011;

- de aangifte van [aangever 2].

Ten aanzien van feit 3 komt de rechtbank tot een vrijspraak voor wat betreft het primair ten laste gelegde. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende wettig bewijs voor een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht feit 3 subsidiair wel wettig en overtuigend bewezen en bezigt daarvoor de volgende bewijsmiddelen.

De vriendin van het slachtoffer, [aangever 4], heeft in haar aangifte het volgende verklaard: “Op 30 april 2010 was ik met [aangever 3] [[aangever 3]] in Utrecht. Ik zag dat [verdachte] zijn hand tot een vuist maakte. Ik zag dat hij met deze gebalde vuist echt hard op het gezicht van [aangever 3] sloeg. Hierop zag ik dat hij [aangever 3] op haar boven- en onderbenen begon te schoppen. Ik zag dat hij haar zeker tot drie maal toe op haar benen had geschopt.”

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van [aangever 4] onbetrouwbaar is, nu zij tevens verklaard heeft dat zij verdachte nooit heeft gemogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om wegens deze reden aan de verklaring van [aangever 4] te twijfelen.

Voorts heeft de rechtbank gelet op de aangifte van [aangever 3]. Zij verklaart: “Ik zag dat [verdachte] mij met opzet en met kracht in mijn gezicht sloeg. [aangever 4] stond op dat moment bij mij en heeft het gezien.”

[aangever 3] is vervolgens bij de arts geweest waarna door de arts een geneeskundige verklaring is opgemaakt. Hierin wordt gesteld dat [aangever 3] een kneuzing en drukpijn aan de onderkaak heeft.

De raadsman heeft betoogd dat het lijkt alsof [aangever 3] zich alleen telefonisch heeft gemeld bij de arts. De rechtbank leest de geneeskundige verklaring anders. In de laatste zin van de eerste alinea op pagina 106 staat: ‘(Aan de hand van de vermelde verrichtingen kunt u de aard van het contact opmaken)’.

Vervolgens staat er achter de letters S (Subjectief), O (Objectief), E (Evaluatie) en P (Plan) informatie en wie die informatie genoteerd heeft. Achter de letter S staat dat [naam] (ABM) telefonisch contact heeft gehad met [aangever 3]. [naam] (KLM) de arts heeft vervolgens een aanvulling gemaakt en de overige elementen aangevuld. De rechtbank gaat er gelet op het vorenstaande vanuit dat de constateringen die achter de elementen O, E en P staan, niet uit het eerder genoemde telefonisch gesprek zijn opgemaakt, maar dat [aangever 3] bij de arts is langs geweest. Ter ondersteuning van deze conclusie noemt de rechtbank de aangifte van [aangever 4] op pagina 109 waarin zij zegt dat zij naar de huisartsenpost is gegaan alwaar bij haar een hersenschudding is geconstateerd en bij [aangever 3] een gekneusde kaak is geconstateerd.

Ten aanzien van feit 4 komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen navolgende bewijsmiddelen.

Het slachtoffer [aangever 4] verklaart in haar aangifte: “Vervolgens begon [verdachte] met zijn gebalde vuisten op mijn hoofd te slaan. Ik voelde dat ik met kracht op mijn hoofd werd geraakt. Ik voelde meteen hevige hoofdpijn. [verdachte] heeft mij twee maal met zijn vuisten op mijn hoofd geslagen. Ik ben naar de huisartsenpost gegaan om naar mijn letsel te laten nakijken. Daar werd door een huisarts geconstateerd dat ik een hersenschudding had opgelopen en dat [aangever 3] een licht gekneusde kaak had opgelopen.”

De geneeskundige verklaring omtrent het letsel van [aangever 4] is door een arts opgenomen en vermeldt dat [aangever 4] een hersenschudding heeft.

De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 18 januari 2011 ;

- de aangifte van [aangever 5].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op of omstreeks 22 juli 2010 te Utrecht aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk van de oogkas ), heeft toegebracht, door voornoemde [aangever 1] opzettelijk met gebalde vuist en met kracht tegen het hoofd te slaan ten gevolge waarvan die de [aangever 1] ten val is gekomen;

2.

hij op of omstreeks 22 juli 2010 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 2] met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [aangever 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

Subsidiair

hij op 30 april 2010 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 3],

- met kracht tegen het hoofd heeft gestompt en

- meerdere malen tegen het lichaam van die [aangever 3] heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 4] meerdere malen met gebalde vuist tegen het hoofd heeft geslagen waardoor voornoemde [aangever 4] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op 3 juni 2010 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met daarin een portemonnee en rijbewijs en 2 bankpassen), toebehorende aan [aangever 5], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [aangever 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met gebalde vuist en met kracht tegen het hoofd van die [aangever 5] heeft geslagen en ten gevolge waarvan die [aangever 5] ten val is gekomen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

T.a.v. feit 1 subsidiair: zware mishandeling

T.a.v. feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4: telkens: mishandeling

T.a.v. feit 5: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een psychiatrisch rapport uitgebracht door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). In zijn rapportage d.d. 7 januari 2011 staat dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van een vorm van autisme (PDD NOS), vermoedelijk ADD (Attention Deficit Disorder) en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een (zich ontwikkelende) persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Ten tijde van het plegen van de vijf ten laste gelegde feiten leed verdachte aan deze ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens. Op grond hiervan wordt door de deskundige geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich na vrijlating binnen vijf dagen meldt bij Reclassering Nederland en zich houdt aan de voorwaarden van deze instelling, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag of het Leo Kannerhuis of een soortgelijke instelling.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de eis van de officier van justitie buitensporig hoog is. De raadsman voert aan dat verdachte nog jong is, geen strafblad heeft en zich bewust is van zijn schuld. Verdachte wil graag werken aan zichzelf en gedurende de detentie is dit onvoldoende mogelijk. Tevens voert de raadsman aan dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van de gepleegde delicten en dat hier met het opleggen van een straf rekening mee gehouden dient te worden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan is de rechtbank van oordeel dat verdachte tegen de vijf vrouwelijke slachtoffers buitensporig geweld heeft gebruikt. Verdachte heeft ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 telkens een woordenwisseling in geweld laten escaleren en heeft hierdoor niet alleen letsel en pijn aan de slachtoffers toegebracht, maar ook een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefsters. Ten aanzien van feit 5 heeft verdachte een straatroof gepleegd. Verdachte heeft op straat een vrouw van haar tas beroofd, waarbij deze vrouw letsel heeft opgelopen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zonder scrupules een dergelijk ernstig feit heeft gepleegd. Bovendien houdt de rechtbank er ten nadele van verdachte rekening mee dat het feit zich heeft afgespeeld op de openbare weg. Dit soort gedrag zorgt voor een zeer onveilig gevoel bij omwonenden, voorbijgangers en uiteraard ook bij de slachtoffers van zulk geweld.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel van zijn justitiële documentatie van 23 juli 2010. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, gediagnosticeerd met een vorm van autisme, minder dan een gemiddeld persoon in staat is om op een goede manier om te gaan met tegenslagen die hij in de periode voor de ten laste gelegde feiten heeft meegemaakt.

Teneinde in de toekomst dit soort ontsporingen zoveel mogelijk te voorkomen, acht de rechtbank een verplicht reclasseringstoezicht aangewezen, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Waag, het Leo Kannerhuis of een soortgelijke instelling.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair, feit 4 en feit 5.

Nu de rechtbank minder bewezen acht, namelijk een vrijspraak van feit 1 primair en feit 3 primair en de rechtbank in grotere mate rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn blanco strafblad, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 2.168,55 voor feit 1.

De officier heeft gevorderd een deel van de materiële schade, te weten € 10,- telefoonkosten, en een deel van de immateriële schade, te weten € 775,- toe te wijzen en het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De totale schade van € 885,-, dient volgens de officier van justitie opgelegd te worden met de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman refereert zich aan het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1050,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 50,- ter zake van materiële schade, te weten telefoonkosten, en € 1.000,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht de rechtbank tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 300, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 3 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

T.a.v. feit 1 subsidiair: zware mishandeling

T.a.v. feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4: telkens: mishandeling

T.a.v. feit 5: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dat inhoudt een behandeling bij De Waag of het Leo Kannerhuis, of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 1.050,-, waarvan € 50,- ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 22 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 1.050,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 februari 2011.