Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0225

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
251299 / HA ZA 08-1366
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BX3057, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering Railion tegen Nederlandse Spoorwegen en Spoorwegpensioenfonds is verjaard

Railion (ook bekend onder de nieuwe naam "DB Schenker Rail Nederland N.V.") is een voormalige dochtermaatschappij van de Nederlandse Spoorwegen. Zij heeft het NS-concern en Stichting Spoorwegpensioenfonds (SPF) gedagvaard voor de rechtbank in Utrecht. Zij heeft vorderingen ingesteld die ertoe strekken dat het NS-concern en SPF haar schadeloos stelt voor het feit dat zij (anders dan andere NS-dochtermaatschappijen) geen gebruik mag maken van het voor de Nederlandse Spoorwegen bestemde 'premievermogen' van SPF. Het ontstaan van dit premievermogen is een gevolg van de privatisering van de Nederlandse Spoorwegen in 1994.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van Railion, voor zover deze ziet op de N.V. Nederlandse Spoorwegen (N.V. NS) en SPF, verjaard is. Railion was uiterlijk 6 juni 2003 bekend met haar schade en de daarvoor aansprakelijke personen. De dagvaarding in de onderhavige procedure is later dan 5 jaar nadien uitgebracht (namelijk op 19 juni 2008). Op dat moment was de verjaringstermijn van artikel 3:110 BW al verstreken.

De vorderingen die Railion tegen de NS-dochtermaatschappijen heeft ingesteld, zijn om inhoudelijke redenen niet toewijsbaar. Voor zover deze dochtermaatschappijen al verrijkt zijn ten gevolge van het handelen van N.V. NS en SPF, geldt dat daarvoor een rechtvaardiging aanwezig is in de vorm van de aanwijzing van deze dochters als begunstigden voor het premievermogen van SPF. Daardoor zijn zij niet ongerechtvaardigd verrijkt in de zin van artikel 6:212 BW. De vorderingen van Railion worden dan ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel, handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 251299 / HA ZA 08-1366

Vonnis van 6 april 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

RAILION NEDERLAND N.V.,

thans genaamd DB Schenker Rail Nederland N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. M.R. Ruygvoorn te Utrecht,

tegen

1. de stichting

STICHTING SPOORWEGPENSIOENFONDS,

gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap

N.V. NEDERLANDSE SPOORWEGEN,

gevestigd te Utrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDRAILWAYS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDTRAIN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS INTERNATIONAAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS PERSONEELSADMINISTRATIE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS OPLEIDINGEN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS REIZIGERS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS STATIONS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS VASTGOED B.V.,

gevestigd te Utrecht,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS WERK B.V.,

gevestigd te Utrecht,

12. de naamloze vennootschap

THALYS NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Utrecht,

13. de naamloze vennootschap

NS GROEP N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. M.A. Leijten te Amsterdam,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPF BEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Leijten te Amsterdam,

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELTA RAIL B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M. Brink te Utrecht,

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LLOYD'S REGISTER RAIL EUROPE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht.

Partijen zullen hierna Railion en SPF (gedaagden 1 en 15), NS (gedaagden 2 tot en met 13), Prorail, Delta Rail en Lloyd's genoemd worden. Gedaagde sub 2 zal afzonderlijk worden aangeduid als N.V. NS.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen

- de akte overlegging producties

- de conclusies van antwoord

- het tussenvonnis van 3 december 2008 waarbij een comparitie van partijen is bepaald

- de akte houdende wijziging van (de grondslagen van) de eis, tevens akte houdende inbrengen producties

- de antwoordaktes

- de conclusie van repliek

- de conclusies van dupliek

- de akte uitlating producties aan de zijde van Railion

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 1994 zijn SPF en de Nederlandse Spoorwegen, hierna te noemen: NS Oud, door de wetgever geprivatiseerd. Door deze privatisering verviel het ambtelijke invaliteitspensioen voor medewerkers van NS Oud, en viel de binnen (de rechtsvoorgangster van) SPF voor deze verplichtingen opgebouwde invaliditeitsreserve van ongeveer 1,35 miljard gulden vrij. Eind 2005 was deze in 1994 vrijgevallen reserve opgelopen tot ongeveer EUR 1,85 miljard.

2.2. Vanaf 1994 gelden voor al het personeel van NS Oud de algemeen geldende werknemersverzekeringen. Om te voorkomen dat het nettosalaris van de medewerkers van NS Oud door de privatisering zou dalen, heeft de wetgever bepaald dat de invaliditeitsreserve zou worden toegevoegd aan het vermogen van SPF. Uit deze toevoeging aan het vermogen zouden toekomstige pensioenpremies kunnen worden voldaan. NS Oud zou vanwege het ontbreken van pensioenlasten in staat zijn om haar werknemers een hoger brutosalaris te verstrekken.

2.3. Op 31 mei 1995 is het onderdeel goederenvervoer van NS Oud ondergebracht in een nieuwe vennootschap, genaamd NS Cargo N.V. Railion is de rechtsopvolgster van deze vennootschap.

2.4. Op 19 december 1998 hebben SPF en N.V. NS een overeenkomst gesloten (hierna te noemen: de overeenkomst van 1998), waarin onder meer het volgende is bepaald:

“(…)

Artikel 1

Het bestuur van Stichting SPF erkent dat een deel van het pensioenvermogen ontstaan is door toevoeging van de latente invaliditeitsreserve ad f 1,35 miljard, welke reserve toen ook direct voor NS gereserveerd had kunnen worden. (…) Het bestuur van Stichting SPF erkent dat NS c.q. de rechtsopvolger van NS zeggenschapsrechten over dit deel van het pensioenvermogen toekomt. In het vervolg van deze overeenkomst zal dit voor NS bestemde pensioenvermogen aangeduid worden met premievermogen.

(…)

Artikel 4

Bij de vaststelling van de pensioenpremie voor het compartiment Railvervoer zal het bestuur van Stichting SPF het pensioenvermogen van het compartiment Railvervoer verminderen met het premievermogen. NS kan het bestuur van Stichting SPF voorstellen de voor NS en de door haar aangewezen andere werkgevers berekende premie te verrekenen met het premievermogen. Deze financieringsmogelijkheid eindigt op het tijdstip waarop het premievermogen nul gulden bedraagt. (…)”

2.5. Op 1 maart 1999 zijn de werknemers van NS Oud die op basis van detachering werkzaam waren voor (de rechtsvoorgangster van) Railion, als werknemers in dienst gekomen van Railion.

2.6. Op 2 juli 1999 hebben gedaagde sub 13 (hierna: NS Groep) en Deutsche Bahn AG (hierna: DB) een overeenkomst gesloten, waarbij de aandelen van NS Groep in Railion via een joint venture constructie aan DB werden verkocht.

2.7. Op 23 september 1999 hebben SPF en (de rechtsvoorgangster van) Railion een toetredingsovereenkomst gesloten (productie 3 van NS en SPF). Ingangsdatum van deze overeenkomst is 1 maart 1999. In artikel 7 is vastgelegd dat de rechtsvoorgangster van Railion in geval van beëindiging van de overeenkomst geen aanspraak kan maken op enige vergoeding vanwege het hebben van een nihilpremie of het hebben van een lagere premie dan elders voor de pensioenregeling gevraagd wordt.

Ten aanzien van de pensioenpremie is (in de Bijlage) het volgende bepaald:

“(…) De pensioen- en WAO-excedentpremie die gehanteerd wordt voor werknemers van NS Cargo bedraagt in 1999: een pensioenpremie van 0% over de pensioengrondslag (…)”

2.8. Op 1 januari 2000 zijn de aandelen in (de rechtsvoorgangster van) Railion overgegaan van NS Groep naar DB.

2.9. In de periode van 1994 tot 2003 bedroeg de pensioenpremie voor bedrijven met een NS-verleden nihil. Nieuwe ondernemingen in de spoorwegsector die zich aansloten bij SPF, betaalden een gewone commerciële premie. Met ingang van het jaar 2003 is SPF ook bedrijven met een NS-verleden premie in rekening gaan brengen. Deze premie was wel beduidend lager dan de commerciële premie. Voor NS en door haar aangewezen bedrijven werd deze premie betaald uit het onder 2.4 genoemde premievermogen. Railion diende de premie zelf te financieren.

2.10. Op 10 februari 2003 heeft Railion aan N.V. NS een brief (productie 9 van NS en SPF) gezonden met de volgende inhoud:

“(…)

Railion is aangesloten bij het Spoorwegpensioenfonds. In 1993 is het op de geldende Spoorwegpensioenwet gestoelde ‘oude’ Spoorwegpensioenfonds verzelfstandigd. Voor de verzelfstandiging waren werknemers die aangesloten waren bij het Spoorwegpensioenfonds niet via de reguliere collectieve verzekeringen verzekerd voor arbeidsongeschiktheid dan wel invaliditeit. Uitkeringen dienaangaande kwamen ten laste van respectievelijk NS en het Spoorwegpensioenfonds.

Bij de verzelfstandiging van het Spoorwegpensioenfonds is afgesproken dat (een deel van) de reserve voor latente invaliditeitspensioenen vrijviel. Tevens is toen afgesproken om de premie voor de NV Nederlandse Spoorwegen zo lang mogelijk op nihil te houden. Om die reden is besloten dat het deel van het pensioenvermogen, dat nodig is voor dit beleid, specifiek in te zetten voor pensioendoeleinden van de NV Nederlandse Spoorwegen. Dit overigens enkel wanneer het saldo van pensioenvermogen en verplichtingen positief is. Aldus is de in 1993 vrijgevallen reserve voor latente invaliditeitspensioenen in het pensioenvermogen verbijzonderd.

Het is mij gebleken dat het bedrag van de vrijval reserve latente invaliditeitspensioenen nu wordt gebruikt door NS om de pensioenpremies voor haar personeel te betalen. Ik ben van mening dat ook Railion op het geld van deze voorziening aanspraak kan maken.

Ten tijde van de vrijval latente invaliditeitsreserve in 1993 was NS één concern. Begin 1995 is NS opgesplitst in verschillende onderdelen. Eén van die onderdelen was NS Cargo NV. Onderdeel uitmakend van de NV Nederlandse Spoorwegen kon de vrijgevallen reserve ook ten bate van NS Cargo worden aangewend. Sinds 1 januari 2000 maakt NS Cargo, sedertdien Railion, geen deel meer uit van het NS Concern.

Bij de fusie tussen NS Cargo en DB Cargo is in de joint venture overeenkomst een aantal bepalingen opgenomen over de relatie tussen NS Cargo (verder Railion) en de NS Groep. Afgesproken is dat, indien gewenst, Railion de tussen de verschillende NS bedrijfsonderdelen bestaande overeenkomsten mag continueren, waarbij de voorwaarden waaronder dit gebeurt marktconform dienen te zijn en net zo voordelig voor Railion moeten zijn als voor andere (resterende) onderdelen van de NS Groep.

Specifiek met betrekking tot pensioenen is afgesproken dat Railion lid blijft van het Spoorwegpensioenfonds, dat huidige (1999) en toekomstige werknemers van Railion inbegrepen, zullen mogen profiteren van het pensioenstelsel inclusief vroegpensioen, in plaats van de huidige (1999) werknemers van NS Cargo. Tevens is gesteld dat NS Groep garandeert dat huidige (1999) en toekomstige werknemers van Railion na de verzelfstandiging recht hebben op dezelfde gunstige premies als personeel van andere bij NS Groep aangesloten maatschappijen.

Gezien de oorsprong van het bedrag dat nu door de Nederlandse Spoorwegen gebruikt wordt voor de betaling van de door haar en/of haar werknemers verschuldigde pensioenpremies, gezien het feit dat het bedrag ten tijde van de vrijval en de jaren daarna tevens bestemd was voor de toen nog onder NS vallende werknemers van NS Cargo, gezien de afspraken die bij de fusie tussen NS Cargo en DB zijn gemaakt over overeenkomsten binnen de NS Groep in het algemeen en pensioenen en pensioenrechten in het bijzonder concludeer ik dat ook Railion en medewerkers van Railion voor wat dit geld betreft zouden moeten worden behandeld als waren zij medewerkers van de NS Groep.

De door Railion en haar werknemers verschuldigde premie zou dan ook, analoog aan die voor NS Groep en haar werknemers, uit deze post betaald moeten worden.

Met de hierboven aangehaalde argumenten ben ik van mening dat betaling van pensioenpremie voor Railion-personeel analoog behandeld dient te worden aan die voor personeel van de NS Groep. Dit houdt in dat Railion en haar personeel geen pensioenpremie zijn verschuldigd. Graag zou ik van u een reactie ontvangen waarin u mijn visie onderschrijft. Indien u echter een andere mening bent toegedaan, verzoek ik u nadrukkelijk te beargumenteren waarom uw standpunt afwijkt van mijn standpunt. (…)”

2.11. Bij brief van 7 maart 2003 (productie 10 van NS en SPF) heeft N.V. NS op deze brief als volgt gereageerd:

“(…) In antwoord op uw brief van 10 februari 2003 het volgende.

U bent van mening dat Railion aanspraak kan maken op de ten behoeve van de N.V. Nederlandse Spoorwegen geoormerkte pensioenreserves bij het SPF. U doet daarbij een beroep op bepalingen in de Joint Venture Agreement van 2 juli 1999 (JVA).

1. In artikel 24.2 is een recht van NS Cargo opgenomen, die u in uw brief als volgt vertaalt:

“Afgesproken is dat, indien gewenst, Railion de tussen verschillende NS bedrijfsonderdelen bestaande overeenkomsten mag continueren, waarbij de voorwaarden waaronder dit gebeurt marktconform dienen te zijn en net zo voordelig voor Railion moeten zijn als voor

andere (resterende) onderdelen van de NS Groep.”

2. Artikel 24.5 vertaalt u in uw brief te breed. Relevant is uw vertaling van de laatste volzin van dat artikel:

“Tevens is gesteld dat NS Groep garandeert dat huidige en toekomstige werknemers van Railion na de verzelfstandiging recht hebben op dezelfde gunstige premies als personeel van andere bij NS Groep aangesloten maatschappijen.”

Ad 1.

Er was ten tijde van het sluiten van de JVA geen overeenkomst tussen NS bedrijfsonderdelen met betrekking tot pensioenaangelegenheden. Vanuit die optiek is er geen reden om de pensioenpremie die door het SPF bij Railion in rekening wordt gebracht door anderen dan Railion te doen betalen

Ad 2.

Door het SPF wordt pensioenpremie in rekening gebracht bij de aangesloten bedrijven. Dus aan bij NS Groep aangesloten bedrijven en ook aan Railion. Aan de bij NS Groep aangesloten bedrijven heeft de NV. Nederlandse Spoorwegen (NS) laten weten dat NS voor betaling van de premie zal zorgdragen. Zo ook aan de werknemers van de bij NS Groep aangesloten bedrijven.

Voor Railion werknemers gelden dezelfde (nog steeds) geldende premies als voor de werknemers van de bij NS Groep aangesloten bedrijven. Dat is geheel conform het gestelde in artikel 24.5 JVA.

Mijn conclusie is, op grond van vorenstaande, dat er, op grond van bepalingen in het JVA geen verplichting op de NV NS Groep rust om de Railion-verplichtingen met betrekking tot pensioenpremie over te nemen.

Mijn overtuiging is dat, als Railion bij de totstandkoming van het JVA van opvatting was dat een evenredig deel van een onderdeel van het vermogen van de Stichting Spoorwegpensioenfonds aan Railion had moeten worden toebedacht, dat dit toentertijd in het JVA en met het SPF expliciet geregeld had moeten worden.

Dat de bijzondere geschiedenis van de totstandkoming van het vermogen van de Stichting Spoorwegpensioenfonds en van enige specifieke aanspraken van NS met zich meebrengt dat NS Groep anno 2003 haar pensioenpremie-verplichtingen kan nakomen zonder out of pocketbetalingen te doen terwijl Railion, zoals vele andere ook bij SPF aangesloten werkgevers die mogelijkheid niet heeft, ervaart u begrijpelijkerwijs als pijnlijk. Maar deze situatie is een van logische consequenties, verbonden aan de overgang van Railion Benelux NV van NS Groep NV naar Deutsche Bahn AG. (…)”

2.12. Op 6 juni 2003 heeft Railion, in een reactie op de brief van N.V. NS van 7 maart 2003, het volgende medegedeeld (productie 11 van NS en SPF):

“(…)

In uw brief stelt u terecht dat Railion dat Railion van mening is dat ze aanspraak maakt op de ten behoeve van de NV. Nederlandse Spoorwegen geoormerkte pensioenreserve bij het Spoorwegpensioenfonds. In ons eerste schrijven hebben wij een beroep gedaan op bepalingen uit de door uw bedrijf en DB AG afgesloten Joint Venture Agreement (JVA).

U wijst Railions aanspraak op genoemde pensioenreserve af, omdat deze aanspraak niet uit de Railion aangehaalde artikelen uit de JVA volgt.

Ik ben het niet eens met uw conclusie dat Railion geen aanspraak kan maken op de pensioenreserve niet eens, en wel vanwege het volgende:

Het privatiseren van het Spoorwegpensioenfonds (SPF) leidde tot een loonkostensprong bij NS, want het NS-personeel kwam te vallen onder de algemeen geldende werknemersverzekeringen. NS en het SPF zijn bereid geweest deze loonkostensprong te financieren. Hiervoor is een constructie afgesproken, waarbij de vrijgevallen voorziening latente invaliditeitspensioenen zou dienen als financiering van die loonkostensprong.

Het privatiseren van het SPF vormde één van de stappen bij het losmaken van de band overheid-NS zoals die zich in de jaren negentig van de vorige eeuw afspeelde. Tijdens het privatiseringsproces van het SPF was er nog niet concreet sprake van verzelfstandiging, laat staan uitplaatsing, van onderdelen van de NS Holding. De Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds gaat dan ook uit van een regeling voor het personeel van de N.V, Nederlandse Spoorwegen (NS). De loonkostensprongreductieregeling gold dan ook onverkort voor alle personeel van NS.

Ook na de verzelfstandiging van NS en de opsplitsing per 1januari 1995 van de ene grote NV in een holding met dochtervennootschappen, één daarvan NS Cargo N.V., is er voor de pensioenvoorziening en het vermijden van een loonkostensprong niets veranderd.

Per 1 januari 2000 is de naam van N.V. NS Cargo gewijzigd in Railion Benelux N.V. De aandelen van NS Cargo zijn, inclusief de bijkomende rechten, door de N.V. Nederlandse Spoorwegen ingebracht in de joint venture met DB AG.

Uw stelling dat “als Railion bij de totstandkoming van het JVA van opvatting was dat een evenredig deel van een onderdeel van het vermogen van de Stichting Spoorwegpensioenfonds aan Railion had moeten worden toebedacht, dat dit toentertijd in het JVA en met het SPF expliciet geregeld had moeten worden” gaat dan ook in het geheel niet op: alle rechten die aan de door N.V. Nederlandse Spoorwegen ingebrachte aandelen N.V. NS Cargo kleefden (de JVA spreekt hierbij over de ‘NS Cargo Contribution’) zijn overgegaan naar de joint venture. Aangezien er ten aanzien van het recht op loonkostenreductie door middel van gebruik van de vrijgevallen voorziening latente invaliditeitspensioenen niets bijzonders is geregeld, geldt de bij de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds horende loonkostensprongreductieregeling onverkort voor Railion Benelux N.V.

De enige conclusie kan dan ook zijn, dat Railion Benelux N.V., evenals de NS Groep, anno 2003 (en zolang de bovengenoemde vrijgevallen voorziening toereikend is) haar pensioenpremie-verplichtingen kan nakomen zonder out of pocketbetalingen te doen. Uw vergelijking tussen Railion en andere bij het SPF aangesloten werkgevers gaat op grond van bovenstaande feiten en de relatie van Railion tot NS ten tijde van de oprichting van de Stichting Spoorwegpensioenfonds, dan ook niet op. Later bij de Stichting Spoorwegpensioenfonds toegetredenen delen namelijk niet mee in de ‘erfenis’ van het SPF, Railion, als volbloed erfgenaam van het SPF wèl.

Ik ga ervan uit dat, analoog aan de NS Groep, Railion met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003 en tot de bij de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds afgesproken loonkostensprongreductieregeling is beëindigd, wordt ontheven van het doen van out of pocketbetalingen voor haar pensioenpremie-verplichtingen. Ik verneem zulks gaarne spoedig van u. (…)”

2.13. In december 2003 heeft NS Railion in kennis gesteld van de inhoud van de overeenkomst van 1998.

2.14. Bij overeenkomst van 20 december 2005 hebben SPF en N.V. NS de overeenkomst van 1998 vervangen door een nieuwe overeenkomst (hierna te noemen: de overeenkomst van 2005). Als bijlage bij deze overeenkomst van 2005 is een lijst met door N.V. NS aangewezen ondernemingen gevoegd die kunnen profiteren van de in de overeenkomst beschreven regelingen. Railion komt niet op deze lijst voor.

2.15. Op 15 februari 2007 hebben drie arbiters in een door DB tegen NS Groep gestarte arbitrageprocedure in Duitsland beslist dat NS Groep in strijd met de onder 2.6 bedoelde overeenkomst heeft gehandeld door de werknemers van Railion voor het betalen van de pensioenpremies niet gelijk te behandelen met haar eigen werknemers.

2.16. Op 19 juni 2008 heeft Railion de dagvaardingen uitgebracht die de onderhavige procedure hebben ingeleid.

3. Het geschil

3.1. Railion vordert - na eiswijziging - het volgende:

1. te verklaren voor recht dat de in de gronden van de eis omschreven uitsluiting van DB Schenker Nederland van de financiering van pensioenpremies en andere regelingen vanaf 2003 ten laste van het vrije vermogen inclusief het premievermogen wanprestatie van SPF jegens Railion oplevert;

2. te verklaren voor recht dat de in de gronden van de eis omschreven uitsluiting van DB Schenker Nederland van de financiering van pensioenpremies en andere regelingen vanaf 2003 ten laste van het vrije vermogen inclusief het premievermogen door SPF en N.V. NS jegens Railion onrechtmatig is;

3. te verklaren voor recht dat de in de gronden van de eis omschreven uitsluiting van DB Schenker Nederland van de financiering van pensioenpremies en andere regelingen vanaf 2003 ten laste van het vrije vermogen inclusief het premievermogen tot ongerechtvaardigde verrijking van N.V. NS en van gedaagden sub 3 tot en met sub 17 leidt;

4. te verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende door Railion geleden en te lijden schade;

5. gedaagden hoofdelijk te veroordelen de door Railion als gevolg van de wanprestatie, althans het onrechtmatig handelen, althans de ongerechtvaardigde verrijking van gedaagden geleden en nog te lijden schade te vergoeden, op een wijze en omvang nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagden in de kosten van de onderhavige procedure;

6. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten, nader te begroten volgens de normering van het rapport Voorwerk II.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Railion haar vorderingen onder 4 en 5 in zoverre verminderd dat zij niet langer vastgesteld wil zien dat sprake is van hoofdelijke verbondenheid van de partijen die in haar visie ongerechtvaardigd zijn verrijkt.

3.2. Gedaagden voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter

4.1. De rechtbank heeft geconstateerd dat Railion in de dagvaarding heeft gesteld dat een deel van de vorderingen tegen SPF zou kunnen worden beschouwd als vorderingen met betrekking tot een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 23 Pensioenwet zodat ingevolge artikel 216 Pensioenwet in samenhang met artikel 93 dub d Rv de kantonrechter bevoegd is van dat deel van de vorderingen kennis te nemen. Railion heeft gesteld dat de sector civiel bevoegd is met betrekking tot de vorderingen tegen de overige gedaagden. Railion heeft vervolgens in de dagvaarding aangevoerd dat de zaak ongeschikt is om deels naar de kantonrechter te verwijzen en de handelskamer verzocht om alle vorderingen - in het licht van de complexiteit van het geschil, de verwevenheid van de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegen feiten en het belang van Railion om alle gedaagden in één procedure te betrekken - aan zich te houden.

4.2. De rechtbank heeft geconstateerd dat de gedaagde partijen op geen enkel moment in deze procedure bezwaar hebben gemaakt tegen dit verzoek. Integendeel, bij pleidooi hebben zij - desgevraagd - daarmee ingestemd

4.3. Gelet op het voorgaande en het feit dat de meervoudige kamer die deze zaak behandelt mede uit rechters bestaat die ook werken als kantonrechter, ziet de rechtbank geen aanleiding om ambtshalve de zaak naar de kantonrechter te verwijzen. De rechtbank zal de zaak tegen SPF - onder analoge toepassing van artikel 98 Rv - aan zich houden.

De positie van NS Groep

4.4. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Railion nadrukkelijk aangegeven dat NS Groep alleen gedagvaard is voor de vorderingen die hun grondslag vinden in ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank zal dat in het navolgende tot uitgangspunt nemen.

Het beroep op verjaring van N.V. NS en SPF

4.5. N.V. NS en SPF hebben als primair verweer tegen de jegens hen ingestelde vorderingen aangevoerd dat deze vorderingen op grond van artikel 3:310 BW zijn verjaard, aangezien Railion al begin 1998, althans begin 2003 op de hoogte was van de personen die aansprakelijk waren voor het door haar gestelde onrechtmatig handelen althans toerekenbaar tekortkomen, alsmede voor de dientengevolge door haar geleden schade.

4.6. Railion stelt zich op het standpunt dat zij pas op 23 december 2003 bekend is geraakt met de aansprakelijke personen, omdat zij toen pas op de hoogte raakte van de inhoud van de overeenkomst van 1998. Pas op dat moment beschikte zij over voldoende informatie om te kunnen beoordelen of er voldoende juridische grondslag was voor het indienen van de onderhavige vorderingen.

Voorts brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat N.V. NS en SPF, gelet op hun verzwijging van de inhoud van de overeenkomst van 1998, geen beroep kunnen doen op verjaring.

Daarnaast is Railion van mening dat de brief van 11 februari 2003, waarop N.V. NS en SPF hun beroep op verjaring mede baseren, niet door een jurist is opgesteld, en ook niet als een sommatie kan worden aangemerkt.

Ten slotte stelt Railion dat omdat N.V. NS tot de overeenkomst van 2005 elk jaar bepaalde welke ondernemingen begunstigden zouden zijn van het afgescheiden vermogen, N.V. NS en SPF elk jaar onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld althans toerekenbaar tekortgeschoten zijn, zodat de handelingen die in de laatste vijf jaar vóór de dagvaarding hebben plaatsgevonden, niet verjaard kunnen zijn.

4.7. Ingevolge artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

4.8. Voor de beantwoording van de vraag of de tegen N.V. NS en SPF ingestelde vordering tot schadevergoeding verjaard is, komt het - in het licht van het standpunt van Railion daarover - aan op de beantwoording van de volgende vragen:

1. of er sprake is van één toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad aan de zijde van N.V. NS en SPF, of van meerdere;

2. op welk moment Railion bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

Één of meerdere onrechtmatige daden/toerekenbare tekortkomingen

4.9. Railion heeft de gestelde tekortkoming van SPF en de gestelde onrechtmatige daad van NV N.S. en SPF omschreven als het uitsluiten van Railion van de financiering van pensioenpremies en andere regelingen vanaf 2003 ten laste van het vrije vermogen inclusief premievermogen. Railion heeft de tekortkoming van SPF gekoppeld aan het niet nakomen van een bij haar gewekte gerechtvaardigde verwachting ten tijde van het sluiten van de toetredingsovereenkomst in september 1999, inhoudende dat zij hetzelfde zou worden behandeld als andere oud-NS bedrijven. Het gestelde onrechtmatig handelen bestaat in het bijzonder uit het nalaten door N.V. NS om Railion aan te wijzen als een werkgever die zijn premie met het premievermogen mocht verrekenen, en uit de medewerking van SPF aan de uitsluiting van Railion van het gebruik van het premievermogen.

4.10. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover al zou kunnen worden gezegd dat het niet-nakomen van de gewekte verwachting door SPF en voormeld nalaten en meewerken van NV N.S. en SPF in de periode na 2003 elke dag, of elk jaar plaatsvond, geldt dat deze handelingen als een samenstel van handelingen moeten worden aangemerkt, die te herleiden zijn tot een (noodzakelijkerwijs vóór 2003 genomen) besluit van N.V. NS (en het meewerken van SPF aan de uitvoering daarvan) om Railion, als NS-onderneming die zou worden overgedragen, niet aan te wijzen als werkgever die haar premies met het premievermogen mocht verrekenen.

4.11. Dat in deze geen sprake is van meerdere, separate onrechtmatige daden wordt bevestigd door het feit dat de schade van Railion en de aard van de schadeposten in de periode van 2003 tot de overeenkomst van 2005 geen verandering hebben ondergaan. Die schade bestaat immers uit de premies die Railion als werkgever voor haar werknemers in die periode heeft voldaan, en die zij niet ten laste van het premievermogen heeft mogen brengen.

4.12. Gelet op het voorgaande moet geoordeeld worden dat het gestelde handelen van N.V. NS in de periode 2003 tot 2005 (door Railion elk jaar niet aan te wijzen als begunstigde werkgever) niet telkens een zelfstandige onrechtmatige daad jegens Railion oplevert. Daarmee kan ook aan de zijde van SPF (als partij die volgens Railion aan de uitsluiting meewerkt) maar sprake zijn van één zelfstandige onrechtmatige daad. Hetzelfde geldt (mutatis mutandis) voor de gestelde tekortkoming van SPF.

Bekendheid met schade en aansprakelijke persoon

4.13. Vervolgens dient beoordeeld te worden op welk moment Railion bekend is geworden met de schade die zij heeft geleden en zou lijden, alsmede met de daarvoor aansprakelijke persoon.

4.14. De rechtbank constateert dat Railion in haar brief van 11 februari 2003 aan N.V. NS onder meer het volgende schrijft:

“Het is mij gebleken dat het bedrag van de vrijval reserve latente invaliditeitspensioenen nu wordt gebruikt door NS om de pensioenpremies voor haar personeel te betalen. Ik ben van mening dat ook Railion op het geld van deze voorziening aanspraak kan maken.”

Voorts schrijft zij:

“Gezien de oorsprong van het bedrag dat nu door de Nederlandse Spoorwegen gebruikt wordt voor de betaling van de door haar en/of haar werknemers verschuldigde pensioenpremies, gezien het feit dat het bedrag ten tijde van de vrijval en de jaren daarna tevens bestemd was voor de toen nog onder NS vallende werknemers van NS Cargo, gezien de afspraken die bij de fusie tussen NS Cargo en DB zijn gemaakt over overeenkomsten binnen de NS Groep in het algemeen en pensioenen en pensioenrechten in het bijzonder concludeer ik dat ook Railion en medewerkers van Railion voor wat dit geld betreft zouden moeten worden behandeld als waren zij medewerkers van de NS Groep.

De door Railion en haar werknemers verschuldigde premie zou dan ook, analoog aan die voor NS Groep en haar werknemers, uit deze post betaald moeten worden.”

4.15. In reactie op deze brief geeft N.V. NS aan:

“Door het SPF wordt pensioenpremie in rekening gebracht bij de aangesloten bedrijven. Dus aan bij NS Groep aangesloten bedrijven en ook aan Railion. Aan de bij NS Groep aangesloten bedrijven heeft de NV. Nederlandse Spoorwegen (NS) laten weten dat NS voor betaling van de premie zal zorgdragen. Zo ook aan de werknemers van de bij NS Groep aangesloten bedrijven.

Voor Railion werknemers gelden dezelfde (nog steeds) geldende premies als voor de werknemers van de bij NS Groep aangesloten bedrijven.”

4.16. Railion reageert hierop bij brief van 6 juni 2003:

In uw brief stelt u terecht dat Railion dat Railion van mening is dat ze aanspraak maakt op de ten behoeve van de NV. Nederlandse Spoorwegen geoormerkte pensioenreserve bij het Spoorwegpensioenfonds. In ons eerste schrijven hebben wij een beroep gedaan op bepalingen uit de door uw bedrijf en DB AG afgesloten Joint Venture Agreement (JVA).

U wijst Railions aanspraak op genoemde pensioenreserve af, omdat deze aanspraak niet uit de Railion aangehaalde artikelen uit de JVA volgt.

Ik ben het niet eens met uw conclusie dat Railion geen aanspraak kan maken op de pensioenreserve niet eens, en wel vanwege het volgende:”

en:

“Uw vergelijking tussen Railion en andere bij het SPP aangesloten werkgevers gaat op grond van bovenstaande feiten en de relatie van Railion tot NS ten tijde van de oprichting van de Stichting Spoorwegpensioenfonds, dan ook niet op. Later bij de Stichting Spoorwegpensioenfonds toegetredenen delen namelijk niet mee in de ‘erfenis’ van het SPF, Railion, als volbloed erfgenaam van het SPF wèl.

Ik ga ervan uit dat, analoog aan de NS Groep, Railion met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003 en tot de bij de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds afgesproken loonkostensprongreductieregeling is beëindigd, wordt ontheven van het doen van out of pocketbetalingen voor haar pensioenpremie-verplichtingen.”

4.17. De hiervoor weergegeven correspondentie kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat Railion uiterlijk op 6 juni 2003 op de hoogte was van het feit dat zij, anders dan andere oud-NS bedrijven, was uitgesloten van de financiering van haar premies uit het premievermogen. Voorts blijkt uit deze correspondentie dat zij er op dat moment van op de hoogte was dat het pensioenvermogen bedoeld was voor de N.V. Nederlandse Spoorwegen (aan die rechtspersoon richtte zij ook haar brieven) en dat het pensioenvermogen waarop zij aanspraak meende te hebben, werd beheerd door SPF. Op dat moment beschikte zij derhalve over de benodigde feiten om haar schade vast te stellen, in de vorm van het ontbreken van de mogelijkheid om haar toenmalige en toekomstige premies uit het premievermogen te voldoen, alsmede over informatie over de daarvoor verantwoordelijke partijen, namelijk N.V. NS en SPF.

4.18. De omstandigheid dat Railion op dat moment wellicht niet op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomst van 1998, maakt dit niet anders. Immers, die overeenkomst verklaart wellicht waarom N.V. NS en SPF Railion niet hebben laten meedelen in het premievermogen (namelijk omdat deze overeenkomst N.V. NS expliciet de bevoegdheid gaf om begunstigde NS-bedrijven aan te wijzen), maar dit laat onverlet dat Railion van de gevolgen van die overeenkomst begin 2003 wel, blijkens voormelde correspondentie, op de hoogte was. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het starten van de verjaring ex artikel 3:310 BW niet vereist dat de benadeelde ook van de oorzaak van zijn schade op de hoogte is (vgl. Hoge Raad 20 februari 2004, NJ 2006, 113).

4.19. Anders dan Railion kennelijk meent, is voor het starten van de verjaring ook niet vereist dat de benadeelde aan de aansprakelijke personen een sommatie heeft gezonden. Voldoende is dat uit bepaalde feiten en omstandigheden bekendheid van Railion met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon valt af te leiden.

Voor zover Railion beoogt te stellen dat zij begin 2003 niet op de hoogte was van een eventuele juridische grondslag voor haar vorderingen, geldt dat bekendheid met de juridische beoordeling van de betreffende feiten en omstandigheden voor verjaring evenmin vereist is (vgl. Hoge Raad 26 november 2004, NJ 2006,115).

4.20. Voor zover Railion heeft gesteld dat een beroep van N.V. NS en SPF op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de verzwijging van het bestaan en de inhoud van de overeenkomst van 1998, volgt de rechtbank haar daarin niet. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom zou moeten worden aangenomen dat Railion bij eerdere bekendheid met de inhoud van de overeenkomst van 1998 eerder dan zij thans heeft gedaan N.V. NS en SPF zou hebben gesommeerd en de verjaring zou hebben gestuit ter zake van het door haar gestelde onrechtmatig handelen en toerekenbaar tekortkomen. Immers, ook op het moment dat zij wel van die overeenkomst kennis droeg, in december 2003, heeft dat niet tot het stuiten van de verjaring middels een sommatie of het instellen van de onderhavige vorderingen geleid. Uit de door partijen geschetste gang van zaken leidt de rechtbank af dat Railion eerst heeft gepoogd om haar rechtspositie middels de arbitrageprocedure tussen haar moedermaatschappij DB en NS Groep veilig te stellen. Pas toen daarin een voor haar deels ongunstige beslissing was genomen, heeft zij de onderhavige procedure ingesteld. Het voorgaande betekent dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, de conclusie niet gerechtvaardigd is dat er een causaal verband bestaat tussen het bekend worden met de overeenkomst van 1998 en het moment van indienen van de onderhavige vorderingen, namelijk bij dagvaarding van 19 juni 2008. Gelet daarop valt niet in te zien waarom de gestelde verzwijging van de inhoud van de overeenkomst van 1998 het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou doen zijn.

4.21. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Railion uiterlijk op 6 juni 2003 bekend was met haar schade en de daarvoor aansprakelijke personen, en dat haar vordering tot schadevergoeding jegens N.V. NS en SPF op het moment van uitbrengen van de onderhavige dagvaardingen op 19 juni 2008 was verjaard. Dit betekent dat de jegens N.V. NS en SPF ingestelde vordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar is.

4.22. Daarmee zijn nog niet alle vorderingen ten aanzien van SPF en N.V. NS verjaard. Immers, de overige vorderingen strekken tot het afgeven van verklaringen van recht dat SPF en N.V. NS onrechtmatig hebben gehandeld althans toerekenbaar tekortgeschoten zijn. Dergelijke vorderingen vallen niet onder de korte verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:310 BW, aangezien zij niet strekken tot vergoeding van schade.

4.23. Railion heeft evenwel ten aanzien van de gevorderde verklaringen van recht geen ander belang gesteld dan dat zij de schade die zij lijdt ten gevolge van het gestelde onrechtmatig handelen dan wel toerekenbaar tekortkomen van N.V. NS en SPF vergoed wil krijgen. Nu de vordering tot schadevergoeding wegens verjaring niet kan slagen, resteert er voor Railion geen voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij de gevorderde verklaringen van recht (vgl. Hoge Raad 30 maart 1951, NJ 1952,29, 9 oktober 1998, NJ 1998, 853 en Hoge Raad 15 juni 2001, LJN AB2178). De gevorderde verklaringen van recht zullen dan ook tevens worden afgewezen.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.24. De rechtbank laat in het midden of het beroep op verjaring van de op de grond van ongerechtvaardigde verrijking ingestelde vorderingen opgaat. Immers, zelfs als dit vraagstuk in het voordeel van Railion zou worden beslist, kunnen de op grond van ongerechtvaardigde verrijking ingestelde vorderingen jegens deze gedaagden (NS, Prorail, Delta Rail en Lloyd's) op inhoudelijke gronden niet slagen.

4.25. Railion heeft aangevoerd dat NS, SPF Beheer, Prorail, Delta Rail en Lloyd's (hierna mede te noemen: de overige gedaagden) ongerechtvaardigd zijn verrijkt door de overeenkomsten van 1998 en 2005 en door de onrechtmatige handelwijze van NS en SPF. Volgens Railion profiteren zij disproportioneel van de voorzieningen die in 1994 gecreëerd zijn voor de toenmalige NS Oud en haar werknemers, nu zij het deel dat voor Railion bestemd was, kunnen opsouperen.

4.26. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:212 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

4.27. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. Voor zover aan de zijde van de overige gedaagden al sprake is van een verrijking, geldt dat deze verrijking zijn grondslag vindt in een specifieke rechtshandeling, namelijk de aanwijzing door N.V. NS van deze gedaagden als werkgevers die hun premie met het premievermogen mogen verrekenen. De omstandigheid dat deze gedaagden daarmee disproportioneel van deze voorziening profiteren, is een gevolg van deze rechtshandeling, en heeft derhalve daarmee een rechtvaardiging (vgl. Hoge Raad 30 september 2005, NJ 2007, 154). Ook de vorderingen die op ongerechtvaardigde verrijking zijn gebaseerd, moeten derhalve worden afgewezen.

4.28. Railion zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van iedere bij één procesadvocaat verschenen gedaagde worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.062,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Railion in de proceskosten, aan de zijde van SPF en NS tot op heden begroot op EUR 2.062,00, en bepaalt dat deze kosten binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis voldaan moeten zijn, bij gebreke waarvan Railion van rechtswege in verzuim zal zijn,

5.3. veroordeelt Railion in de proceskosten, aan de zijde van Prorail tot op heden begroot op EUR 2.062,00, en bepaalt dat deze kosten binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis voldaan moeten zijn, bij gebreke waarvan Railion van rechtswege in verzuim zal zijn,

5.4. veroordeelt Railion in de proceskosten, aan de zijde van Delta Rail tot op heden begroot op EUR 2.062,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.5. veroordeelt Railion in de proceskosten, aan de zijde van Lloyd’s tot op heden begroot op EUR 2.062,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

5.6. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3 en 5.5 vermelde kostenveroor-delingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, mr. J.J.M. de Laat en mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2011.?

WV