Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ1731

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
303017/HA RK 11-105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer politierechter. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer/rekestnummer: 303017/HA RK 11-105

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

19 april 2011

in de zaak van

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

raadsman: mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht,

hierna te noemen: verzoeker,

tegen

mr. [politierechter],

politierechter in de sector strafrecht van de rechtbank Utrecht,

hierna te noemen: de politierechter

1. De procedure

1.1 Ter zitting van 3 maart 2011 heeft de politierechter de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder parketnummer 16/158793-10 behandeld.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker namens deze de politierechter gewraakt. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.2 Het wrakingsverzoek is behandeld op de openbare terechtzitting van 5 april 2011. Daarbij waren mr. Vingerling en de politierechter aanwezig. De officier van justitie is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

1.3 Op de zitting heeft de raadsman het standpunt van verzoeker mondeling toegelicht. De politierechter wier wraking is verzocht is in de gelegenheid gesteld haar standpunt toe te lichten. Vervolgens is de uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Verzoeker is wegens verdenking van bedreiging gedagvaard voor de zitting van de politierechter van 3 maart 2011.

2.2 De raadsman van verzoeker heeft tijdens de zitting primair verzocht om verzoeker vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Voor zover de politierechter van oordeel mocht zijn dat er aan de verklaring van de aangever en zijn vriendin meer waarde moet worden gehecht dan aan de verklaring van verzoeker, heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht om de vriendin van verzoeker als getuige te horen over hetgeen is voorgevallen.

Nadat de officier van justitie erop had gewezen dat een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige niet mogelijk is, heeft de raadsman verzocht om de vriendin van verzoeker als getuige te horen.

De politierechter heeft dit verzoek met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium afgewezen. Daarop heeft de raadsman namens verzoeker de politierechter gewraakt.

3. Het verzoek

3.1. De wrakingsgronden richten zich tegen de motivering van de beslissing van de politierechter om de vriendin van verzoeker niet als getuige te horen. De raadsman betoogt dat uit de afwijzing van het verzoek afgeleid kan worden dat de politierechter in deze zaak reeds een standpunt heeft ingenomen, waardoor niet langer van haar onpartijdigheid kan worden uitgegaan.

3.2. De politierechter heeft niet in het wrakingsverzoek berust.

4 De beoordeling

4.1. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.2. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en door het Europese Hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn, indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.4. De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker de persoonlijke instelling van de politierechter niet ter discussie heeft gesteld. Derhalve zal slechts onderzocht worden of er objectief bepaalde feiten en omstandigheden zijn die verzoeker grond geven te vrezen dat het de politierechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.5. De kern van het verzoek wordt gevormd door de afwijzing van de politierechter om de vriendin van verzoeker als getuige te horen. Blijkens het door de griffier opgestelde proces-verbaal heeft de politierechter het verzoek met toepassing van het noodzakelijkheids-criterium afgewezen.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze motivering niet worden aangenomen dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigd vermoeden dat de politierechter bij de (verdere) behandeling van de strafzaak van verzoeker niet onpartijdig zal zijn. Een beslissing om een getuige al dan niet te horen komt de politierechter toe. Het doel van de wraking is om partijen de mogelijkheid te bieden op te treden tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid. In de wrakingsprocedure kan niet worden opgekomen tegen onwelgevallige (proces)beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of zulke beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn. De wrakingskamer moet onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.7 Slechts indien de door de politierechter genomen beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring bestaat dan vooringenomenheid, kan aanleiding bestaan om bij de politierechter vooringenomenheid te vermoeden. Alleen in zodanig geval kan de wrakingskamer zich uitlaten over een beslissing om een getuige al dan niet te horen.

4.7 De wrakingskamer komt niet tot het oordeel dat de afwijzing van de politierechter om de vriendin van verzoeker te horen een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kon meebrengen. Niet is gebleken dat de politierechter door het afwijzen van dit verzoek om deze getuige te horen haar oordeel over verzoeker al had gevormd dan wel daarmee kenbaar heeft gemaakt. Uit deze afwijzing spreekt geen (schijn van) vooringenomenheid, temeer nu zowel een vrijspraak als een veroordeling door de politierechter nog uitgesproken zou kunnen worden. In de afwijzing is in ieder geval niet te lezen en ook overigens kan niet worden gezegd dat de politierechter met deze motivering te zeer is vooruitgelopen op een van de onderdelen van het eindvonnis.

4.8 Voorts heeft de raadsman van verzoeker de inhoud van het proces-verbaal bestreden en zich op het standpunt gesteld dat niet gesproken is over het door de politierechter toegepaste noodzakelijkheidscriterium.

In beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtsbelofte of op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. De omstandigheid dat het proces-verbaal een zakelijke weergave is van hetgeen met betrekking tot het noodzakelijkheidscriterium is gezegd, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. De wrakingskamer acht hierbij van belang dat de reactie van de officier van justitie steun geeft voor het standpunt dat het noodzakelijkheidscriterium, al dan niet in deze bewoordingen, daadwerkelijk aan de orde is geweest.

4.9 De conclusie van het bovenstaande is dat de wrakingskamer geen feiten of omstandigheden ziet waardoor de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is en de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 16/158793-10 zal worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek;

5.3. draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan de raadsman van verzoeker, de betrokken politierechter, de officier van justitie mr. M.A.J.M. Vuylsteke, de voorzitter van de sector Strafrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, voorzitter, mr. P. Bender en

mr. B.J. van Ettekoven, leden van de wrakingskamer, in aanwezigheid van mr. J.J. van Doorn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2011.

Mr. B.J. van Ettekoven is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.