Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0879

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
16.604064-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.604064-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats] (Iran),

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte plotseling zijn penis tegen de billen van een vrouw heeft geduwd en haar op deze wijze gedwongen heeft dit te ondergaan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert zich ten aanzien van de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

I. Het proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 13 en 14 van het proces-verbaal dossiernummer PL0981 2010113229-1, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 32.

II. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 maart 2011.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 5 mei 2010 te Utrecht door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het drukken van zijn, verdachtes, ontblote penis tegen de billen van die [slachtoffer] en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds staan tegen en duwen tegen de billen van die [slachtoffer] terwijl zijn penis uit zijn, verdachtes, broek hing;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan de vordering van de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft de feitelijke eerbaarheid geschonden door het verrichten van de handeling zoals hierboven onder 4.4. genoemd. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] hiermee schrik en angst aangejaagd. Uit haar verklaring op het voegingsformulier voor benadeelde partijen blijkt dat zij nog steeds achterdochtig is wanneer zij in een grote menigte mensen is. Ook de kinderen die erbij waren zijn door dit voorval geschrokken. Verdachte heeft blijkbaar alleen aan zijn eigen behoeften gedacht toen hij overging tot het plegen van dit strafbare feit en dat is hem aan te rekenen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte naar aanleiding van dit voorval door de politie is aangehouden en dat het verblijf op het politiebureau grote indruk op hem heeft gemaakt, mede door de angst voor de gevolgen die het voor hem kon hebben wanneer zijn naaste familie hiervan op de hoogte zou raken. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat verdachte vrijwillig heeft ingestemd met een behandeling bij De Waag en dat hij tot het moment van de terechtzitting zijn afspraken bij De Waag trouw nakomt en medicatie slikt om herhaling van dergelijke strafbare feiten te voorkomen. Verdachte heeft zich bovendien bereid verklaard om zijn behandeling en medicatie bij De Waag voort te zetten zolang als dit noodzakelijk is. Om die reden, en omdat uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de hulpverlening aan verdachte zich niet beperkt tot het delict(gedrag), maar zich uitstrekt tot meerdere levensgebieden van verdachte, acht de rechtbank het niet noodzakelijk om een dwingend kader aan deze hulpverlening te geven.

Gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder een en ander zich heeft afgespeeld acht de rechtbank het niet noodzakelijk om verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Verdachte lijkt bovendien de ernst van zijn problemen in te zien, nu hij zelf het initiatief heeft genomen hulp te zoeken. De rechtbank is daarom van oordeel dat een voorwaardelijke werkstraf van 120 uur meer passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 540,--.

De officier van justitie heeft zich gerefereerd ten aanzien van de hoogte van het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 250,-- toewijsbaar is en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 200,-- ter zake van immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Gelet op de aard en de omstandigheden van het feit acht de rechtbank dit bedrag passend en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 200,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 200,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 april 2011.