Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0383

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
16-601336-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601336-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

Gedetineerd: HvB Demersluis te Amsterdam

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

26 december 2010 te Amersfoort:

1. samen met anderen [aangever 1] van zijn vrijheid heeft beroofd;

2. samen met anderen [aangever 1] heeft afgeperst;

3. samen met anderen van [aangever 1] door middel van een valse sleutel een geldbedrag heeft weggenomen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte door [aangever 1], de foto’s van [aangever 1] genomen na de aangifte en de verklaringen van verdachte en van zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

De officier van justitie acht niet bewezen dat [aangever 1] onder valse voorwendselen naar een woning is gelokt.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat hij zich deels kan vinden in het requisitoir. Naar zijn mening is niet met zekerheid vast te stelen dat [aangever 1] onder valse voorwendselen naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] is gelokt. Voorts is de raadsman van mening dat in het dossier geen steunbewijs is aangetroffen voor het met een mes tegen de borst van aangever prikken en met een mes langs de keel van aangever bewegen.

Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij op 25 december 2010 op internet via [adres] een advertentie heeft geplaatst met onder meer de tekst ‘als je zin hebt om te ontspannen, neem dan contact met mij op’. Tussen verdachte [medeverdachte 1] en aangever heeft op 25 december 2010 emailcontact plaatsgevonden, waarbij is afgesproken dat aangever diezelfde dag tussen 23:30 uur en 24:00 uur zou langskomen om voor € 120,00 seks met verdachte [medeverdachte 1] te hebben.

Aangever heeft verklaard dat hij op 26 december 2010 rond 00.20 uur op het afgesproken adres [adres] te Amersfoort kwam en daar verdachte [medeverdachte 1] in haar kamer heeft ontmoet. Aangever heeft wat gedronken, heeft een sigaret gerookt en aangever en verdachte [medeverdachte 1] hebben wat gepraat. Plotseling ging de deur van de kamer open en kwamen er drie mannen binnen. Volgens aangever was sprake van een negroïde man, een Marokkaanse man en een blanke man.

De negroïde man kwam naar aangever toe en aangever hoorde dat hij zei ‘Wie denk je wel dat je bent dat je mijn vriendin kunt nemen?’ Aangever zag dat de negroïde man driftig werd en met de vlakke hand van zijn rechterhand hard tegen de linkerzijkant van het hoofd van aangever sloeg. Aangever zag vervolgens dat de negroïde man met zijn rechterhand iets uit zijn rechterjaszak pakte en zag dat die man in zijn rechterhand een mes openklapte en vasthield. Aangever zag dat de negroïde man naar hem toeliep. Aangever zat nog steeds op de bank en hoorde dat de Marokkaanse man zei dat hij moest blijven zitten.

De Marokkaanse man was naast aangever gaan staan.

Vervolgens zag aangever dat de negroïde man dichterbij kwam en hem met het mes ter hoogte van zijn linkerborst begon te prikken. Aangever voelde zich erg bedreigd en wist niet hoe hij uit de situatie kon komen. Hij voelde zich opgesloten. Rechts van hem stond de Marokkaanse man, voor hem stond de negroïde man en bij de deur stond de blanke man. Aangever hoorde de negroïde man zeggen: ‘Mannetje, moet ik je iets aandoen.’ en ‘Geef mij je ID-kaart’. Aangever heeft toen zijn rijbewijs aan de negroïde man gegeven. Aangever hoorde dat de negroïde man zei: ‘Mannetje, je gaat het tienvoudige aan mij betalen, mannetje geef mij je bankpas’. Aangever zei toen: ‘Nee, die krijg je niet’. Daarop ging de negroïde man voor hem staan met het mes in zijn rechterhand, waarna de negroïde man het mes vrij dicht langs de linkerzijde van de keel van aangever schraapte. Aangever voelde het aan zijn huid en zag later dat hij een kras aan de linkerzijde van zijn hals had.

Aangever pakte toen zijn portemonnee en haalde zijn SNS-bankpas tevoorschijn. Deze bankpas gaf aangever aan de negroïde man, evenals zijn pincode.

Daarna zag aangever dat de negroïde man de bankpas aan de blanke man bij de deur gaf en tegen de blanke man zei: ‘Ga pinnen, maximaal’. Na ongeveer 5 minuten kwam de blanke man terug en zei dat hij maar € 250,00 kon pinnen. De negroïde man zei dat hij een andere bank moest zoeken, waarop de blanke man weer weg ging.

Aangever moest blijven zitten, dat zei de negroïde man iedere keer. De negroïde man heeft aangever 2 à 3 keer met zijn linkerhand op de linkerschouder van aangever geduwd als aangever wilde opstaan uit de bank. De negroïde man vroeg aangever naar zijn autosleutels, waarna aangever zei dat die in zijn jas zaten die aan de kapstok hing. Aangever zag dat de negroïde man zijn jas van de kapstok pakte, de zakken doorzocht en de autosleutels in zijn hand nam.

Na ongeveer 10 minuten zag aangever de blanke man weer terugkomen en hoorde hem toen zeggen dat hij maar € 150,00 kon pinnen.

Aangever zag dat de negroïde man weer dreigend naar hem toe kwam en zei ‘Geef me je portemonnee’. De negroïde man hield daarbij constant het mes in zijn rechterhand en hield dat dreigend voor aangever. Aangever was echt bang, wilde zo snel mogelijk weg en besloot alles te doen wat de mannen vroegen. Aangever heeft zijn portemonnee gepakt en aan de negroïde man gegeven. Aangever zag dat zijn portemonnee werd geopend en dat het geld eruit werd gehaald.

Vervolgens vroeg de negroïde man aan aangever: ‘Geef mij je mobiele telefoon’. Aangever heeft toen één van de twee mobiele telefoons aan de negroïde man gegeven. Aangever zag dat de negroïde man in zijn gsm begon te bladeren en hoorde hem zeggen: ‘Nummer van je werk, nu weten we je te vinden mannetje’. Aangever voelde zich bang en verslagen.

Aangever moest zijn telefoonnummer thuis en zijn adres opgeven. Aangever heeft vervolgens het telefoonnummer en het adres van zijn broer opgegeven. De negroïde man zei toen tegen aangever: ‘Ik weet je te vinden, ik weet je werk, ik weet je thuis, ik weet alles’. Aangever zei toen tegen de negroïde man ‘dat het goed was, maar sla me niet meer’. Aangever had namelijk meerdere malen een klap tegen zijn hoofd gehad.

Daarna zag aangever dat de negroïde man de jas van aangever pakte, die jas aan aangever gaf en tegen de Marokkaanse man en de blanke man zei: ‘Loop mee naar de auto’.

Aangever heeft zijn jas gepakt. Aangever liep toen naar de deur en hoorde de negroïde man tegen hem zeggen: ‘Je weet je eigen nummer, je belt morgen je eigen nummer, geef

€ 500,00, en je krijgt je spullen terug’.

Toen aangever buiten kwam wilde hij zijn autosleutels pakken, maar merkte hij dat die sleutels niet in zijn jaszak zaten. Hij zei tegen de Marokkaanse en blanke man dat zijn autosleutels nog op de kamer van [medeverdachte 1] lagen. Aangever zag dat de blanke man weer de woning in liep en dat de Marokkaanse man bij hem bleef staan. Kort daarna kwam de blanke man terug met de sleutelbos van aangever.

Aangever is toen naar zijn auto gelopen, is in zijn auto gestapt en weggereden.

Vervolgens heeft aangever het dichtstbijzijnde politiebureau opgezocht en heeft zich daar rond 01:30 uur gemeld. Op het politiebureau merkte aangever dat hij onder meer zijn portemonnee met bankpas, zijn rijbewijs, zijn mobiele telefoon en het geld in de portemonnee, in totaal € 275,00, kwijt was.

Op 26 december 2010 zijn in het perceel [adres] verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 3] aangehouden. Uit de verklaringen van voornoemde verdachten kon worden opgemaakt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ook in de kamer van [medeverdachte 1] aanwezig waren geweest. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] op 27 december 2010 aangehouden.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben allen bij de politie verklaard dat zij ten tijde van de ten laste gelegde feiten in de kamer van [medeverdachte 1] aanwezig waren .

Voorts heeft [medeverdachte 3] verklaard dat eerst [medeverdachte 2] is gaan pinnen en dat hij daarna is gaan pinnen en daarbij een bedrag van € 150,00 heeft gepind. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een bedrag van € 250,00 heeft gepind.

De aangever is er in zijn verklaringen van uitgegaan dat dezelfde persoon tweemaal heeft gepind; de rechtbank gaat er van uit dat hij zich daarin vergist, en gaat uit van de lezing van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] dat beiden eenmaal hebben gepind.

Met betrekking tot het plan om aangever van zijn geld te beroven, heeft verdachte

[medeverdachte 1] verklaard dat zij met dit plan kwam.

De afspraak was, aldus [medeverdachte 1] , dat [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] buiten zouden wachten en dat zij, [medeverdachte 1], hen zou waarschuwen als aangever op haar kamer was.

[medeverdachte 1] heeft aan [verdachte] de huissleutel gegeven zodat zij de woning weer binnen konden komen.

Zij stuurde een pingbericht en [medeverdachte 3] stuurde haar een pingbericht waarin hij schreef dat zij moest laten weten wanneer zij de ‘duku’ had gehad.

Volgens haar verklaring stonden [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] opeens in haar kamer en heeft zij, hoewel zij aanvankelijk schrok, zich niet aan de uitvoering van het plan onttrokken.

In het tevoren bedachte “toneelstukje” zou [verdachte] de vriend van [medeverdachte 1] spelen en heel boos zijn. Volgens de verklaring van aangever heeft [medeverdachte 1] dit toneelstukje meegespeeld.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat aangever is bedreigd door [verdachte], dat aangever niet weg kon gaan, en dat aangever is gevraagd om zijn geld, bankpas, pincode, mobiele telefoon en autosleutels af te geven. Tevens heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zij € 250,00 heeft gekregen van [verdachte] van het geld dat was afgenomen van aangever.

[verdachte] heeft verklaard dat hij aangever met zijn linkerhand een paar tikken in het gezicht heeft gegeven.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat bij de bedreiging van aangever gebruik is gemaakt van een mes en dat [verdachte] dat mes daarbij in zijn hand had. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] gezien dat er aan de linkerzijde van het gezicht van aangever, ter hoogte van het linkeroor, een lichtrode verkleuring zichtbaar was, en dat er aan de linkerzijde in de hals, net boven de rand van het shirt van aangever, een rode streep zichtbaar was.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank van het onder valse voorwendselen naar een woning lokken van aangever in het onderhavige geval geen sprake, aangezien het plan om aangever te beroven eerst is gemaakt nadat [medeverdachte 1] met aangever de afspraak had gemaakt om bij haar langs te komen. Van dat onderdeel van de tenlastelegging dient verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

Aan het beroven (afpersen) van een persoon van zijn geld is naar het oordeel van de rechtbank inherent dat dit in een bedreigende sfeer en niet zonder enige vorm van geweld gebeurt, aangezien het slachtoffer zonder een dergelijke dreigende sfeer niet zonder meer zijn geld zal afgeven. Alle verdachten waren op de hoogte van het plan om aangever te beroven van zijn geld, en allen waren ook aanwezig toen uitvoering werd gegeven aan het plan dat heeft geleid tot de ten laste gelegde feiten, waarbij de éne verdachte een nadrukkelijker rol heeft gehad dan de andere verdachte.

De rechtbank acht bewezen dat sprake is van medeplegen, aangezien uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 26 december 2010 te Amersfoort tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders opzettelijk wederrechtelijk

- (meermalen) (op dwingende manier) gezegd dat die [aangever 1] moest blijven zitten en

- (meermalen) die [aangever 1] bij zijn schouder (teruggeduwd) toen deze op wilde staan en

- een mes (vlak) langs de keel van die [aangever 1] gehouden en bewogen en

- met dat mes tegen de borst van die [aangever 1] geprikt en

- (meermalen) dreigend dat mes op korte afstand van het lichaam van die [aangever 1] gehouden en

- (dreigend) (op korte afstand) voor die [aangever 1] gestaan en

- die [aangever 1] (meermalen) in het gezicht geslagen en

- (dreigend) vóór de deur van die woning gestaan waardoor die [aangever 1] die

woning niet kon verlaten en

- de autosleutels van die [aangever 1] (af)gepakt en

- een dreigende sfeer gecreëerd en in stand gehouden waardoor die [aangever 1] enige tijd werd belet/belemmerd zich vrijelijk te bewegen en te gaan en staan waar hij wilde;

2.

op 26 december 2010 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een rijbewijs en een bankpas en een portemonnee (met onder andere een geldbedrag) en een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens (een pincode), toebehorende aan [aangever 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een mes (vlak) langs de keel van die [aangever 1] heeft gehouden en bewogen en

- met dat mes tegen de borst van die [aangever 1] heeft geprikt en

- (meermalen) dreigend dat mes op korte afstand van het lichaam van die [aangever 1] heeft gehouden en

- die [aangever 1] (meermalen) in het gezicht heeft geslagen en

- (op dreigende toon) tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "Mannetje, moet ik je

iets aan doen" en "Geef je ID-kaart" en "Ik weet je te vinden" en "Geef je portemonnee" en “Mannetje geef mij jouw bankpas”, althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking;

3.

op tijdstip(pen) op 26 december 2010 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van in totaal 400 euro), toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel (het onbevoegd gebruiken van een bankpas en pincode).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

2. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en deelname aan de Cognitieve vaardigheidstraining (CoVa).

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de feiten 1 en 2 in een betrekkelijk kort tijdsbestek zijn begaan en elkaar deels overlappen. Bij de bepaling van de strafmaat dient daarmee naar de mening van de verdediging rekening te worden gehouden. Aangezien verdachte voor feit 3 als een first offender dient te worden aangemerkt, is verzocht voor dat feit een taakstraf op te leggen.

Mede gelet op het feit dat verdachte binnenkort vader wordt, is voorts verzocht de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf aanzienlijk te bekorten.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit door aangever van zijn vrijheid te beroven en gedurende een zekere tijd van zijn vrijheid beroofd te houden. De ernst van het feit wordt versterkt door de omstandigheden dat de verdachte dit samen met zijn mededaders heeft gedaan en dat hierbij geweld is gebruikt en dat er sprake was van bedreiging met geweld. Verdachte heeft daarnaast samen met zijn mededaders aangever door geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van onder meer zijn bankpas en pincode, waarmee een geldbedrag van € 400,00 van aangever is gestolen. Door deze strafbare feiten zijn gevoelens van angst en onveiligheid voor het slachtoffer ontstaan, zoals mede blijkt uit hetgeen aangever op het voegingsformulier benadeelde partij heeft opgeschreven.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 februari 2011;

- de inhoud van het een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 6 maart 2011.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat oplegging van een straf als hierna opgenomen, passend en geboden is.

Het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht staat in dit geval in de weg aan het opleggen van een taakstraf naast de gevangenisstraf, aangezien het onvoorwaardelijke ten uitvoer te leggen deel van de opgelegde gevangenisstraf meer dan zes maanden bedraagt.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 477,37 voor de feiten 2 en 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 427,37. Voor het van de vordering resterende bedrag van

€ 50,00 wordt verwezen naar het in de strafzaak van [medeverdachte 3] door deze rechtbank gewezen vonnis van - eveneens - 1 april 2011, waarbij is besloten dat van het onder [medeverdachte 3] in beslag genomen geldbedrag van € 150,00 een bedrag van € 50,00 aan de rechthebbende, zijnde [aangever 1], dient te worden teruggegeven.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 47, 57, 282, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierna is omschreven:

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet verdachte zich binnen zeven dagen na vrijlating melden bij Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering op het volgende adres: Zeehaenkade 30, 3526 LC Utrecht. Hierna moet hij zich gedurende twee jaren bij de reclassering blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht.

* dat verdachte deelneemt aan de Cognitieve vaardigheidstraining (CoVa)

- draagt de Reclassering Nederland op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van

€ 427,37, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 427,37 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. P. Wagenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 april 2011.