Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ1800

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
304916 / KG ZA 11-360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Huurder vordert opschorting ontruiming huurwoning. Huurder vindt dat verhuurder ‘geen in redelijkheid te respecteren belang’ heeft bij de ontruiming. Volgens de rechter is er van misslagen geen sprake. Daarnaast is er geen sprake van een noodsituatie. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 304916 / KG ZA 11-360

Vonnis in kort geding van 19 april 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te Utrecht,

eiser,

advocaat mr. M. Cortet,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

STICHTING MITROS,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow.

Partijen zullen hierna [eiser] en Mitros genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte overlegging producties van de zijde van [eiser];

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota met producties van Mitros.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] huurt van Mitros de woning aan de [adres] te Utrecht (hierna; de woning).

2.2. Mitros heeft bij kort geding dienende 7 maart 2011 de ontruiming van de woning gevorderd. Ter onderbouwing van deze vordering heeft Mitros gesteld dat [eiser] verantwoordelijk is voor de woonomgeving en voor de gedragingen van zijn kinderen. Mitros stelt dat [eiser] tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst jegens [eiser] doordat hij als huurder geen substantiële maatregelen treft tegen zijn overlast veroorzakende kinderen.

2.3. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 18 maart 2011 heeft de kantonrechter de vordering van Mitros toegewezen en [eiser] veroordeeld - samengevat - tot ontruiming van de woning. Dit vonnis zal hierna worden aangeduid als het ontruimingsvonnis. Mitros heeft het ontruimingsvonnis diezelfde dag aan [eiser] betekend en aangezegd dat de ontruiming plaats zal vinden op 20 april 2011 vanaf 9.30 uur.

2.4. [eiser] heeft het voornemen om appel in te stellen tegen het ontruimingsvonnis.

2.5. [eiser] heeft twee zonen [zoon 1] en [zoon 2]. [zoon 2] is onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg in Utrecht en opgenomen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Bij beslissing van 4 maart 2011 heeft de kinderrechter de machtiging om [zoon 2] tot opname en verblijf in de gesloten inrichting verlengd tot 21 mei 2011. [zoon 1] is gedetineerd geweest. Na zijn in vrijheidstelling op 12 april 2011 heeft de burgemeester van Utrecht aan hem zijn voornemen meegedeeld hem voor de duur van drie maanden een gebiedsverbod op te leggen voor het bij genoemde brief aangegeven gedeelte van de wijk Leidse Rijn.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis

- de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis per direct op te schorten en opgeschort te houden, tot door het gerechtshof Amsterdam (nevenzittingsplaats Arhnem) bij eindarrest zal zijn beslist op het door [eiser] in te stellen appel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat na betekening van dit vonnis daaraan niet wordt voldaan, met een maximum van € 50.000,00 en

- Mitros te veroordelen in de proceskosten.

3.2. Mitros voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2. [eiser] stelt dat de executie van het ontruimingsvonnis door Mitros misbruik van procesbevoegdheid oplevert, omdat er volgens hem sprake is van juridische en feitelijke misslagen in dit vonnis en omdat er sprake is van nieuwe feiten.

4.3. Volgens [eiser] is het oordeel van de kantonrechter dat Mitros een spoedeisend belang heeft bij haar vordering gebaseerd op een feitelijke misslag. [eiser] wijst er daartoe op dat zijn zoon [zoon 2] is aangewezen op een langdurige en intensieve behandeling en dat zijn zoon [zoon 1] op een ander adres is ingeschreven en ten tijde van het ontruimingsvonnis was gedetineerd.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Blijkens het ontruimingsvonnis was de kantonrechter bekend met het verblijf van [zoon 2] in een gesloten inrichting (tenminste) tot 21 mei 2011 en met de inschrijving van [zoon 1] op een ander adres en zijn detentie. De kantonrechter heeft op basis van die feiten geoordeeld. Van een klaarblijkelijk feitelijke misslag is derhalve geen sprake. Dat de kantonrechter op basis van de bestaande omstandigheden in de visie van Mitros een onjuiste conclusie heeft getrokken, staat ter beoordeling van de rechter in hoger beroep, maar kan, gelet op het hiervoor in 4.1 gegeven toetsingskader van een executeigeschil, niet leiden tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het door de kantonrechter gewezen ontruimingsvonnis.

4.5. De omstandigheid dat [zoon 1] thans niet meer is gedetineerd en dat de burgemeester van Utrecht het voornemen heeft hem een gebiedsverbod op te leggen voor het gedeelte van de wijk waar ook de woning van [eiser] is gelegen, is een na het ontruimingsvonnis opgekomen feit. Gesteld noch gebleken is echter dat deze omstandigheid tot gevolg heeft dat het ten uitvoerleggen van het ontruimingsvonnis zal leiden tot een noodtoestand bij [eiser]. Dit nieuwe feit kan dan ook evenmin leiden tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis omdat dit mede gelet op de beperkte duur van het gebiedsverbod onvoldoende zekerheid biedt dat [zoon 1] niet zal terugkeren in de woning. Een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden staat er bovendien minder aan in de weg dat [zoon 1] toch naar de woning terugkeert, dan de situatie van detentie waarin [zoon 1] zich ten tijde van het ontruimingsvonnis bevond.

4.6. [eiser] betoogt voorts dat er sprake is van een juridische misslag in het ontruimingsvonnis omdat de kantonrechter bij de beoordeling van de zaak een aanvullende productie van de zijde van Mitros heeft betrokken zonder dat [eiser] inhoudelijk verweer tegen deze productie heeft kunnen voeren. Hij stelt daartoe dat Mitros kort voor aanvang van de zitting een brief van 15 september 2010 van een aantal buurtbewoners heeft overgelegd, voorzien van een handtekeningenlijst. Volgens [eiser] heeft de kantonrechter zijn verzoek deze productie buiten beschouwing te laten toegewezen met de opmerking dat zij deze productie (nog) niet eens had ontvangen. Daarom heeft [eiser] ter zitting geen inhoudelijk verweer tegen deze brief gevoerd. Volgens [eiser] is het in artikel 6 van het EVRM neergelegde beginsel van hoor en wederhoor door deze gang van zaken geschonden.

4.7. Mitros heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken betwist en naar voren gebracht dat zij de productie ter zitting aan de kantonrechter heeft overhandigd. Volgens Mitros is de brief van 15 september 2010 vervolgens inhoudelijk behandeld.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Partijen verschillen van mening over de vraag of de kantonrechter heeft toegezegd deze aanvullende productie buiten beschouwing te laten, dan wel dat deze productie ter zitting inhoudelijk is behandeld. De aantekeningen van de mondelinge behandeling noch het ontruimingsvonnis biedt een aanknopingspunt voor de stelling van [eiser] dat de kantonrechter zijn verzoek om de brief buiten beschouwing te laten heeft gehonoreerd. Uit de tekst van de aantekeningen van de mondelinge behandeling waar mr. Tomlow op pagina 4 als volgt wordt aangehaald: “(…) Ik heb hier een verklaring van de buurtbewoners van september 2010 en daar hebben ze ook hun naam bij gezet (..)”, kan daarentegen worden afgeleid dat de brief inhoudelijk aan de orde is geweest. Onder deze omstandigheden is hetgeen [eiser] heeft aangevoerd onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische misslag door de kantonrechter die de schorsing van het vonnis van de kantonrechter kan rechtvaardigen.

4.9. [eiser] heeft medische gegevens overgelegd waarover de kantonrechter ten tijde van het wijzen van het ontruimingsvonnis volgens hem niet beschikte. Uit deze gegevens blijkt volgens [eiser] dat zijn psychosociale omstandigheden van dien aard zijn dat het aannemelijk is dat executie van het ontruimingsvonnis hem ernstige zal schaden.

4.10. De medische stukken betreffen:

- een rapport 10 april 2009, van D. van Duren psycholoog, opgesteld in het kader van de beoordeling van belastbaarheid van [eiser] voor werk,

- brieven van 28 mei 2010, 29 september 2010 en 25 januari 2011 en de neuroloog J.I. Hoff, werkzaam bij het Sint Antonius ziekenhuis en

- een brief van 28 februari 2011 van NOAGG, het centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg.

Zoals ook Mitros naar voren heeft gebracht, betreffen deze medische gegevens de medische en psychische toestand van [eiser] vóór de datum van het ontruimingsvonnis. De omstandigheid dat de gemachtigde van [eiser] de brief van 28 februari 2011 van NOAGG pas op 9 maart 2011, dus na de zitting bij de kantonrechter van 7 maart 2011 heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Uit deze brief blijkt dat [eiser] reeds sinds 23 oktober 2010 bij NOAGG onder behandeling is. Deze brief bevat geen feiten die hij niet reeds ten tijde van de behandeling van de ontruimingszaak bij de kantonrechter naar voren had kunnen brengen en deels ook daadwerkelijk naar voren heeft gebracht.

4.11. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van na het vonnis van de kantonrechter voorgevallen of aan het licht gekomen (medische en psychosociale) feiten die kunnen leiden tot de conclusie dat de ontruiming bij [eiser] een noodtoestand te weeg zal brengen

4.12. Hetgeen [eiser] voor het overige naar voren heeft gebracht zijn argumenten die hij reeds ten tijde van de ontruimingsprocedure bij de kantonrechter naar voren heeft gebracht of destijds naar voren had kunnen brengen.

4.13. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis zal worden afgewezen, omdat in deze procedure onvoldoende aannemelijk is geworden dat de tenuitvoerlegging van het vonnis door Mitros misbruik van recht oplevert.

4.14. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Mitros worden begroot op:

- vast recht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Mitros tot op heden begroot op EUR 1.384,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2011.?