Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0117

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
SBR 10/919
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Ontruiming van een dienstwoning van een ambtenaar. Sprake van een dienstwoning in de zin van ARU en URU ook al hoeft eiser de woning niet uit hoofde van zijn functie te worden bewoond. Toezegging door verweerder dat eiser tot het einde van zijn dienstverband in de dienstwoning kon blijven wonen.

Het niet nakomen van de toezegging maakt inbreuk op eisers rechtszekerheid en het bij eiser op goede gronden berustende vertrouwen. De conclusie is dat het bestreden besluit in strijd is met de aan eiser gedane ongeclausuleerde, onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging en reeds om die reden niet in stand kan blijven. Het beroep is dan ook gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/919

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: A. Lange, werkzaam als regiojurist bij ABVAKABO FNV, Regiokantoor Noord-West te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.P.M. van der Sprong en W. de Graaf.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft de directeur Stadswerken namens verweerder besloten om, met toepassing van artikel 4.1 onder a en c van de Uitvoeringsregeling Utrecht 15b (URU 15b), de status van dienstwoning per 1 januari 2010 in te trekken en eiser aangeboden om de woning per die datum te gaan huren voor € 1675,-- per maand (aan kale huur). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 februari 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder geoordeeld dat het besluit om de woning niet langer als dienstwoning aan te merken op juiste gronden is genomen en dat eiser per 1 januari 2012 de woning op grond van onderdeel 4.3 van de

URU 15b moet hebben ontruimd. Verder heeft verweerder het besluit van 20 augustus 2009 herroepen voor zover het betrekking heeft op het huuraanbod. Naar het oordeel van verweerder was de directeur Stadswerken niet bevoegd om aan eiser een huuraanbod te doen.

Eiser heeft tegen het besluit van 8 februari 2010 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 13 december 2010, waar eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiser is bij besluit van 6 april 1988 in vaste dienst benoemd bij de

Dienst Openbare Werken, afdeling Begraafplaatsen en is daar nog steeds werkzaam.

2.2 Bij brief van 9 oktober 1991 heeft de waarnemend directeur van de

Dienst Openbare Werken – voor zover van belang – het volgende aan eiser geschreven:

“Hierbij deel ik u mede dat u met ingang van 1 november 1991 de dienstwoning aan de [adres] kunt betrekken.

(…)

Voor de goede orde wil ik u erop wijzen, dat de dienstwoning door u betrokken kan worden zolang u werkzaam bent bij de Algemene Begraafplaatsen. Bij het beëindigen van uw dienstverband bij de Algemene Begraafplaatsen dient u zelf voor vervangende woonruimte te zorgen.”

2.3 Vervolgens zijn de hiervoor onder 1.1 weergegeven besluiten genomen.

2.4 Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om de intrekking van de status van de dienstwoning en de door verweerder aan eiser per 1 januari 2012 aangezegde ontruiming van de woning.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn ter zitting ingenomen stelling dat het beroep zich niet kan richten tegen de intrekking van de status van de dienstwoning, omdat eiser daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen de beslissing tot intrekking van de status van de dienstwoning, temeer daar de ontruimingsbeslissing en de beslissing tot intrekking van de status van de dienstwoning nauw met elkaar verbonden zijn. Volgens het besluit van 20 augustus 2009 valt het moment waarop de status van de dienstwoning wordt ingetrokken gelijk met het moment waarop de woning, bij gebreke van het aangaan van een huurovereenkomst, moet worden ontruimd.

2.5 Verweerder heeft zijn bevoegdheid tot intrekking van de status van de dienstwoning en aanzegging van de ontruiming van de woning ontleend aan de in de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU) en de Uitvoeringsregeling Utrecht (URU) 15b neergelegde regels.

2.6 De ten tijde van het bestreden besluit geldende URU 15b is een regeling die is vastgesteld ter uitvoering van het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 15:9 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU).

In het bestreden besluit verwijst verweerder echter niet naar artikel 15:9, van de ARU maar naar artikel 15:8 van de ARU. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook op dit punt op een ondeugdelijke motivering. Dit brengt mee dat het bestreden besluit vanwege strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven.

2.7 Op grond van artikel 15:9, eerste lid, van de ARU kunnen burgemeester en wethouders, indien dit noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie, de ambtenaar verplichten te blijven wonen of te gaan wonen in een door hen aan te wijzen dienstwoning.

In artikel 1 van de URU 15b is bepaald dat onder dienstwoning een woning wordt verstaan die door een personeelslid moet worden bewoond omdat dit voor de uitoefening van zijn functie noodzakelijk is. De verplichting vloeit voort uit het dienstverband met de gemeente.

In artikel 4.1 onder a en c van de URU 15b is bepaald dat de dienstwoning moet worden ontruimd wanneer:

a) naar het oordeel van het diensthoofd bewoning van de dienstwoning door het personeelslid

in verband met de vervulling van zijn functie en uit een oogpunt van dienstbelang niet

langer noodzakelijk is;

(…)

c) aan de woning een andere bestemming dan die van dienstwoning wordt gegeven.

Ingevolge artikel 4.3 van de URU 15b moet de ontruiming plaatsvinden binnen zes maanden nadat het (gewezen) personeelslid op de hoogte is gesteld van de verplichting om de woning te ontruimen.

In artikel 6.1 van de URU 15b is bepaald dat burgemeester en wethouders een woning als dienstwoning kunnen aanwijzen.

2.8 Partijen zijn het erover eens dat eiser in verband met de goede vervulling van zijn functie niet verplicht was om in de woning aan de [adres] te [woonplaats] te gaan wonen en te blijven wonen.

2.9 Eiser heeft betoogd dat nu sprake is van een “oneigenlijke” dienstwoning verweerder niet bevoegd is om op grond van artikel 4.1 onder a en c van de URU 15b de ontruiming van de woning door eiser te gelasten. Volgens eiser wordt de vraag of ontruiming van de woning kan worden gelast, beheerst door het huurrecht en dient de kantonrechter zich te buigen over de vraag of ontruiming is toegestaan of niet.

2.10 Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Vaststaat dat eiser (nog steeds) in vaste dienst is bij verweerder en dat zijn rechtspositie is neergelegd in de ARU en URU 15b. In de ARU en URU 15b is onder meer een regeling met betrekking tot dienstwoningen opgenomen, welke regeling voor zover voor deze zaak relevant is, weergegeven is in 2.7.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] op enig moment, in ieder geval voordat eiser daarin ging wonen, door verweerder is aangewezen als dienstwoning. Het is niet gebleken dat verweerder de status van dienstwoning vóór zijn aan eiser gerichte besluit van 20 augustus 2009 heeft ingetrokken.

Dit betekent dat de woning in ieder geval tot 20 augustus 2009 formeel als dienstwoning geldt. Dat de woning door eiser in feite niet als dienstwoning in de zin van de ARU en URU 15b werd gebruikt, doet daaraan niet af, omdat de status van dienstwoning pas verloren gaat indien daartoe door verweerder een besluit wordt genomen. De rechtbank ziet zich daarbij gesteund door de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 november 2008, LJN: BG4999.

Nu de rechtspositie van eiser is neergelegd in de ARU en URU 15b en de woning

– ondanks dat deze door eiser niet als dienstwoning werd bewoond – formeel nog steeds de status van dienstwoning had, is de in de ARU en URU 15b neergelegde regelgeving met betrekking tot dienstwoningen in dit geval van toepassing. Verweerder kon zijn ontruimingsbevoegdheid dan ook ontlenen aan artikel 4.1 onder a en c van de URU 15b. Dit betekent dat het huurrecht in dit geval niet van toepassing is.

2.11 Eiser heeft verder, onder verwijzing naar de in 2.2 weergegeven brief van

9 oktober 1991, aangevoerd dat aan hem is toegezegd dat zolang hij werkzaam is bij de afdeling Algemene Begraafplaatsen hij in de woning zou kunnen blijven wonen.

Nu eiser nog steeds bij deze afdeling werkzaam is, is de intrekking van de status van dienstwoning en de door verweerder aangezegde ontruiming van de woning volgens eiser in strijd met het vertrouwensbeginsel.

2.12 Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 juni 2010, LJN: BM9810).

2.13 Verweerder heeft gesteld dat de “toezegging” in de brief van 9 oktober 1991 inhield dat indien de woning als “dienstwoning” kon blijven worden gekwalificeerd eiser daar tot aan het einde van zijn dienstverband kon blijven wonen. Deze door verweerder gestelde uitleg vindt geen steun in de tekst van de brief van 9 oktober 1991, die als volgt luidt:

“Voor de goede orde wil ik u erop wijzen, dat de dienstwoning door u betrokken kan worden zolang u werkzaam bent bij de Algemene Begraafplaatsen. Bij het beëindigen van uw dienstverband bij de Algemene Begraafplaatsen dient u zelf voor vervangende woonruimte te zorgen.”

Integendeel deze tekst biedt steun voor de juistheid van de stelling van eiser dat aan hem is toegezegd dat hij in de dienstwoning kon blijven wonen zolang hij werkzaam is bij de afdeling Algemene Begraafplaatsen.

2.14 Verweerder heeft verder nog aangevoerd dat eiser, gelet op de inhoud van de regeling over dienstwoningen zoals is neergelegd in de ARU en URU 15b, niet gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat hij in de dienstwoning mocht blijven wonen zolang hij bij de Algemene Begraafplaatsen zou werken. Het had eiser gelet op deze regeling, die in al die jaren inhoudelijk niet is gewijzigd, bekend moeten zijn dat zodra de status van dienstwoning zou worden ingetrokken hij de woning zou moeten ontruimen, aldus verweerder. Ook dit standpunt gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.

Het is weliswaar zo dat vanaf het begin af aan de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de ARU en de URU 15b, maar deze regelgeving hoort in de eerste plaats bij verweerder en de werkgever van eiser bekend te worden geacht te zijn geweest, en het is de waarnemend directeur van de Dienst Openbare Werken (de werkgever van eiser) geweest die in afwijking van deze regelgeving aan eiser te kennen heeft gegeven dat zolang hij in dienst is bij de afdeling Algemene Begraafplaatsen hij in de dienstwoning kan blijven wonen. Het kan onder deze omstandigheden dan ook niet aan eiser worden tegengeworpen dat de toezegging van verweerder bij hem gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt dat dit ook het geval zou zijn. Voorts heeft verweerder zich niet op het standpunt gesteld dat de waarnemend directeur van de Dienst Openbare Werken deze toezegging niet heeft kunnen doen waardoor aangenomen moet worden dat verweerder hieraan is gebonden.

2.15 Het vorenstaande brengt mee dat het niet nakomen van die toezegging inbreuk maakt op eisers rechtszekerheid en het bij eiser op goede gronden berustende vertrouwen. De conclusie is dat het bestreden besluit in strijd is met de aan eiser gedane ongeclausuleerde, onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging en reeds om die reden niet in stand kan blijven. Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verder zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder c van de Awb het primaire besluit van 20 augustus 2009 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal worden bepaald dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

Daarnaast zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser in dit beroep en in bezwaar gemaakte proceskosten. Deze kosten zullen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden vastgesteld op € 1.748,-- (1 punt voor het beroepschrift,

1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting van 8 december 2009, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,--) als kosten voor verleende rechtsbijstand.

2.16 Hetgeen eiser verder nog heeft aangevoerd kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.

Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2010,

3.3 herroept het namens verweerder genomen besluit van 20 augustus 2009,

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.5 bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 150,-- moet vergoeden,

3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten van dit beroep en het bezwaar ten bedrage van € 1.748,-- te betalen aan eiser.

Aldus vastgesteld door mr. T. Pavicevic, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2011.

De griffier: De rechter:

mr. B.H. van der Graaf mr. T. Pavicevic

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.