Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ1119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
16-711441-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Voorwaardeljk opzet. Voorbedachte rade niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711441-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

Gedetineerd in PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein

raadsman mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is gezamenlijk doch niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (parketnummer: 16/711442-10) op de terechtzitting van 21 maart 2011. Bij deze behandeling hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. samen met een ander (met voorbedachten rade) heeft geprobeerd een of meer mensen die zich in een woning aan de [adres] te Utrecht bevonden van het leven te beroven. Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging zware mishandeling en meer subsidiair als bedreiging;

2. [benadeelde 1], [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] samen met een ander heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot het eerste ten laste gelegde feit acht de officier van justitie poging tot moord, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de afgelegde getuigenverklaringen van personen die zich op het moment van het schietincident in en nabij de woning bevonden, op de verklaringen van een drietal anonieme getuigen, op het proces-verbaal sporenonderzoek alsmede op het aanvullend proces-verbaal van de forensische opsporing. Door schuin omhoog te schieten in de richting van een woning waarin zich zichtbaar meerdere personen bevonden heeft verdachte zich, aldus de officier van justitie, willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij personen in die woning van het leven zou beroven. Tevens heeft verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Van het ten laste gelegde medeplegen dient verdachte, volgens de officier van justitie te worden vrijgesproken. Het tweede ten laste gelegde feit acht de officier van justitie, gelet op de afgelegde getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte ter zitting, eveneens wettig en overtuigend bewezen

4.2. Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De verdediging acht alleen het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen. De verdediging heeft daartoe gesteld dat verdachte weliswaar op 17 juni 2010 twee maal heeft geschoten, maar niet de opzet - ook niet de voorwaardelijke - heeft gehad een of meerdere personen in of bij de woning aan de [adres] te Utrecht te doden of te verwonden. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat verdachte een keer in de lucht heeft geschoten, om de in en bij de woning aanwezige personen af te schrikken, en vervolgens, om zijn bedreiging kracht bij te zetten, helemaal links in het raam van de “rommelkamer” heeft geschoten. Hij kon zien dat daar niemand stond. Daarbij dient bedacht te worden dat verdachte, volgens zijn eigen verklaring, een geoefend schutter is. Verdachte heeft uitsluitend geschoten om te bedreigen, niet om iemand te doden of te verwonden. Voor wat betreft het tweede ten laste gelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 17 juni 2010 is er omstreeks 21.25 uur bij de regionale meldkamer van de politie Utrecht een melding binnengekomen dat er op de [adres] te Utrecht, een schietincident had plaatsgevonden. De woning aan de [adres] betreft een maisonettewoning op de begane grond en de eerste etage: de woonkamer bevindt zich op de eerste etage. De woning wordt bewoond door de familie [benadeelde 1].

Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat zij kort voor en ten tijde van het schietincident in de woning aan de [adres] aanwezig waren en dat daarnaast in ieder geval nog [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en nog ongeveer 5 kinderen in woning aanwezig waren. [getuige 1] en [getuige 2] verklaren voorts dat zij vlak voordat op de woning werd geschoten samen met [betrokkene 2] op de bank zichtbaar voor het raam in de woonkamer zaten. Dat zich ten tijde van het schietincident meerdere mensen in de woning bevonden en kort voor het schietincident meerdere mensen voor het raam van de woonkamer zichtbaar waren, wordt bevestigd door een drietal getuigen die anoniem bij de politie een verklaring hebben afgelegd. Door de politie zijn kort na het schietincident 14 personen, waaronder 5 kinderen in de woning aangetroffen, die allen hevig overstuur waren.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 17 juni 2010 met een vuurwapen in zijn handen in de richting van de woning aan de [adres] is gelopen en met dat vuurwapen tweemaal heeft geschoten; één keer in de lucht en één keer door het raam van de kamer naast de woonkamer op de eerste verdieping. Dat verdachte op de ramen op de bovenverdieping van de woning heeft geschoten wordt bevestigd door de verklaringen afgelegd door de anonieme getuigen 1, 2 en 3 bij de rechter-commissaris. Zij hebben verdachte omschreven als de man met het lange haar c.q. staartje. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij destijds langer haar had en dat hij zijn haar op 17 juni 2010 mogelijk samengebonden had.

Op het trottoir ter hoogte van de woning [adres] zijn een patroon en een huls aangetroffen. In de “rommelkamer” op de eerste verdieping van de woning, gelegen direct naast de woonkamer, is een kogelgat aangetroffen en in de kamer lagen glassplinters. In een slaapzak, gelegen op een kast in deze kamer, is een kogel aangetroffen. Op een op 17 juni 2010 genomen foto is te zien dat in de lamellen, die voor het raam van de rommelkamer hingen, gaten zitten. Bij een aanvullend proces-verbaal van de forensische opsporing is een schematische tekening gevoegd. Hierop is aangegeven dat de kogel op een hoogte van 148 cm door de ruit van de rommelkamer is gegaan en in een slaapzak - gelegen op een kast ter hoogte van 193 cm op een afstand van 100 cm van het raam - terecht is gekomen. De kogel is op een afstand van 46 cm van de woonkamer door het raam van de naast gelegen kamer gegaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 juni 2010 door een ruit van de woning aan de [adres] te Utrecht heeft geschoten.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of verdachte de opzet had - door op deze woning te schieten - mensen in die woning van het leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de verklaring van verdachte en de verklaringen in het dossier niet worden geoordeeld dat verdachte doelbewust op bepaalde personen in de woning heeft geschoten. Dat betekent dat de rechtbank zich gesteld ziet voor de vraag of voorwaardelijk opzet bewezen kan worden, zoals door de officier van justitie is betoogd.

Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Geoordeeld wordt dat sprake is van voorwaardelijk opzet als hiervoor aangegeven. Door met een wapen naar een woning te gaan en vervolgens, terwijl in deze woning zichtbaar meerdere personen aanwezig zijn, op een raam van deze woning te schieten heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een of meerdere personen zou kunnen doden. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat er op het moment dat verdachte schoot ongeveer 10 personen, waaronder een aantal kinderen, in de woning aanwezig waren. De plaats waar de kogel door de ruit is gegaan is gelegen op minder dan 50 cm van de woonkamer, waar kort voordat verdachte schoot nog meerdere personen voor het raam zichtbaar waren. Gezien de geringe afstand tussen de woonkamer en de plek waar de kogel door de ruit is gegaan, was niet zonder meer uit te sluiten dat de kogel, hoewel mogelijk niet zo bedoeld door verdachte, door een ruit van de woonkamer was gegaan in plaats van door de ruit van de rommelkamer. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat verdachte - zoals hij ter zitting heeft gesteld - een geoefende schutter zou zijn. Bovendien, zo verdachte al een geoefend schutter zou zijn, dán nog kon hij -mede gelet op het aantal in de woning aanwezige personen waaronder kinderen- niet uitsluiten dat in de kamer waarop hij schoot personen aanwezig waren, nu zijn zicht op deze kamer door de lamellen die voor het raam hingen werd belemmerd. Deze lamellen zijn door het schot beschadigd.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank acht -gelet op alle omstandigheden- het niet onaannemelijk dat het schieten op de woning het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging van verdachte. Van dit onderdeel van de tenlastelegging spreekt de rechtbank verdachte dan ook vrij.

Voor medeplegen is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Feit 2

[benadeelde 1], geboren in 1942, heeft in zijn aangifte verklaard dat de grote man zijn pistool op hem richtte en dat hij hoorde dat de man iets tegen hem zei, maar dat hij niet meer weet wat.

Anonieme getuige 1 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de man met het staartje het pistool richtte op een oudere Marokkaanse man en tegen deze man zei dat hij hem dood zou maken. De anonieme getuige 3 heeft verklaard dat de man met het lange haar, voordat hij zijn pistool op de woning [adres] richtte, het pistool een fractie van een seconde op een oudere man richtte, die voor de woning stond.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het kan kloppen dat hij zijn pistool op de oudere man die voor de woning stond heeft gericht.

Gelet op de aangifte van [benadeelde 1], de verklaringen van de anonieme getuigen 1 en 3 alsmede de verklaring van verdachte ter zitting, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde voor wat betreft [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 2] en [benadeelde 3] met een vuurwapen heeft bedreigd. Weliswaar heeft verdachte ter zitting verklaard dat dat hij mogelijk deze personen ook met een vuurwapen heeft bedreigd, maar deze verklaring wordt niet door enige andere verklaring ondersteund. [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben verklaard dat niet verdachte, maar medeverdachte [medeverdachte 1], een vuurwapen op hen zou hebben gericht. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 17 juni 2010 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk:

- [betrokkene 2] en/of [benadeelde 1] en/of [getuige 2] en/of

- [benadeelde 5] en/of [benadeelde 4] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 1] en/of een of meer andere personen (die toen aldaar aanwezig waren in een woning gelegen aan de [adres]) van het leven te beroven,

met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde of hebbende hij, verdachte,

- met een vuurwapen naar die woning gegaan en

- met dat vuurwapen in de richting van die woning gerend/gelopen en

- met een vuurwapen op die woning en/of door een ruit van die woning geschoten (terwijl achter die ruit en/of in die kamer en/of in die woning voornoemde personen en/of een of meer andere personen aanwezig waren),

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Feit 2

hij op 17 juni 2010 te Utrecht [benadeelde 1] (die toen aldaar aanwezig was in de tuin en/of nabijheid van de woning gelegen aan de [adres]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- met een vuurwapen in de hand in de richting van die [benadeelde 1] gelopen en

- dat vuurwapens op [benadeelde 1] gericht gehouden en

- daarbij tegen die [benadeelde 1] geroepen: “je gaat er toch aan, jij gaat toch dood” of woorden van gelijke strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het opleggen van een lagere straf bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op een ruit van een woning geschoten, terwijl hij wist dat in die woning meerdere personen aanwezig waren. Het was verdachte op het moment dat hij schoot niet duidelijk waar deze personen zich bevonden en het was hem onbekend of iemand zich bevond in de kamer waarop hij schoot. Als gevolg hiervan hadden een of meerdere personen kunnen overlijden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden en dat er geen doden zijn gevallen. Daarnaast heeft verdachte [benadeelde 1] die voor de woning stond, met een vuurwapen alsmede woordelijk met de dood bedreigd. Dit handelen heeft bij de bij - en bij de in de woning aanwezige personen heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht. Dit blijkt wel uit de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van [getuige 1] die in de woning aanwezig was toen verdachte schoot. Bovendien draagt dergelijk handelen een zeer schokkend karakter voor de rechtsorde in het algemeen. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij door zijn handelen in grote mate heeft bijgedragen aan de groeiende gevoelens van onveiligheid die bestaan in de samenleving.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 oktober 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict alsmede voor bedreigingen.

Gelet op de ernst en de aard van de door verdachte gepleegde gedragingen is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, passend en geboden is. Gelet op de gevolgen voor de slachtoffers en de gevoelens van onveiligheid die dit soort feiten tot gevolg hebben, kan niets anders dan een gevangenisstraf van langere duur aan de orde zijn. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort misdrijven zich nog lange tijd in hun eigen omgeving onveilig voelen. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te hoog, nu de rechtbank geen poging tot moord bewezen acht. Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en zes maanden passend en geboden.

7. De benadeelde partijen

De benadeelde partij [getuige 1] vordert een schadevergoeding van € 1.670,--, betreffende immateriële schade voor feit 1. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. De verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [getuige 2] vordert een schadevergoeding van € 2.070,-- betreffende feit 1. Een bedrag van € 1.670,-- heeft betrekking op immateriële schade, een bedrag van € 400,-- heeft betrekking op reiskosten in verband met psychiatrische hulp. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, maar dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, nu dit bedrag niet aannemelijk is gemaakt. De verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [betrokkene 2] vordert een schadevergoeding van € 2.170,-- betreffende feit 1. Een bedrag van € 1.670, -- heeft betrekking op immateriële schade, een bedrag van € 500,-- heeft betrekking op reiskosten in verband met psychiatrische hulp. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, maar dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, nu dit bedrag niet aannemelijk is gemaakt. De verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 1.653,-- betreffende feit 2. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van

€ 500,--, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 1.653,-- betreffende feit 2. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van

€ 250,--, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van € 1.653,-- betreffende feit 2. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van

€ 250,--, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 5] vordert een schadevergoeding van € 1.920,-- betreffende feit 1. Een bedrag van € 1.670,-- heeft betrekking op immateriële schade, een bedrag van € 250,-- heeft betrekking op reiskosten in verband met psychiatrische hulp. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, maar dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, nu dit bedrag niet aannemelijk is gemaakt. De verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 250,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 6] vordert een schadevergoeding van € 1.670,-- betreffende feit 1. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 100,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 7] vordert een schadevergoeding van

€ 1.670,-- betreffende feit 1. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen. De verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen. De verdediging heeft er hierbij gewezen op de jonge leeftijd van deze benadeelde partij, hij was ten tijde van het gebeurde 2 jaar.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering nu deze gemotiveerd is betwist en de verdere behandeling van de vordering gelet op de complexiteit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 8] vordert een schadevergoeding van € 2.070,-- betreffende feit 1. Een bedrag van € 1.670,-- heeft betrekking op immateriële schade, een bedrag van € 400,-- heeft betrekking op reiskosten in verband met psychiatrische hulp. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, maar dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, nu dit bedrag niet aannemelijk is gemaakt. De verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 250,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [betrokkene 1] vordert een schadevergoeding van € 1.653,-- betreffende feit 1. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 250,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [betrokkene 3] vordert een schadevergoeding van € 1.653,-- betreffende feit 1. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 250,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [betrokkene 5] vordert een schadevergoeding van € 1.653,-- betreffende feit 1. Dit bedrag heeft betrekking op immateriële schade. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen, de verdediging heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 250,--, betreffende immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van alle benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren en zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan:

- de benadeelde partij [getuige 1] van € 500,--, ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [getuige 2] van € 500,--, ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [betrokkene 2] van € 500,--, ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 500,--, ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 250,--, ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 250,--, ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 250,--ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [benadeelde 6] van € 100,--ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [benadeelde 8] van € 250,--ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [betrokkene 1] van € 250,--ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [betrokkene 3] van € 250,--ter zake van immateriële schade;

- de benadeelde partij [betrokkene 5] van € 250,--ter zake van immateriële schade;

-veroordeelt verdachte in de kosten van deze benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart deze benadeelde partijen in het overige gedeelte van de vorderingen niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] niet ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [getuige 1], € 500,-- , subsidiair 10 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [getuige 2], € 500,-- , subsidiair 10 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [betrokkene 2], € 500,-- , subsidiair 10 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 1], € 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 2] € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 4], € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 5], € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 6], € 100,--, subsidiair 2 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 8], € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [betrokkene 1], € 250,-- subsidiair 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [betrokkene 3][benadeelde 1], € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [betrokkene 5], € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 april 2011.