Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0888

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
16/601353-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601353-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. E. Vels, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte

tezamen met anderen heeft geprobeerd in te breken in een bedrijfspand.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van de verdachte en de aangifte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de bekennende verklaring van de verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de aangifte door [aangever];

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

omstreeks 30 december 2010 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijf gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of goederen naar hun gading, toebehorende aan Catch Publishing en zich daarbij de toegang tot voornoemd bedrijf te verschaffen en die weg te nemen geld en/of goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, met een schroevendraaier een cilinderslot van een toegangsdeur van voornoemd bedrijf geforceerd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen 87 dagen gevangenisstraf waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 60 uur. Ten aanzien van het beslag vordert de officier van justitie verbeurdverklaring.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe is van mening dat een lagere straf dan door de officier van justitie geëist passend is, daar het een gering feit betreft en de verdachte heeft bekend. De raadsvrouwe verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Eventueel kan de raadsvrouwe zich vinden in de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf, echter de daarnaast gevorderde werkstraf acht zij niet passend.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft in overweging genomen een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 31 december 2010, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De verdachte heeft zich, kort na een veroordeling in maart 2010 voor soortgelijke feiten, wederom schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak. Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door geldelijk gewin, zonder rekening te houden met de schade en overlast die hij daarbij aan anderen heeft toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Gezien verdachtes proceshouding, waarin hij openheid van zaken heeft gegeven en waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard, heeft de rechtbank de indruk dat er bij verdachte sprake is van berouw. Echter, de verdachte lijkt de ernst van zijn problemen niet in te zien, daar hij niet bereid is mee te werken aan een psychologisch onderzoek en ook niet aan begeleiding door de reclassering. Nu de verdachte niet bereid is hieraan mee te werken, resteert de rechtbank geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een forse (gevangenis)straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 87 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 30 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast acht de rechtbank een werkstraf van 60 uur passend en geboden.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn naar het oordeel van de rechtbank vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 87 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een tas, twee zwarte handschoenen, twee schroevendraaiers, een sleuteltrekker, een theelepel, drie Tork schroeven en een handlamp.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E.J. Sprakel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 maart 2011.