Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0320

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
SBR 09-445
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW. Barp. Ontslag politieambtenaar wegens ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/445

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H. Bos, advocaat te Amsterdam,

en

de korpsbeheerder van de politie Utrecht,

verweerder,

gemachtigden: mr. V.U.C.I. Duran en M.D.W. Smit-van Valkenhoef.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 27 september 2007 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) buiten functie gesteld. Daarnaast heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 73 van het Barp de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, ontzegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2 Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 84, eerste lid, van het Barp, geschorst. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3 Bij besluit van 9 juni 2008 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf opgelegd van onvoorwaardelijk ontslag op grond van artikel 77, eerste lid, en onder j, van het Barp, en bepaald dat deze straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.4 Bij besluit van 29 december 2008 heeft verweerder de bezwaren tegen de besluiten van 27 september 2007 en 9 juni 2008 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.5 De rechtbank heeft partijen uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 11 februari 2011 om 11.35 uur. Op die dag heeft de rechtbank om 10.00 uur van de gemachtigde van eiser een verzoek om uitstel ontvangen wegens ziekte van eiser. De rechtbank heeft dat verzoek om uitstel, gelet op het volgende, afgewezen.

1.6 Op grond van artikel 16, zesde lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2010 willigt de rechtbank een verzoek om verdaging slechts in indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. In eisers verzoek heeft de rechtbank de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in dat artikel niet aangetroffen. Immers, de rechtbank kan aan het bijgevoegde bericht van de huisarts van eiser van 10 februari 2011 niet ontlenen dat eiser op grond van ziekte verhinderd is op de zitting te verschijnen. In dit bericht staat slechts dat eiser gebeld heeft dat hij griep heeft en dat de huisarts dit heeft genoteerd, met de aantekening ‘geen actie nodig, uitzieken’. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de behandeling van het beroep reeds vier maal eerder is uitgesteld en dat eiser na zijn door de rechtbank gehonoreerd verzoek om uitstel van 8 november 2010, desgevraagd geen medische verklaring heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij toen verhinderd was die zitting bij te wonen. Ten slotte is meegewogen dat het bestreden besluit dateert van 29 december 2008, eveneens reden waarom verder uitstel niet langer wenselijk werd geacht.

1.7 Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van 11 februari 2011.

Eiser en zijn gemachtigde zijn beiden niet verschenen, hoewel de gemachtigde van eiser bij de telefonische afwijzing van het verzoek om uitstel is meegedeeld dat de zitting doorgang zou vinden.

Namens verweerder is verschenen mr. V.U.C.I. Duran en M.D.W. Smit-van Valkenhoef, beiden werkzaam bij de korpsondersteuning van de Politie Regio Utrecht.

Verweerder heeft ter zitting zijn standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiser was als brigadier van de politieregio Utrecht werkzaam in het district Utrecht Zuid.

2.2 In het voorjaar van 2007 is - voor zover hier van belang - in het kader van een politieonderzoek naar een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, een telefoon van een verdachte afgeluisterd. Op 29 maart 2007 heeft eiser met zijn diensttelefoon gebeld met het afgeluisterde telefoonnummer. Naar aanleiding van de inhoud van het gesprek tussen eiser en die gebruiker van dat telefoonnummer heeft het Bureau Veiligheid en Integriteit (BVI) vervolgens in opdracht van de districtschef Utrecht Zuid een onderzoek ingesteld naar vermeend plichtsverzuim van eiser. Bij besluit van 27 september 2007 heeft verweerder eiser dit onderzoek aangezegd, is eiser buiten functie gesteld en is hem de toegang tot de dienstgebouwen, dienstlokalen en dienstterreinen ontzegd.

2.3 Op 19 februari 2008 heeft het BVI een rapport van dit onderzoek met bijlagen uitgebracht. Uit dit rapport blijkt onder meer dat processen-verbaal zijn opgemaakt en naar de Officier van Justitie te Utrecht zijn gezonden ter zake van de verdenking van verkrachting van een vrouw te Breda en de verdenking van schending van het ambtsgeheim door eiser. Dit heeft geleid tot een strafzaak, met als uitkomst een vonnis van de rechtbank Utrecht van 14 april 2008, LJN: BC9361, en in hoger beroep een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 31 december 2009, LJN: BK9732. In beide instanties is eiser vrijgesproken van de verkrachting en veroordeeld ter zake van de schending van het ambtsgeheim, meermalen gepleegd, onder andere op

5 september 2007.

2.4 Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek door BVI heeft verweerder eiser bij besluit van 27 februari 2008 geschorst. Op 12 maart 2008 heeft het BVI zijn rapportage aangevuld.

2.5 Na daartoe op 25 april 2008 zijn voornemen kenbaar te hebben gemaakt, heeft verweerder eiser bij besluit van 9 juni 2008 op grond van ernstig plichtsverzuim de straf van disciplinair ontslag opgelegd, welke straf onmiddellijk ten uitvoer is gelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en zijn bezwaar op de gehouden hoorzittingen nader toegelicht.

2.6 Bij het bestreden besluit van 29 december 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 27 september 2007 en tegen het besluit van 9 juni 2008, met overneming van het advies van 24 november 2008 van de Bezwarenadviescommissie en na kennis te hebben genomen van het aanvullende rapport van BVI van 19 november 2008, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft daartoe onder meer overwogen dat uit het vonnis van de rechtbank Utrecht van 14 april 2008 blijkt dat eiser is vrijgesproken van verkrachting van een vrouw in maart 2007. Verweerder acht die vrijspraak echter niet doorslaggevend. Immers, volgens verweerder staat vast dat eiser tegenover een vriend heeft verklaard dat hij in de ochtend van 29 maart 2007 een vrouw heeft vastgebonden, haar heeft geslagen en seksueel heeft ‘gepakt’. Eiser heeft zich, door te blijven overnachten bij een jonge vrouw van 20 jaar met een psychisch, sociaal en maatschappelijk zwakke achtergrond, die op proefverlof was vanuit een Justitiële Jeugd Inrichting in Breda, bewust in een kwetsbare positie gebracht. Een politieman behoort zich niet in de omgeving van zo’n jonge kwetsbare vrouw te begeven. Deze gedraging is aangemerkt als plichtsverzuim.

Voorts heeft eiser telefonisch op 5 september 2007 informatie verstrekt over een lopend politieonderzoek aan ten minste twee personen die niet werkzaam zijn bij de politie. Eén van die personen is bij de politie bekend met criminele antecedenten. Deze schending van het ambtsgeheim heeft verweerder aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Eiser is hiervoor door de rechtbank Utrecht veroordeeld.

Verder heeft verweerder overwogen dat eiser heeft erkend dat hij op verzoek van een derde ten behoeve van een verblijfsvergunning een uitdraai heeft laten maken uit de gemeentelijke basisadministratie online en een begeleidend proces-verbaal heeft opgesteld. Beide documenten heeft hij naar het Nederlands consulaat in Marokko gefaxt. Eiser heeft hiermee gehandeld in strijd met de geldende procedure en zijn handelingen heeft hij ten onrechte niet vermeld in het bedrijfsprocessensysteem. Het op deze wijze op onrechtmatige wijze hulp bieden bij het verkrijgen van verblijfspapieren heeft verweerder aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.

Verweerder heeft verder het door eiser laten intrekken van een bekeuring, verkregen op een tijdstip dat hij niet in dienst was aangemerkt als plichtsverzuim. Daarbij heeft verweerder aangetekend dat dit verzoek om sepot niet op zich zelf staat.

Ten slotte heeft verweerder overwogen dat eiser, door de nauwe contacten die hij onderhield met (criminele) burgers en door het onbevoegd verlenen van (politie)diensten, een en ander zoals omschreven in het advies van de Bezwarencommissie, zijn privéleven op onwenselijke wijze verweven heeft met zijn werk bij de politie. Hierdoor heeft hij zijn persoonlijke integriteit aangetast en ook de integriteit van de politie ernstig in gevaar heeft gebracht.

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen het besluit van 9 juni 2008.

2.7 Artikel 76, eerste lid, van het Barp luidt als volgt.

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 77, eerste lid, van het Barp luidt als volgt.

1. De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:

(…)

j. ontslag.

Schending van het ambtsgeheim

2.8 Met betrekking tot de schending van het ambtsgeheim betoogt eiser dat hij door de rechtbank van verschillende ten laste gelegde schendingen van het ambtsgeheim is vrijgesproken. Bovendien betrof een belangrijk deel van de informatie publieke informatie.

2.9 De rechtbank stelt vast dat eiser bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 14 april 2008, en bij het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 31 december 2009 is veroordeeld wegens het meermalen opzettelijk schenden van zijn ambtsgeheim, onder andere op 5 september 2007. Eiser heeft met personen (geen van allen werkzaam bij enige politie- of een andere opsporingsdienst) over de telefoon gesproken over een nog lopend politieonderzoek genaamd LEHAR (betreffende een schietincident met dodelijke afloop in de gemeente Utrecht). Eiser heeft hierbij meermalen verteld dat er een schietpartij heeft plaatsgevonden waarbij een Marokkaanse jongen is doodgeschoten, dat de verdachte van de schietpartij zijn wapen had weggegooid op de snelweg, dat hij met een collega naar dat wapen aan het zoeken is en dat hij en ook de speurhond het wapen niet hebben gevonden.

2.10 De rechtbank ziet geen aanleiding om met betrekking tot het verwijt van schending van het ambtsgeheim in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft terecht aangenomen dat eiser door het verstrekken aan burgers van onderzoeksinformatie die niet als publieke informatie kan worden aangemerkt, zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

Verkrachting

2.11 Eiser betoogt verder in beroep dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de vrijspraak van verkrachting slechts betekent dat de strafrechter niet bewezen heeft geacht dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Vrijspraak wordt ook gegeven indien komt vast te staan dat de verdachte het ten laste gelegde niet heeft begaan. Hij is op leugenachtige wijze beschuldigd. Verder was hij niet bekend met de psychische, sociale en maatschappelijke achtergrond van de vrouw toen hij besloot de nacht met haar door te brengen. Als politieman kan hij met dergelijke situaties omgaan waardoor hij zichzelf niet in een kwetsbare positie heeft gebracht. Een en ander kan geen plichtsverzuim opleveren. Dat in een telefoongesprek is gesproken over zaken die niet hebben plaatsgevonden kan evenmin plichtsverzuim opleveren.

2.12 In het ambtenarentuchtrecht geldt de norm dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

2.13 De rechtbank overweegt dat eiser zowel door de rechtbank Utrecht als door het Gerechtshof te Arnhem in de voormelde vonnissen is vrijgesproken van verkrachting.

Aan deze vonnissen kan worden ontleend dat eiser heeft verklaard dat er tussen hem en de vrouw enige seksuele toenadering is geweest maar dat hij heeft ontkend dat er sprake was van seksueel binnendringen of enige dwang van zijn kant. Door te blijven overnachten bij deze 20-jarige vrouw die in een proefperiode van een Justitiële Jeugd Inrichting in Breda is en een psychisch, sociaal en maatschappelijk zwakke achtergrond heeft, gezien in samenhang met het gegeven dat hij ter zitting van het Gerechtshof Arnhem heeft toegegeven met een bepaalde seksuele intentie daar te zijn heengegaan, heeft eiser zich als politieman minst genomen in een kwetsbare positie gebracht. In dat verband stelt de rechtbank vast dat eiser in niet mis te verstane bewoordingen, zoals kan worden ontleend aan het relaas van het afgeluisterde telefoongesprek van 29 maart 2007 (zoals vermeld onder rechtsoverweging 2.2), naar een burger verhaalt het feit dat hij de nacht bij de bewuste vrouw heeft doorgebracht en de volgende ochtend er achter komt dat hij € 1000,- uit een envelop mist. Het gesprek dat vervolgens plaatsvindt over eisers’ benadering van de betrokken vrouw, is ontluisterend. In dat telefoongesprek beschrijft eiser hoe hij de vrouw in haar kamer opsluit, vastbindt, slaat, dreigt haar botten te breken, zich laat uitkleden, haar aan ‘alle kanten heeft gepakt en haar gezicht heeft volgespogen’. Zelfs als eisers standpunt dat hij vanuit machogedrag dit hele verhaal voor zijn vriend heeft verzonnen, juist zou zijn, dan nog moeten dergelijke uitlatingen als zeer onbetamelijk en onverantwoordelijk worden gekenschetst.

Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat hij alleen al door zijn aanwezigheid bij de vrouw en door het doen van dergelijke uitlatingen niet de afstand jegens burgers in acht heeft genomen waartoe hij in het bijzonder in zijn functie als politieman gehouden was.

Aldus heeft eiser zowel een tekortschietend besef aan integriteit vertoond als het aanzien van de politie schade toegebracht. De rechtbank merkt dit aan als plichtsverzuim.

Hulp bij verkrijging van verblijfspapieren

2.14 Eiser betoogt met betrekking tot het op onrechtmatige wijze bieden van hulp bij de verkrijging van verblijfspapieren dat er geen sprake is van ernstig plichtsverzuim omdat hij de instructies van een medewerker van de vreemdelingenpolitie heeft opgevolgd.

2.15 De rechtbank overweegt dat eiser, zoals blijkt uit het rapport van het BVI, op verzoek van een burger in Marokko, een uitdraai heeft gemaakt uit de gemeentelijke basisadministratie en een proces-verbaal heeft opgesteld waaruit moet blijken dat hij een onderzoek heeft ingesteld. Dit betrof informatie over een betrokkene die woonachtig was buiten het werkgebied van eiser. Deze vertrouwelijke gegevens heeft eiser vervolgens per fax naar de Ambassade in Marokko en naar de burger die hem het verzoek heeft gedaan, verzonden. Eiser heeft deze werkzaamheden ten onrechte niet vermeld in het Bedrijfsprocessensysteem en heeft het proces-verbaal opgesteld buiten de systemen van het politiekorps om. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt voorts dat eiser aan die burger heeft meegedeeld dat hij die brief niet moet gebruiken ‘aangezien die is bestemd voor de politie en het er ook staat geschreven’. Verder heeft eiser in dat gesprek voorgesteld om het woord ‘vertrouwelijk’ maar van de brief af te knippen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat hier sprake is van ernstig plichtsverzuim.

Intrekken bekeuring

2.16 Met betrekking tot het laten intrekken van een bekeuring betoogt eiser dat hij die ochtend wel degelijk dienst had en dat het wel vaker gebeurt dat politieambtenaren op verzoek een bekeuring annuleren. Een enkel verzoek tot sepot levert geen plichtsverzuim op.

2.17 Aan het proces-verbaal van 20 september 2007, opgesteld naar aanleiding van eisers verzoek de parkeerbekeuring te seponeren, ontleent de rechtbank dat de betreffende auto op naam staat van eisers broer. Eiser heeft zijn broer per mail laten weten dat de bekeuring geseponeerd is, waarop eisers broer hem per mail heeft bedankt. Mede gelet op de inconsistente verklaring van eisers broer hieromtrent, overtuigt het betoog van eiser dat hij de auto van zijn broer had geleend en had geparkeerd omdat hij voor de politiedienst folders naar een school bracht, de rechtbank niet. Daar komt bij dat eiser op het tijdstip van de bekeuring volgens zijn urenverantwoording in PCS geen dienst had en dat de plaats van de bekeuring een straat betreft in de buurt van de woning van eisers broer. Dat mogelijk andere politiefunctionarissen zich eveneens schuldig maken of hebben gemaakt aan dit gedrag, kan eiser niet vrijpleiten. Verweerder heeft deze gedraging aan kunnen merken als plichtsverzuim.

2.18 Met betrekking tot de nauwe contacten van eiser met (criminele) burgers en het onbevoegd verlenen van politiediensten, zoals deze zijn omschreven in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggend advies, overweegt de rechtbank dat uit het omvangrijke dossier een beeld naar voren komt dat eiser bij herhaling niet in staat was om adequaat een onderscheid te maken tussen zijn privé- en het dienstbelang. Door deze vermenging wordt een onaanvaardbaar risico genomen dat conflicten rijzen tussen beide belangen. Daarmee wordt eisers integriteit onderwerp van zorg. Dat eiser in een lastige wijk werkte moge zo zijn, maar dit kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat hij de onjuistheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien of niet in overeenstemming met dat inzicht heeft kunnen handelen.

2.19 Verweerder mag strenge eisen stellen aan de integriteit van ambtenaren die werkzaam zijn bij het korps. Uit het dossier inclusief de stukken uit de Procedure Straf- en Disciplinaire Zaken, doemt een beeld op van een politieman die minst genomen weinig besef heeft van de integriteit die van een politieman wordt verlangd. Eiser heeft door zijn optreden het in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd, de integriteit van het korps in diskrediet gebracht en het risico geaccepteerd dat aan de dienst schade zou worden toegebracht. Van enige grond dat eiser deze gedragingen niet kunnen worden toegerekend, is de rechtbank niet gebleken. Daarmee heeft eiser zich aan ernstig plichtsverzuim schuldig gemaakt. Gelet op de aard en de ernst van de verweten gedragingen oordeelt de rechtbank dat de straf van ontslag daaraan niet onevenredig is. Dit geldt al voor enkele van de hiervoor besproken gedragingen op zichzelf, maar zeker voor het geheel.

2.20 Voor zover aan het disciplinaire ontslag nog andere gedragingen ten grondslag liggen, laat de rechtbank deze, gezien de vorenstaande conclusie, buiten bespreking.

Met betrekking tot de ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen het besluit van 7 september 2007.

2.21 Eiser heeft in beroep betoogd dat gezien zijn bezwaren tegen het strafontslag, ten onrechte tevens is besloten tot buitenfunctiestelling en tot oplegging van een bureauverbod.

2.22 Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, met name over de verdenking van het plegen van strafbare feiten door eiser en het naar aanleiding daarvan ingestelde onderzoek, zijn er ook geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat het bestreden besluit in zoverre de rechterlijke toets niet kan doorstaan.

2.23 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Veenendaal, als voorzitter, en mr. G.J. van Binsbergen en mr. B.J. Schueler als leden, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.

De griffier: De voorzitter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. J.W. Veenendaal

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.