Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0946

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
16/600043-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal, oplegging ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600043-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], aan de [adres],

thans gedetineerd te Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht,

raadsman mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair een tas heeft gestolen van [benadeelde];

subsidiair heeft geprobeerd een tas te stelen van [benadeelde].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiaire tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de beoordeling van het bewijs aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten

[getuige 1] (hierna: [getuige 1]) heeft verklaard dat hij zag dat verdachte op 11 januari 2011 in een klimhal te Nieuwegein uit een kast een tas pakte en vervolgens zijn richting op kwam gelopen. [getuige 1] wist dat deze tas van [benadeelde] was. [getuige 1] heeft tegen verdachte gezegd dat dit niet zijn tas was, waarop [getuige 1] de tas uit handen van verdachte heeft gepakt.

[getuige 2] (hierna: [getuige 2]) heeft verklaard dat hij zag dat [getuige 1] een man aansprak die een tas in zijn hand hield. Vervolgens zag hij dat [getuige 1] de tas van de man afpakte. [getuige 1] en [getuige 2] hebben verdachte aangehouden en overgedragen aan verbalisanten.

Aanvullende overwegingen

De rechtbank is van oordeel dat het op grond van genoemde bewijsmiddelen weliswaar mogelijk is dat de bewuste tas gedurende enkele ogenblikken in het bezit is geweest van verdachte, maar dit is dan gedurende een zodanig korte tijdspanne geweest, dat naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd kan worden dat verdachte als heer en meester over het weggenomen goed heeft beschikt. Derhalve is geen sprake van een voltooid delict, zodat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, te weten de poging tot diefstal van de tas.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair

op 11 januari 2011 te Nieuwegein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een tas, toebehorende aan [benadeelde], een tas uit een kast in een klimhal heeft gepakt, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

subsidiair: poging tot diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de ISD-maatregel niet opgelegd dient te worden. Verdachte heeft recent reeds twee jaren gedetineerd gezeten en zich verzet tegen de vormen van behandeling die hem daar worden aangeboden. Gebleken is dus dat langdurige detentie verdachte niet helpt. Het relatief beperkte belang van de zaak geeft aanleiding om in dit geval een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel zou aan voorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel kunnen worden gedacht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf dan wel maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in onderhavige zaak een poging tot diefstal van een tas bewezen verklaard. Daarmee heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen en belangen van anderen en zijn eigen belang voorop te stellen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de brief van de reclassering van 14 maart 2011 met retourzending van het rapportageverzoek;

- de reclasseringsrapporten van 15 september 2010 en 25 januari 2011, in welk laatstgenoemd rapport wordt geadviseerd, indien verdachte schuldig wordt bevonden, de ISD-maatregel op te leggen;

- het strafblad van verdachte van 11 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat hij in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit ten minste driemaal onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf wegens soortgelijke misdrijven, te weten op:

* 24 augustus 2010 door de Politierechter te Utrecht tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

* 29 augustus 2007 door de Politierechter te Utrecht tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken;

* 15 mei 2007 door de Politierechter te Utrecht tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten van artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Immers heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en het feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Uit de hiervoor aangehaalde reclasseringsrapporten en het strafblad van verdachte trekt de rechtbank de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 17 maart 2011 heeft de raadsman van verdachte uitleg gegeven over de oplegging van de ISD-maatregel door het gerechtshof Arnhem bij arrest van 24 november 2008, waarvan een en ander niet op de juiste wijze op het strafblad staat vermeld. Genoemd arrest is door de Hoge Raad vernietigd, waarna bij arrest van 17 januari 2011 aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden werd opgelegd. Uiteindelijk heeft verdachte derhalve geen ISD-maatregel opgelegd gekregen.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank thans de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale termijn van twee jaar opleggen. De veiligheid van goederen en personen eist het opleggen van de maatregel. De maatregel strekt voorts tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte.

Wel acht de rechtbank een tussentijdse toets van belang. Verdachte moet het uitzicht houden dat de ISD-maatregel niet alleen bedoeld is om de maatschappij te beschermen, maar ook om hem nu van zijn verslavingsprobleem te verlossen en hem een reële kans op een regulier leven te bieden. De rechtbank gelast een toetsmoment negen maanden na aanvang van de ISD-maatregel.

De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 45 en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: poging tot diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

- bepaalt dat het verloop van deze maatregel tussentijds dient te worden beoordeeld na negen maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Reitsma, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 maart 2011.

Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. A.J. Reitsma zijn niet in staat dit vonnis mee te ondertekenen.