Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0665

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
16/601211-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte zijn 3 feiten ten laste gelegd: handel in drugs, bezit van drugs en handel en bezit van bepaalde geneesmiddelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de OvJ ontvannkelijk is in haar vervolging omdat er geen sprake is van het ne bis in idem beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601211-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [woonplaats],

wonende te [adres] te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsman mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Ten aanzien van feit 2 en 3 zal de rechtbank de datum 27 november 2010 lezen als 26 november 2010. Met instemming van de raadsman en de officier van justitie wordt dit als een kennelijke verschrijving opgevat.Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft gehandeld in, althans in het bezit was van, meerdere soorten drugs;

Feit 2: in het bezit was van XTC en/of MDMA, Amfetamine en LSD;

Feit 3: heeft gehandeld in althans in het bezit was van Ketamine en Piracetam.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman is van mening dat feit 2, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 1, exact hetzelfde feit betreft als feit 1 en dat zulks moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 2 op basis van het ne bis in idem-beginsel.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 de handel van bepaalde stoffen betreft en feit 2 het opzettelijk aanwezig hebben van bepaalde stoffen. De juridische aard van de feiten en gedragingen van verdachte is verschillend en er is sprake van twee verschillende strafbare feiten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een geval zoals bepaald in artikel 68 Wetboek van Strafrecht; de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor wat betreft feit 1 en 2.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich wat betreft de feiten 1 en 2 op de verklaring van verdachte, het proces-verbaal van de doorzoeking en het NFI-rapport. Verdachte verklaart bij de politie dat hij handelde in verschillende soorten drugs, welke hij ook voor vrienden kocht. Hij had daarbij oog voor de kwaliteit en verdiende er geld mee. Blijkens het NFI-rapport zijn alle stoffen die in de tenlastelegging zijn genoemd, ook bij verdachte aangetroffen tijdens de huiszoeking op 26 november 2010. Daarmee is de handel en aanwezigheid van de verschillende stoffen bewezen,aldus de officier van justitie.

Met betrekking tot feit 3 is –zo stelt de officier van justitie- een discussie denkbaar over de vraag of het ging om een farmaceutische vorm zoals bedoeld in artikel 1 van de Geneesmiddelenwet. De Piracetam was verpakt in capsules, maar de Ketamine niet. Uit het proces-verbaal blijkt dat de Ketamine in wikkels was verpakt en geschikt was om als portie te gebruiken. Ketamine is niet vrij verkrijgbaar en de wijze waarop dit bij verdachte is aangetroffen, leidt tot de conclusie dat het gaat om een farmaceutische vorm. Verdachte verklaart ook zelf dat hij in Ketamine heeft gehandeld.Alles aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich wat betreft feit 1,de handel in en het aanwezig hebben van de genoemde stoffen, aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte geeft voor een aantal van deze stoffen aan dat hij hierin heeft gehandeld, maar dat de periode waar het over gaat niet duidelijk is. Verdachte heeft verklaard dat hij zich sinds een jaar bezig houdt met drugs, maar er zijn geen bewijsmiddelen die ondersteunen dat hij zich ook al zo lang bezig houdt met de handel daarvan. De verdediging is van mening dat er onvoldoende bewijs is voor de handel voor een periode van een jaar. Er kunnen slechts 3 maanden, september, oktober en november 2010, worden bewezen omdat er vanaf die periode aanvullende sms-berichten zijn waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake was van handel.

Met betrekking tot feit 3 zijn de Ketamine en Piracetam aangetroffen bij verdachte. De verdediging is echter van mening dat bij de Ketamine niet kan worden gesproken van een farmaceutische vorm en verdachte daar dus niet voor kan worden veroordeeld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 26 november 2010 heeft een huiszoeking plaatsgevonden op het woonadres van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Daarbij is in de slaapkamer van verdachte en in de kluis in de slaapkamer een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen. In de kluis is aangetroffen Ketamine, 936 XTC-pillen en 250,12 gram MDMA. Op het bureau naast de kluis en op de vloer naast het bureau zijn 16 wikkels gevonden met het opschrift ‘K’ (15,53 gram Ketamine) en 10 wikkels met het opschrift ‘M’ (9.83 gram MDMA). Op het bureau voor de kluis is een doosje aangetroffen met daarin onder andere 63 zegels LSD. In een schoenendoos zijn tevens aangetroffen 7 wikkels Ketamine, 3 wikkels MDMA (2,74 gram), 2 wikkels Amfetamine (1.7 gram) en een wikkel Amfetamine (0.19 gram), 1 pil MDMA, een sportlifedoosje inhoudende 20 pillen MDMA, een sportlifedoosje met 36 roze pillen MDMA en een sluitzakje met 6 pillen MDMA. De drugs en de niet vastgestelde stoffen zijn naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gestuurd voor nader onderzoek.

Uit het onderzoek van het NFI van 11 februari 2011 blijkt dat naast de bovengenoemde stoffen tevens is aangetroffen Piracetam in capsules, 2C-I (0,18 gram) in een gripzakje, DMT (0,12 gram) in een gripzakje, 2C-T-7 (0,75 gram) in een gripzakje en DOM (0.01 gram) in een gripzakje. Dit zijn drugs vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Piracetam is in Nederland geregistreerd als geneesmiddel voor de behandeling van bepaalde soorten van duizeligheid. Ketamine wordt in de reguliere geneeskunde gebruikt als verdovingsmiddel bij korte pijnlijke chirurgische ingrepen. Het wordt in Nederland in het drugscircuit aangetroffen. Het is bekend dat Ketamine vanwege de bijwerkingen gebruikt wordt.

Verdachte verklaart dat de drugs die zijn aangetroffen bij de huiszoeking van hem zijn. Hij is ongeveer drie maanden geleden begonnen met de handel. Hij had een partij drugs gekocht van iemand die hij op een feest had ontmoet. Die persoon handelde al geruime tijd en wilde van drugs af. Verdachte geeft aan dat hij aan ongeveer 40 à 50 mensen drugs heeft verkocht. Verdachte heeft gehandeld in Ketamine, MDMA en XCT-pillen en ook nog een paar zegels LSD. De andere drugs die zijn aangetroffen waren voor eigen gebruik. Het SMS verkeer van 2 september 2010 tot en met 25 november 2010 op één van de telefoons van verdachte, merk Nokia, type 1661 wijst op handel in drugs. Ook het onderzoek naar de andere telefoon van verdachte, merk Nokia, type C6 gedurende de periode van 10 september 2010 tot en met 24 november 2010 wijst op handel in drugs.

Bewijsoverwegingen

Periode

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 slechts bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in drugs gedurende de periode van 1 september 2010 tot en met 26 november 2010. Verdachte ontkent dat hij al eerder met de handel is begonnen. Er is ook geen ondersteunend bewijs dat die handel eerder is begonnen. Het onderzoek naar het sms-verkeer van de telefoon van verdachte, als ondersteunend bewijs voor de handel, is pas gestart vanaf 2 september 2010. Die datum komt overeen met het verhaal van verdachte dat hij toen pas met de handel is begonnen.

Handel/bezit

Verder geeft verdachte aan dat hij gehandeld heeft in XTC, MDMA en LSD. De andere stoffen waren voor eigen gebruik. Uit de bewijsmiddelen valt niet af te leiden dat verdachte ook heeft gehandeld in de andere soorten drugs. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voor die stoffen dus alleen het bezit daarvan bewezen kan worden.

Farmaceutische vorm

Met betrekking tot feit 3 is de rechtbank van oordeel dat zowel de Ketamine als de Piracetam is aangetroffen in de farmaceutische vorm, zoals bedoeld in artikel 1 van de Geneesmiddelenwet. De Piracetam is aangetroffen in capsules en de Ketamine is verpakt in wikkels per portie. Bovendien verklaart verdachte zelf ook dat hij in Ketamine heeft gehandeld. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat zij van oordeel is dat, zoals ook is overwogen met betrekking tot feit 1, slechts bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld in deze middelen gedurende de periode van 1 september 2010 tot en met 26 november 2010.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1:

op meer tijdstippen in de periode van 01 september 2010 tot en met 26 november 2010 te [woonplaats], meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en

vervoerd,

-een hoeveelheid (zogenaamde) (XTC-)pillen en een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA (in poedervorm), en

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD en

telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-I en

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende DMT en

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-T-7 en

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende DOM,

zijnde MDMA en amfetamine en LSD en 2C-I en DMT en 2C-T-7 en DOM, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Feit 2

op 26 november 2010 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 999 (zogenaamde) (XTC-)pillen en 262,69 gram van een materiaal bevattende MDMA en

- 1,89 gram van een materiaal bevattende amfetamine,

- 63 (zogenaamde) zegels LSD,

zijnde MDMA en amfetamine en LSD telkens een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

Feit 3

op meer tijdstippen in de periode van 01 september 2010 tot en met 26 november 2010 te [woonplaats], meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en in voorraad gehad

en ter hand gesteld,

- een kleine hoeveelheid ketamine telkens verpakt/gedoseerd in een wikkel

en

- een kleine hoeveelheid piracetam telkens verpakt/gedoseerd in een

capsule,

zijnde een geneesmiddel, waarvoor geen handelsvergunning geldt;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,meermalen gepleegd

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 40 Geneesmiddelenwet gegeven verbod

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Daartoe moet verdachte zich volgend op de detentie melden bij Reclassering Nederland JoVo-team op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zo lang als Reclassering Utrecht dat gedurende de proeftijd nodig acht. Verder moet verdachte deelnemen aan de volgende gedragsinterventies: een cognitieve vaardigheidstraining en een leefstijltraining. Tot slot dient hij zijn medewerking te verlenen aan het afnemen van urinecontroles.Alles aldus de officier van justitie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat, nu er voor feit 1 slechts van een periode van 3 maanden kan worden uitgegaan, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor feit 2 en feit 3 slechts 1 geneesmiddel in farmaceutische vorm bevat, kan worden volstaan met een kortere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die gelijk is aan het voorarrest. Eventueel kan een langere voorwaardelijke vrijheidsstraf worden opgelegd nu verdachte zich blijkens het reclasseringsrapport begeleidbaar opstelt maar wel externe motivatie nodig heeft.Aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen en in bezit hebben van verschillende soorten drugs en geneesmiddelen. Het gebruik hiervan brengt gezondheidsrisico's mee zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel, geheugenproblemen en eventueel een psychose. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd, althans daar niet bij stil gestaan, en slechts gehandeld uit winstbejag.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- Een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland d.d. 28 februari 2011 opgemaakt door D. Sies. Daarin wordt geadviseerd betrokkene een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie.

- Een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 24 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte in 2009 een transactie van 77 uur werkstraf heeft voldaan voor het handelen in strijd met artikel 2 onder C Opiumwet.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 voor de gehele periode van één jaar en handel in alle daar genoemde stoffen. Nu de rechtbank slechts de periode van 3 maanden bewezen acht en alleen de handel in XTC, MDMA en LSD, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat de volgende straf passend is: een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, dat verdachte zich volgend op de detentie meldt bij Reclassering Nederland JoVo-team op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich blijft melden zo frequent en zo lang als de Reclassering Utrecht dat nodig acht, dat verdachte deelneemt aan de gedragsinterventies cognitieve vaardigheidstraining en een leefstijltraining en dat verdachte, indien de Reclassering dit nodig acht, medewerking verleent aan de afname van urinecontroles.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en gebruikt zijn bij het plegen van de strafbare feiten:

- een weegschaal;

- een papier met namen en nummers;

- een Nokia aangetroffen in de slaapkamer van verdachte;

- een Nokia afgegeven door verdachte;

- een lege slof camel met daarin € 6020,-;

- diverse verpakkingsmaterialen.

Ondanks dat de verdediging verzoekt om teruggave van het geldbedrag, komt de rechtbank tot een ander oordeel. Gelet op de duur en frequentie van de handel in drugs, gaat de rechtbank ervan uit dat het gehele geldbedrag door die handel verkregen is. Deze conclusie wordt versterkt door de wijze waarop het geld is aangetroffen, namelijk in een oude slof camel sigaretten in de kluis waar ook verschillende soorten drugs zijn aangetroffen. Dit geldbedrag zal derhalve eveneens worden verbeurd verklaard.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 Opiumwet, artikel 1 Wet op de economische delicten en artikel 40 Geneesmiddelenwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 40 Geneesmiddelenwet gegeven verbod

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich binnen 24 na invrijheidsstelling meldt bij Reclassering Nederland JoVo-team op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich blijft melden zo frequent en zo lang als de Reclassering Utrecht dat nodig acht;

* dat verdachte deelneemt aan de volgende gedragsinterventies: een cognitieve vaardigheidstraining en een leefstijltraining;

* dat verdachte indien de Reclassering dit nodig acht medewerking verleent aan de afname van urinecontroles.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een weegschaal;

- een papier met namen en nummers;

- een Nokia aangetroffen in de slaapkamer van verdachte;

- een Nokia afgegeven door verdachte;

- een lege slof camel met daarin € 6020,-;

- diverse verpakkingsmaterialen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 maart 2011.

Mr. C.S.K. Fung Fen Chung is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.