Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ1137

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
16-710869-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vordering van de officier van justitie zal worden afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/710869-10 [P]

vonnis van de rechtbank d.d. 4 april 2011

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte]

geboren op [1969] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/710869-10 waaruit blijkt dat verdachte bij vonnis van heden door de rechtbank te Utrecht is veroordeeld terzake van – kort gezegd – handel in hennep, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

De vordering van de officier van justitie van 10 maart 2011 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 45.320,-.

2. De beoordeling

Dat verdachte in de periode van 21 januari 2010 tot en met 13 april 2010 in Nederland samen met anderen meermalen opzettelijk een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen in het vonnis van heden van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Utrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de veroordeelde door middel van, of uit baten van het hiervoor genoemde strafbare feit voordeel heeft verkregen, maar beoordeeld dient te worden of een reële schatting kan worden gemaakt van de hoogte van dat voordeel.

De officier van justitie heeft de hoogte van haar vordering gebaseerd op de berekening neergelegd in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Die berekening is gebaseerd op vier telefoongesprekken in de periode van 25 februari 2010 tot en met 22 maart 2010 waarin, zo geeft dit rapport aan, sprake is van de vermoedelijke verkoop door verdachte van 130, 350, 150 en 800 (totaal 1430) hennepstekjes. Die verkoop in die 26 dagen, tegen een inkoopprijs van € 1,41 en een verkoopprijs van € 2,85 per stekje, geëxtrapoleerd naar een periode van 572 dagen, brengt de officier van justitie tot een totaal voordeel van € 45.302,40.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze berekening onvoldoende onderbouwing worden gevonden voor de vordering als door de officier van justitie gedaan. Daargelaten het feit dat uit het overgelegde dossier geenszins blijkt dat verdachte in de betreffende periode daadwerkelijk de -als basis genomen- 1430 hennepplantjes heeft verkocht, laat staan wat hij daarmee zou hebben verdiend, is op geen enkele wijze onderbouwd waarom er vanuit wordt gegaan dat verdachte in de totale periode steeds een soortgelijke hoeveelheid hennep zou hebben verkocht en een zelfde hoeveelheid voordeel zou hebben genoten als in die bewuste 26 dagen.

Ook overigens vindt de rechtbank in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om de omvang van de hennephandel van verdachte te kunnen inschatten. noch om het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij daarmee heeft behaald, op enigszins reële wijze te kunnen inschatten.

De vordering van de officier van justitie zal dan ook worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering af.

Deze beslissing is gegeven door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. J. Ebbens en

mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2011.