Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0377

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
262703 - HA ZA 09-434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar gedaagde tegen voorschot deskundige en persoon deskundige wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 262703 / HA ZA 09-434

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. L.J.F.H. Reijrink-Walstock te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.P. Quist te Dordrecht.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1 ] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 december 2010;

- de brief van 10 januari 2011 waarin de deskundige een kostenbegroting heeft ingediend;

- de brieven van 11 januari 2011 waarbij de griffier de kostenbegroting aan beide partijen heeft gestuurd;

- de fax van [gedaagde] van 27 januari 2011 waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de kostenbegroting;

- de brief van de deskundige van 7 februari 2011 waarin hij de kostenbegroting specificeert;

- de brieven van 8 februari 2011 waarbij de griffier de specificatie aan beide partijen heeft gestuurd;

- de fax van [gedaagde] van 17 februari 2011 waarin het bezwaar tegen de kostenbegroting wordt gehandhaafd en bezwaar wordt gemaakt tegen de persoon van de deskundige;

- de brief van [eiser sub 1 ] van 9 maart 2011;

- de schriftelijke reactie van de deskundige van 22 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald, zoals is aangekondigd in het voornoemde tussenvonnis.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. In haar vonnis van 29 december 2010 heeft de rechtbank de heer ing. J.J.H. van Grootevheen (werkzaam bij LTO Vastgoed BV) tot deskundige benoemd. Dit heeft zij gedaan nadat zij in haar tussenvonnis van 30 juni 2010 partijen in de gelegenheid heeft gesteld eensluidend een taxateur voor te dragen. Hierbij heeft de rechtbank ook bepaald dat zij zelfstandig een taxateur zal benoemen als partijen niet tot een eensluidende voordracht zouden komen.

2.2. In zijn faxberichten van 27 januari en 17 februari 2011 maakt [gedaagde] bezwaar tegen de hoogte van de door de deskundige ingediende begroting alsmede tegen de persoon van de deskundige. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat navraag heeft geleerd dat andere makelaars maximaal EUR 1.500,- in rekening brengen, terwijl de voorschotnota van Van Grootevheen sluit op EUR 4.500,- (exclusief BTW). Volgens [gedaagde] is Van Grootevheen een onervaren deskundige die meer tijd nodig heeft dan een ervaren deskundige.

Verder is Van Grootevheen een goede vriend (zelfs een huisvriend) van [A], aldus [gedaagde]. [A] is de neef van [B], de voormalige eigenaar van het registergoed (bestaande uit onder meer een woonhuis en een bedrijfspand) waarvan Arno en [eiser sub 1 ] ieder voor de helft eigenaar zijn. Deze [B] heeft alle verklaringen van [eiser sub 1 ] rücksichtslos ondertekend, aldus nog steeds [gedaagde].

2.3. In zijn brief van 7 februari 2011 stelt Van Grootevheen zich op het standpunt dat hij het door [gedaagde] genoemde bedrag van EUR 1.500,- kan plaatsen wanneer het een enkelvoudige taxatie betreft. In het onderhavige geval moeten meer werkzaamheden worden verricht.

2.4. In zijn brief van 9 maart 2011 deelt [eiser sub 1 ] het standpunt van [gedaagde] dat het door de deskundige opgegeven aantal uren, en daarmee de begroting, hoog is. Vanwege zijn belang bij een spoedige afwikkeling van de zaak maakt [eiser sub 1 ] geen bezwaar tegen deze begroting.

[eiser sub 1 ] betwist dat er sprake is van vriendschap tussen Van Grootevheen en [A] (aankopend makelaar van het registergoed). Beiden hebben ooit beroepshalve kennis met elkaar gemaakt, omdat zij betrokken zijn geweest bij een project, aldus [eiser sub 1 ]. Tussen [B] en Van Grootevheen bestaat volgens [eiser sub 1 ] geen enkele connectie.

2.5. In zijn schriftelijke reactie betwist Van Grootevheen dat hij een huisvriend is van [A]. Hij stelt dat hij hem alleen zakelijk heeft ontmoet, toen zij gesproken hebben over een project waarbij zij de belangen van verschillende opdrachtgevers hebben behartigd. Verder stelt hij dat hij vanaf 1 april 2006 bij LTO Vastgoed werkt.

2.6. Met betrekking tot de door de deskundige ingediende kostenbegroting overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten voor de werkzaamheden van de deskundige hoog zijn. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer mee dat deze kosten als buitensporig aangemerkt kunnen worden. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat het deskundigenbericht geen betrekking heeft op een enkele taxatie van een registergoed, maar dat de deskundige gevraagd is met betrekking tot een achttal werkzaamheden van [eiser sub 1 ] aan te geven of deze werkzaamheden tot een waardevermeerdering hebben geleid ten opzichte van de koopprijs en zo ja, tot welk bedrag. Om deze vragen te beantwoorden is het, anders dan [gedaagde] stelt, noodzakelijk dat de deskundige niet alleen het tussenvonnis van 29 december 2010 tot zich neemt, maar ook diverse door [eiser sub 1 ] in het geding gebrachte producties.

2.7. Gelet op het voorgaande is het bezwaar tegen de kostenbegroting ongegrond.

2.8. Met zijn stelling dat de deskundige een goede vriend van [A] is, bedoelt [gedaagde] kennelijk te zeggen dat de deskundige zijn opdracht niet onpartijdig kan volbrengen (zoals is vereist in artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering). De rechtbank is – mede gelet op het verweer van [eiser sub 1 ] en de door de deskundige gegeven toelichting – van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die deze conclusie rechtvaardigen. Uit niets blijkt dat sprake is van de door [gedaagde] gestelde vriendschap tussen de deskundige en [A]. Vaststaat wel dat beiden elkaar beroepsmatig kennen, maar dit gegeven brengt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet mee dat de deskundige niet onpartijdig kan rapporteren. De omstandigheid dat [A] familie is van de voormalige eigenaar van het aan Fred en [gedaagde] toebehorende registergoed maakt dit niet anders. In dit licht wijst de rechtbank er voor de volledigheid op dat gesteld noch gebleken is dat de deskundige vriendschappelijke banden onderhoudt met [B], althans een zodanige relatie met hem heeft dat hij daardoor – zoals [gedaagde] impliceert – een deskundigenbericht zal opstellen dat in het voordeel spreekt van [eiser sub 1 ].

2.9. Gelet op het voorgaande is het bezwaar tegen de persoon van de deskundige eveneens ongegrond.

2.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. handhaaft de benoeming van ing. J.J.H. van Grootevheen (werkzaam bij LTO Vastgoed BV) tot deskundige,

3.2. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het bedrag van EUR 5.355,00 (inclusief BTW),

3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.?