Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP9768

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
16-600680-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag. 8 maanden gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging wegens poging tot zware mishandeling, poging tot zware mishandeling meer malen gepleegd en bedreiging. Verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-600680-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats] (Roemenië)

gedetineerd in Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam.

Raadsvrouw: mr. K. Kamminga, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

heeft geprobeerd [aangever 1] te doden, althans heeft geprobeerd hem zwaar te mishandelen;

Feit 2:

heeft geprobeerd [aangever 2] en/of [aangever 3] zwaar te mishandelen, subsidiair heeft geprobeerd hen te mishandelen;

Feit 3:

[aangever 4] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [aangever 1], poging tot zware mishandeling van [aangever 2] en [aangever 3] en bedreiging van [aangever 4].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft verdachte [aangever 2] en [aangever 3] niet veelvuldig geslagen zodat poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Voorts heeft verdachte niet de bedoeling gehad om [aangever 4] te bedreigen, zodat hij ook van het derde ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De Bewijsmiddelen

Feit 1 en 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich op 5 juli 2010 in een passagierstrein bevond die reed tussen Amsterdam Centraal Station en Utrecht Centraal Station. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij op 5 juli 2010 in de trein drie mensen heeft geslagen. Hij heeft met zijn vuisten geslagen waar hij kon . Verdachte heeft een persoon tegen zijn hoofd geslagen. Hij heeft de jongens ook met een legerriem geslagen. Het was de bedoeling dat de jongens het voelden .

Feit 1, 2 en 3

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de spoorwegpolitie zagen op 5 juli 2010 omstreeks 23.20 uur op perron 14a van Centraal Station Utrecht dat een aantal getuigen verdachte aanwezen als de persoon die een aantal reizigers had mishandeld. Verdachte had bloed aan zijn handen. Een medewerker van Service en Veiligheid pakte een bebloede riem van het perron . Op 5 juli 2010 omstreeks 23.25 uur hielden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [verdachte], geboren op [1980], aan als verdachte .

Feit 1

[aangever 1] bevond zich op 5 juli 2010 in een trein die van Amsterdam Centraal Station naar Utrecht Centraal Station reed. [aangever 1] zat op een balkon op een bankje naast een toilet. Een man liep op [aangever 1] af en balde zijn vuisten. [aangever 1] voelde harde klappen tegen zijn neus en mond. Hij voelde hierdoor een stekende pijn aan zijn neus en mond. Hij zag en voelde dat zijn neus direct heftig begon te bloeden. [aangever 1] is vervolgens een coupé van de trein ingevlucht. Nadat [aangever 1] in de coupé had plaatsgenomen, kwam de man die hem had geslagen in zijn richting aanlopen. De man had een riem om zijn rechter hand gewikkeld met een gesp aan de bovenzijde van zijn knokkels. [aangever 1] zag dat de man hiermee meermalen in zijn richting sloeg. Hij voelde klappen op zijn rechter wang, wenkbrauw en voorhoofd terecht komen. Hierdoor voelde [aangever 1] weer steken en pijn.

Hij voelde dat zijn rechter wenkbrauw open lag en dat die begon te bloeden. [aangever 1] heeft zich vervolgens klein gemaakt waarna hij nog enkele klappen op zijn rechter bovenbeen, de linkerkant van zijn achterhoofd en op zijn neus voelde. Door de vele klappen op zijn hoofd voelde [aangever 1] zich een beetje duizelig. Toen [aangever 1] in Utrecht uit de trein stapte zag hij dat de man die hem had mishandeld door de politie werd aangehouden. In het ziekenhuis in Zeist bleek dat de neus van [aangever 1] zwaar gekneusd was en dat hij schaafwonden en krassen in zijn gezicht en op zijn armen had. Het gezicht van [aangever 1] voelde erg opgezwollen en hij had veel pijn .

Huisarts I. de Voogd heeft de heer [aangever 1] (de rechtbank begrijpt: [aangever 1]) naar een KNO-arts verwezen in verband met een bloedneus, pijn, litteken bij de rechter slaap, pijn aan de linker slaap, bloedende wond in de mond en littekens/striemen op de benen .

Feit 1, 2 en 3

[betrokkene 1] bevond zich op 5 juli 2010 met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in een coupé van een trein van Amsterdam Centraal Station naar Utrecht Centraal Station. De trein vertrok om ongeveer 22.53 uur uit Amsterdam. [betrokkene 1] zag dat een man zijn broekriem afdeed. Kort daarna zag zij deze man door de treincoupé lopen met de conducteur. Even later zag ze de man met de conducteur weer in een hoog tempo teruglopen. Van dezelfde kant zag ze een man aan komen rennen die helemaal onder het bloed zat. Deze man wankelde, hield zich met beide handen vast aan de stoelleuningen en bloedde heel erg uit zijn mond of neus. [betrokkene 1] begeleidde de man naar een zitplaats waarna zij lawaai op het balkon van de trein hoorde. Vervolgens zag ze twee mannen de coupé in lopen. Eén van deze mannen had zijn hand op zijn kaak die erg gezwollen was. Kort daarna zag ze de man met de riem aan komen lopen. Hij had de broekriem in zijn rechter hand. Hij sloeg de bebloede man met de riem om zijn rechterhand in het gezicht en op zijn hoofd. De bebloede man zakte van de stoel en kwam deels op de grond terecht. De man met de riem schopte hem vervolgens zeker tien hard. Hij sloeg en schopte hem afwisselend. De man ging tekeer als een beest. Het bloed spatte overal heen .

Feit 1 en 3

[betrokkene 2] zat op 5 juli 2010 met [betrokkene 1] en [betrokkene 3] in een coupé van een trein op het traject tussen Amsterdam Centraal Station naar Utrecht Centraal Station. Hij zag een conducteur met een persoon (hierna te noemen: man 1) de coupé met versnelde pas binnenlopen. Man 1 had een riem om zijn rechter hand gewikkeld. Vervolgens zag [betrokkene 2] de conducteur en man 1 weer door de treincoupé heen lopen.

Kort daarna kwam een man (hierna te noemen: man 2) de treincoupé in lopen. Het hoofd en de kleding van man 2 zat helemaal onder het bloed. Het bloed lekte van hem af.

Vervolgens kwam man 1 de treincoupé weer binnenlopen in de richting van man 2. Man 1 had de riem nog steeds om zijn hand. Hij sloeg man 2 vervolgens met gebalde vuist met de riem er omheen tegen het gezicht. Man 1 sloeg man 2 tientallen keren op die manier. [betrokkene 2] zag veel bloed bij man 2. [betrokkene 2] zag dat de politie man 1 op een perron van station Utrecht Centraal aanhield .

[betrokkene 3] zat op 5 juli 2010 met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de trein van Amsterdam Centraal Station naar Utrecht Centraal Station.

Zij zag dat een man (hierna te noemen: man 1) een andere man (hierna te noemen: man 2) in de coupé meermalen met veel kracht op het hoofd sloeg. Man 1 sloeg en trapte man 2. Man 2 werd door de trapbewegingen van man 1 vol op zijn borst geraakt. Op het station Utrecht Centraal zag [betrokkene 3] dat man 1 door de politie werd aangehouden .

Feit 1 en 2

Op 5 juli 2010 omstreeks 23.10 uur zat [aangever 3] met zijn neef [aangever 2] in een trein op het traject tussen Amsterdam Centraal Station en Utrecht Centraal Station. [aangever 3] liep naar een balkon van de trein om naar het toilet te gaan. Toen hij daar de toiletdeur opende zag hij vanuit zijn ooghoeken een riem met een gesp in zijn richting komen. [aangever 3] voelde direct hierna een harde klap tegen zijn achterhoofd. Hij voelde hierdoor pijn op zijn achterhoofd en werd gelijk duizelig. [aangever 3] draaide zich om en zag dat een man een riem om zijn rechterhand had gewikkeld. [aangever 3] is vervolgens buiten bewustzijn geraakt en op de grond gevallen. Toen hij zijn ogen weer opende zag hij dat de man met de riem met een andere reiziger worstelde. Deze reiziger had ernstige verwondingen aan zijn gezicht. [aangever 3] zag dat zijn neef ook klappen van de man kreeg. [aangever 3] is in een coupé gaan zitten. Hij voelde veel pijn op zijn achterhoofd en zag dat er bloed uit zijn achterhoofd kwam. De man met de riem kwam na een aantal minuten voor hem staan. Hij haalde uit met zijn rechter tot vuist gebalde hand en raakte [aangever 3] op zijn bovenlip waarna hij direct een stekende pijn in zijn bovenlip voelde. Op station Utrecht zag [aangever 3] dat de man die hem had mishandeld werd aangehouden .

Feit 2

[aangever 2] bevond zich op 5 juli 2010 omstreeks 23.10 uur met zijn neef [aangever 3] in de trein van Amsterdam Centraal Station naar Utrecht Centraal Station. Zijn neef ging naar het toilet. [aangever 2] ging kijken waar zijn neef bleef en zag zijn neef naar hem toe rennen met bloed op zijn lip. Toen [aangever 3] zich omdraaide zag [aangever 2] dat zijn neef bloed op zijn achterhoofd had. Zijn neef riep dat hij met een riem was geslagen. Terwijl [aangever 2] en [aangever 3] terug liepen naar hun zitplaatsen voelde [aangever 2] dat hij twee klappen op zijn achterhoofd kreeg. Hij draaide zich in een reflex om en kreeg een klap op zijn voorhoofd. [aangever 2] voelde een stekende pijn op zijn voor- en achterhoofd. Hij raakte met zijn hand zijn achterhoofd aan en zag dat hij bloed aan zijn hand had. Hij had een kras op zijn voor- en achterhoofd .

Feit 1 en 3

Op 5 juli 2010 deed [aangever 4] als hoofdconducteur van de Nederlandse Spoorwegen dienst in een passagierstrein op het traject tussen Amsterdam Centraal Station. De trein vertrok om 22.53 uur vanuit Amsterdam. [aangever 4] zag op een gegeven moment dat de trein zich ter hoogte van de Douwe Egbertsfabriek te Utrecht bevond. Hij zag dat een man hem doordringend aankeek. Vervolgens zag hij dat deze man een riem met een metalen gesp uit zijn rechter broekzak haalde en deze om zijn rechter hand wikkelde. [aangever 4] is toen voor de man uitgelopen en voelde dat hij vlak achter hem aan liep met een versnelde pas. [aangever 4] voelde zich op dat moment ernstig bedreigd. Hij was bang dat de man hem met de riem om zijn hand gewikkeld zou slaan of letsel zou toebrengen. [aangever 4] versnelde zijn pas waarna de man ook sneller begon te lopen en steeds dichter bij hem kwam.

Toen [aangever 4] en de man door het rijtuig heen liepen zag [aangever 4] dat de man direct naar een jongen toeliep die op een stoel zat en deze jongen diverse malen met volle vuist in het gezicht sloeg. Hij zag dat de man de jongen vier of vijf keer met grote kracht in het gezicht stompen .

4.3.2. Bewijsoverwegingen

Genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Verdachte heeft [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] veelvuldig met zijn vuisten in het gezicht en tegen het hoofd geslagen terwijl hij de gesp van een riem om een vuist had gewikkeld. Daarnaast heeft hij diverse malen tegen [aangever 1] aan geschopt waarbij hij hem tegen zijn borst heeft getrapt. Volgens een getuige ging verdachte hierbij tekeer als een beest en vlogen de bloedspetters in het rond. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] door deze gedragingen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat het doordingend aankijken van de conducteur, het zichtbaar voor deze conducteur om zijn rechterhand wikkelen van een riem met een metalen gesp en het gedurende enige tijd op korte afstand achter hem aanlopen, in combinatie met elkaar, gedragingen zijn die naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op bedreiging van voornoemde conducteur dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

4.3.3. De vrijspraken

Gelet op de onder 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft getracht om [aangever 1] te doden zodat hij van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Verdachte heeft [aangever 1] met gebalde vuisten tegen zijn neus en mond geslagen waardoor zijn neus heftig begon te bloeden. Op een later moment heeft verdachte [aangever 1] diverse malen geslagen met zijn tot vuist gebalde hand terwijl daar een riem omheen was gewikkeld met een gesp aan de bovenzijde van de knokkels. Verdachte heeft hem op zijn wang, wenkbrauw, voorhoofd en achterhoofd geraakt. Daarnaast heeft verdachte tegen de borst van [aangever 1] getrapt.

De rechtbank leidt hieruit niet af dat verdachte boos opzet heeft gehad om [aangever 1] van het leven te beroven. Voorts is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels de kans op het overlijden van [aangever 1] tengevolge van voormelde gedragingen van verdachte niet aanmerkelijk is te achten, zodat verdachte ook geen voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever 1] heeft gehad. Bovendien heeft verdachte verklaard dat het de bedoeling was dat de jongens die hij heeft geslagen het zouden voelen en dus niet dat hij één van hen heeft willen doden.

De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 5 juli 2010 in de gemeente Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht

- met (de gesp van een riem gewikkeld om) de tot vuist gebalde handen in/tegen het gezicht en het achterhoofd, heeft geslagen en/of gestompt en

- met de voet op de borst van voornoemde [aangever 1] heeft getrapt terwijl voornoemde [aangever 1] gedeeltelijk op de grond lag,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

primair

op 5 juli 2010 in de gemeente Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] en [aangever 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met de gesp van een riem gewikkeld om de tot vuist gebalde hand in/tegen het gezicht en het achterhoofd van voornoemde [aangever 2] en [aangever 3] heeft geslagen en/of gestompt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

op 5 juli 2010 in de gemeente Utrecht [aangever 4], werkzaam als hoofdconducteur bij de Nederlandse Spoorwegen, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- voornoemde [aangever 4] op een doordringende manier aangekeken en

- voor voornoemde [aangever 4] zichtbaar een riem voorzien van een metalen gesp om zijn, verdachtes, rechterhand gewikkeld en

- gedurende enige tijd op korte afstand achter voornoemde [aangever 4] aangelopen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Poging tot zware mishandeling;

Feit 2 primair: Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

Feit 3: Bedreiging

5.2. De strafbaarheid van verdachte

R.J.H. Winter, psychiater, komt in zijn pro justitia rapport van 29 januari 2011, de verdachte betreffende, tot de volgende –zakelijk weergegeven- bevindingen en conclusies:

Bij onderzochte is sprake van een langdurig bestaande ernstige afhankelijkheid van middelen, met name overmatig gebruik van alcohol al dan niet in combinatie met cannabis of cocaïne. Daarnaast is recentelijk vastgesteld dat betrokkene ook wisselend last heeft van een zogenaamde obsessief compulsieve stoornis in de zin van smetvrees.

Het alcoholgebruik speelde een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Deze stoornis bepaalde voor het overgrote deel het gedrag van onderzochte ten tijde van de ten laste gelegde feiten en kan ook het ten laste gelegde grotendeels, zo niet geheel, verklaren.

Onderzochte is voldoende bekend met de ongewenste effecten van overmatig alcoholgebruik. Geadviseerd wordt om onderzochte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De kans dat betrokkene door zijn huidige stoornis opnieuw zal recidiveren wordt op 100% geschat.

R.A. Sterk, psycholoog, komt in zijn pro justitia rapport van 8 februari 2011, de verdachte betreffende, tot de volgende –zakelijk weergegeven- bevindingen, conclusies en adviezen:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis NAO, mogelijk in het beloop van een onderliggend schizofreen proces. Voorts is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Tevens zijn aanwijzingen gevonden voor een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van beperkte intellectuele capaciteiten en voor een persoonlijkheidsproblematiek.

Van bovengenoemde psychische problematiek lijkt sprake te zijn geweest ten tijde van het ten laste gelegde.

Het is onduidelijk in hoeverre betrokkene op het moment van het ten laste gelegde psychotisch was maar het is aannemelijk dat de realiteitstoetsing van betrokkene gebrekkig was ten tijde van het ten laste gelegde, mede gezien de aard van de stoornis en zijn forse middelengebruik. Voorts brengen de beperkte intellectuele capaciteiten met zich mee dat hij complexe situaties als ook de gevolgen van zijn handelen niet goed kan overzien. Hij lijkt weinig verstandelijke mogelijkheden tot zijn beschikking te hebben om conflicten het hoofd te bieden en hij is al snel aangewezen op meer emotionele vormen van omgaan met problemen en spanning. Tevens was betrokkene fors onder invloed van middelen, met name alcohol. Dergelijk middelengebruik leidt tot ontremming van het gevoelsleven.

De meervoudige complexe problematiek en beperkingen brengen met zich mee dat betrokkene zichzelf niet goed in de hand had. In emotionele zin ontremde hij snel en hij overzag de situatie niet goed. Voorts is het niet duidelijk geworden in hoeverre ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een verstoring van de realiteitstoetsing.

Geconcludeerd wordt dat sprake is van een duidelijke invloed van de geconstateerde stoornissen en beperkingen op zijn gedrag, maar dat niet goed valt vast te stellen hoe sterk het verband tussen de geconstateerde psychische problematiek en beperkingen en het ten laste gelegde is. De rechtbank wordt geadviseerd om betrokkene ten aanzien van het ten laste gelegde - indien bewezen – ten minste verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Tezamen met het feit dat betrokkene niet in staat kan worden geacht om zelfstandig verandering te kunnen brengen in de geconstateerde psychische problematiek wordt geconcludeerd dat de kans op herhaling als duidelijk verhoogd dient te worden ingeschat. Centraal in de verhoogde kans op herhaling staan zijn beperkte intellectuele capaciteiten, zijn realiteitsverstoringen en zijn middelengebruik. Als complicerende factor kan het beperkte ziektebesef en- inzicht genoemd worden, met als gevolg dat hij weinig rekening houdt met zijn psychische problemen en beperkingen.

Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is behandeling geïndiceerd. Deze dient zich te richten op de psychotische stoornis, waarbij met name medicamenteuze behandeling van belang is. Voorts dient aandacht uit te gaan naar het ontwikkelen van ziektebesef en- inzicht opdat hij meer rekening houdt met zijn emotionele draagkracht. Hierbij dient ook zijn mogelijke persoonlijkheidsproblematiek in ogenschouw genomen te worden. Tevens dient aandacht uit te gaan naar zijn middelengebruik. Voorts dient de behandeling afgestemd te zijn op de verstandelijke beperkingen van betrokkene. Ook dient aandacht uit te gaan naar verfijning van de diagnostiek, waarbij ook gekeken dient te worden naar eventuele neurologische problematiek.

Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is een klinische behandeling geïndiceerd in het kader van een TBS-maatregel.

De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over met betrekking tot de ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte, bestaande in alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Daarnaast neemt de rechtbank de conclusies van psycholoog Sterk over, voor zover inhoudende dat de ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte bestaat uit een psychotische stoornis NAO en dat er aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaan in de vorm van beperkte intellectuele capaciteiten en persoonlijkheidsproblematiek.

In tegenstelling tot het advies van psychiater R.J.H. Winter om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen, volgt de rechtbank psycholoog R.A. Sterk in zijn advies om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank acht dit advies van de psycholoog uitvoeriger en beter gemotiveerd dan het advies van de psychiater. Psychiater Winter komt in zijn conclusie tot volledige toerekeningsvatbaarheid omdat onderzochte voldoende bekend is met de ongewenste effecten van overmatig alcoholgebruik, terwijl psycholoog Sterk zijn conclusie tot ten minste verminderde toerekeningsvatbaarheid baseert op betrokkenes meervoudige problematiek, te weten zijn gebrekkige realiteitstoetsing, zijn psychische stoornis NAO en zijn forse middelengebruik. Daarnaast wijst de psycholoog op de beperkte intellectuele capaciteiten van onderzochte. Bovendien heeft de psycholoog bij zijn onderzoek gebruik gemaakt van gegevens uit het behandelplan van verdachte in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam waar verdachte momenteel gedetineerd is en van informatie van derden, onder wie de ouders van verdachte.

Nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna te noemen: TBS) met dwangverpleging, waarbij de officier van justitie opmerkt dat deze maatregel in de speciale FPC-kliniek Veldzicht voor ongewenst verklaarde vreemdelingen ten uitvoer kan worden gelegd. Indien de rechtbank het wenselijk acht dat voornoemde maatregel in Roemenië ten uitvoer wordt gelegd biedt artikel 38la van het Wetboek van Strafrecht hiertoe mogelijkheid.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de rechtbank bij de strafoplegging in aanmerking dient te nemen dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Hoewel verdachte behandeling voor zijn psychische problematiek nodig heeft, vindt de raadsvrouw oplegging van TBS met dwangverpleging een te zwaar middel voor verdachte. Verdachte wordt momenteel behandeld in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam, hetgeen goed werkt. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank een straf en/of maatregel op te leggen die verdachte in Roemenië kan ondergaan.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van drie reizigers in een passagierstrein door hen met zijn vuisten te slaan waarbij hij een riem met een gesp om één van zijn handen gewikkeld had. Tevens heeft hij één van de aangevers tegen zijn borst getrapt. Volgens een omstander in de trein ging verdachte hierbij tekeer als een beest en spatte het bloed in het rond. Door aldus te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden en grote gevoelens van angst en onveiligheid bij hen en de omstanders in de trein teweeg gebracht. De omstandigheid dat geen van de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is niet aan de gedragingen van verdachte te danken. Daarnaast heeft verdachte een conducteur bedreigd waarmee hij bij deze conducteur eveneens gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 november 2010, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten, onder meer in 2009 tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens poging tot zware mishandeling en feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

- een reclasseringsadvies betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland van 5 oktober 2010, opgemaakt door A. van der Hor, reclasseringswerker, waarin het recidiverisico hoog wordt ingeschat;

- de omtrent verdachte opgemaakte rapportages pro justitia, de verdachte betreffende, zoals onder 5.2 vermeld.

Voorts heeft de rechtbank bij de op te leggen straf en maatregel in aanmerking genomen de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij in het verleden in Frankrijk, Oostenrijk en Slovenië strafrechtelijk is veroordeeld en daar gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Verdachte is wegens een vechtpartij in PI Rijnmond - HvB De IJssel te Krimpen aan den IJssel overgeplaatst naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam. Bij de rechter-commissaris heeft hij naar aanleiding van onderhavige ten laste gelegde feiten verklaard dat hij eerder zulke problemen heeft gehad.

De rechtbank is op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat rechtens genoegzaam is komen vast te staan dat de bewezenverklaarde gedragingen verdachte op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verminderde mate kunnen worden toegerekend en dat de kans dat verdachte zonder behandeling en begeleiding in de toekomst opnieuw ernstige strafbare feiten tegen personen zal plegen zeer groot is te noemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij.

De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de Minister van Veiligheid en Justitie ingevolge artikel 38 la van het Wetboek van Strafrecht de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege kan beëindigen ten aanzien van een vreemdeling die onrechtmatig in Nederland verblijft. Dit kan slechts geschieden indien door de Minister een passende voorziening in het land van herkomst, in casu Roemenië, is geregeld gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar en die vreemdeling daadwerkelijk Nederland is uitgezet. Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert. De terbeschikkingstelling herleeft als de vreemdeling niet aan deze voorwaarde voldoet.

De rechtbank acht, alles afwegende, passend een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. De rechtbank overweegt hierbij dat zij verdachte, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde vrij zal spreken.

7. De benadeelde partij

[betrokkene 4] vordert namens de benadeelde partij [aangever 4] een schadevergoeding van

€ 400,- voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Poging tot zware mishandeling;

Feit 2 primair: Poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

Feit 3: Bedreiging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] van € 400,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 4], € 400,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.