Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0855

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-03-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
16/601233-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een winkelinbraak. Met deze inbraak, die in het holst van de nacht plaatsvond en getuigde van een professionele aanpak, werd aan de benadeelde zowel schade als overlast berokkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601233-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de PI Midden Holland, Huis van Bewaring De Geniepoort te

Alphen aan den Rijn.

Raadsman mr. R.A. Kaarls, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 februari 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen, dan wel alleen een

winkelinbraak heeft gepleegd;

feit 2 (primair en subsidiair): samen met anderen, dan wel alleen

kentekenplaten heeft gestolen dan wel geheeld;

feit 3 (primair en subsidiair): samen met anderen, dan wel alleen een auto heeft gestolen dan wel geheeld;

feit 4 (primair en subsidiair): drie politieambtenaren in functie heeft mishandeld dan wel zich met geweld heeft verzet tegen deze politieambtenaren, waarbij zij lichamelijk letsel hebben opgelopen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de onder 2 primair, 3 primair en

4 primair ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 2 primair en subsidiair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe de hierna te noemen bewijsverweren gevoerd. De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraak ten aanzien van de feiten 2 primair en subsidiair, 3 primair en

subsidiair en 4 primair

Ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, al dan niet samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de betreffende auto. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de betreffende auto, wist of moest vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was. Immers, de auto was voorzien van de daarbij behorende contactsleutel en uit het dossier volgt niet dat er andere kenmerken in of aan de auto zichtbaar waren die wezen op een mogelijke afkomst uit diefstal.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2 primair en 2 subsidiair

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsman vast dat er geen bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van de betreffende kentekenplaten. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor bij feit 3 subsidiair heeft overwogen, kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte deze kentekenplaten heeft geheeld. Verdachte zal eveneens van dit ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 primair

Nu verdachte het opzet op de mishandeling van de betreffende verbalisanten heeft ontkend en de rechtbank uit de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft verkregen voor de aanwezigheid van dat opzet, acht de rechtbank ook dit feit niet bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.2. De feiten ten aanzien van het onder 1 en het onder 4 subsidiair tenlastegelegde

Op 2 december 2010 omstreeks 3.39 uur vindt bij de Bruna te Vianen een inbraak plaats. Bij deze inbraak wordt een hoeveelheid sigaretten weggenomen.

Op bewakingsbeelden van voornoemde Bruna is te zien dat vier donkergeklede mannen met een voorwerp de schuifdeuren van de winkel forceren en met kracht tegen deze deuren trappen om vervolgens door de geforceerde deuren naar binnen te gaan.

Een omwonende ziet de daders vervolgens wegrijden in een donkerkleurige Seat, voorzien van het kenteken [kenteken]. De gealarmeerde politie ziet de auto, een Seat Leon met bovengenoemd kenteken, omstreeks 4.13 uur over de Utrechtse Baan in de richting van ’s-Gravenhage rijden. Nadat de bestuurder van deze auto, een lichtgetinte man met een zwarte jas en een witte capuchon, een stopteken negeert en er met hoge snelheid vandoor gaat, ontstaat er een achtervolging waarbij meerdere politieauto’s betrokken zijn. Vanwege de sneeuw en het daarmee gepaard gaande gevaar, mindert de politie vaart en verliest de Seat Leon binnen de bebouwde kom van ’s-Gravenhage uit het oog, om deze vervolgens kort daarna verlaten aan te treffen. De politie volgt de verse voetsporen in de sneeuw vanaf de auto en treft, op korte afstand hiervan, in een binnentuin en liggend onder een tafel medeverdachte [medeverdachte] aan. Achter de bosjes in diezelfde binnentuin wordt verdachte aangetroffen, liggend in een foetushouding. Een van de verbalisanten herkent verdachte als de bestuurder van voornoemde Seat Leon.

Nadat verbalisanten in de omgeving van de aangetroffen auto twee donkergeklede mannen met een Noord-Afrikaans uiterlijk zien rennen en, nadat zij hen uit het oog zijn verloren hun voetsporen in de verse sneeuw volgen, worden ook deze mannen, medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], aangehouden.

In voornoemde Seat Leon wordt een grote hoeveelheid sigaretten aangetroffen, alsmede een aantal doorzichtige klepjes die in voornoemde Bruna werden gebruikt om de sigaretten op de plank van elkaar te kunnen scheiden. Ook treft de politie een mobiele telefoon aan met het telefoonnummer [nummer]. In deze telefoon stond onder de naam “atvocaat” het telefoonnummer [nummer]. Dit is het telefoonnummer van Kaarls Brech Diels Strafrechtadvocaten te Den Haag, het kantoor van de raadsman van verdachte, mr. Kaarls. Ook stond er een telefoonnummer in van [naam]. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn zus woont op het adres [adres] te [woonplaats]. Op dat adres is woonachtig, [naam]. De rechtbank leidt uit deze feiten af dat deze telefoon aan verdachte toebehoort.

Tot slot wordt er voor de passagiersstoel een sigarettenpeuk aangetroffen. Op deze sigarettenpeuk wordt celmateriaal aangetroffen waaruit een DNA-mengprofiel is afgeleid. Het DNA-profiel van verdachte matcht met het uit het celmateriaal afgeleide DNA-nevenprofiel. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het afgeleide DNA-nevenprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Na zijn aanhouding wordt verdachte overgebracht naar het arrestantencomplex te Houten.

Omdat verdachte daar geluidsoverlast veroorzaakt voor zijn celgenoten, wordt op

3 december 2010 besloten tot een overplaatsing naar een andere cel. Verdachte verzet zich daarbij tegen drie verbalisanten, te weten [verbalisant 3], Buitengewoon Opsporingsambtenaar van Politie Utrecht, [verbalisant 1], Hoofdagent van Politie Utrecht en [verbalisant 2], Surveillant van Politie Utrecht, door zwaaiende en slaande bewegingen in de richting van verbalisant [verbalisant 1] te maken en zich te bewegen in tegengestelde richting dan waar drie voornoemde verbalisanten hem willen brengen. Verbalisant [verbalisant 3] loopt hierdoor een aantal opgezette/verdikte knokkels op, een schaafwond aan de rechterzijde van een pink alsmede een gekneusde middelvinger en pink. Niet alleen voornoemde verbalisant, maar ook verbalisant [verbalisant 2] loopt pijnlijk letsel op, te weten een schaafwond op zijn rechterarm.

4.3.3. De bewijsverweren ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt, gezien voornoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte bestuurder van de Seat Leon is geweest die door verbalisanten in ’s-Gravenhage is aangetroffen. Niet alleen komt het kenteken van deze auto overeen met het kenteken dat door een getuige bij de kort daarvoor gepleegde inbraak te Vianen is gezien, ook worden in deze auto de bij voornoemde inbraak weggenomen sigaretten en doorzichtige klepjes aangetroffen. De rechtbank stelt dan ook vast dat deze Seat Leon is gebruikt bij de betreffende inbraak.

De verdediging heeft aangevoerd dat alleen het voorgaande onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde inbraak. Verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende avond samen met medeverdachte [medeverdachte] in ’s-Gravenhage is geweest, waar zij samen zijn zus bezochten. Na afloop van dit bezoek liepen zij naar huis en werden zij aangehouden, aldus verdachte. Uit het dossier volgt dat deze aanhouding omstreeks 4.30 uur plaatsvond.

De rechtbank is van oordeel dat dit een onaannemelijke verklaring betreft. Uit onderzoek volgt dat de telefoon van verdachte met het telefoonnummer [nummer] die in de Seat Leon is aangetroffen ruim een half uur voor zijn aanhouding, omstreeks 3.53 uur, de mast A12 Gouda te Reeuwijk aanstraalde, om vervolgens omstreeks 4.26 uur een mast ’s-Gravenhage aan te stralen. Niet alleen deze verklaring, maar ook de verklaring van verdachte ten aanzien van zijn relatie met medeverdachte [medeverdachte 2] is naar het oordeel van de rechtbank onaannemelijk. Daar waar verdachte verklaarde deze medeverdachte niet te kennen, heeft hij het telefoonnummer [nummer] van medeverdachte [medeverdachte 2] in zijn telefoon staan.

Daarnaast volgt uit het dossier dat verdachte bij zijn aanhouding een grijze gewatteerde jas droeg. Bij het bekijken van de bewakingsbeelden van de betreffende inbraak, constateert de politie dat deze jas sterk lijkt op de jas die door een van de daders werd gedragen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 1 en

4 subsidiair is ten laste gelegd wettig en overtuigend is bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 2 december 2010 te Vianen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit de Bruna heeft weggenomen sigaretten, toebehorende aan de Bruna, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, immers hebben verdachte en zijn mededaders:

- een voorwerp tussen de schuifdeuren geplaatst en

- met kracht tegen de schuifdeuren getrapt en geduwd en

- vervolgens via de door verdachte en zijn mededaders geforceerde schuifdeuren binnengegaan;

4.

(subsidiair)

op 3 december 2010 te Houten, zich met geweld heeft verzet tegen opsporingsambtenaren, te weten

- [verbalisant 3] (Buitengewoon Opsporingsambtenaar van Politie Utrecht en

- [verbalisant 1] (Hoofdagent van Politie Utrecht) en

- [verbalisant 2] (Surveillant van Politie Utrecht),

werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, te weten belast met het overplaatsen van verdachte naar een andere cel van het arrestantencomplex, door opzettelijk gewelddadig

- zwaaiende en slaande bewegingen in de richting van die [verbalisant 1] te maken en

- zich te bewegen in tegengestelde richting dan welke die [verbalisant 3] en [verbalisant 1] en die [verbalisant 2] hem wilden brengen, waardoor voornoemde ambtenaren letsel (te weten: opgezette/verdikte knokkels en/of een schaafwond aan de rechterzijde van de pink en/of de buitenzijde van de hand en de rechterarm en/of gekneusde vingers hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij bij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 4 subsidiair:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd en wederspannigheid.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 weken, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd en de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een winkelinbraak. Met deze inbraak, die in het holst van de nacht plaatsvond en getuigde van een professionele aanpak, werd aan de benadeelde zowel schade als overlast berokkend. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk, te meer omdat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond dan wel verantwoording heeft afgelegd voor zijn gedragingen.

Verdachte heeft zich daarnaast verzet tegen een drietal verbalisanten die hem naar een andere cel wilden verplaatsen. Verdachte heeft hierbij twee van hen pijnlijk verwond. Verdachte heeft door zo te handelen de betreffende verbalisanten gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en geen respect getoond voor de taak die zij dienen te vervullen.

Uit het strafblad van verdachte d.d. 15 februari 2011 blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van inbraken, diefstallen en geweldsfeiten, waarbij onder meer lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Nu de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet komt tot een bewezenverklaring van de onder 2 en

3 ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier is gevorderd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een materiële schadevergoeding van € 570,00 voor het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van deze benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 180, 181, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair en

4 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de

schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 4: subsidiair: wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee

gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten

gevolge hebben, meermalen gepleegd en wederspannigheid;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een grijze driekwart lange gewatteerde jas van het merk Nickelson en een paar zwarte schoenen van het merk Nike, type Air Max;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 570,00, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 570,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 maart 2011.

Mr. Y.A.T. Kruijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.