Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP9657

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
16/601128-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wegens, verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar voor een mishandeling en een bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601128-10; 16/600509-09 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [geboorteplaats]

gedetineerd in het PPC in Amsterdam.

raadsvrouw mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [aangever 1] heeft mishandeld door hem op zijn neus te slaan/stompen;

Feit 2: [aangever 2] verbaal heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij voor wat betreft feit 1 op de aangifte en de verklaring van verdachte en voor wat betreft feit 2 op de aangifte en de verklaring van de getuige.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gezegd “wil je oorlog met me?” en hij vordert verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij te spreken.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en feit 2.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Aangever [aangever 1] verklaarde bij de politie werkzaam te zijn als verpleegkundige bij [bedrijf 1], gevestigd aan de [adres] te Utrecht, op unit 1, psychiatrie en verslaving. Verdachte verbleef op deze unit. [aangever 1] verklaarde dat verdachte hem op 12 augustus 2010 met zijn rechtervuist een stomp op zijn neus gaf. [aangever 1] voelde hierdoor direct pijn op zijn neus.

Verdachte bekende ter terechtzitting dat hij [aangever 1] een stomp op zijn neus heeft gegeven.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangever en de verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 1] heeft mishandeld door hem op zijn neus te stompen.

Ten aanzien van feit 2:

Aangever [aangever 2] verklaarde bij de politie werkzaam te zijn als verpleegkundige bij [bedrijf 1], op afdeling 1, psychiatrie en verslaving in Utrecht. Verdachte verbleef op deze afdeling. Aangever verklaarde dat verdachte op 8 oktober 2010 tegen hem zei “Moet ik je dan schoppen, wil je dan dat ik je in elkaar schop, wil je zien wat ik kan doen? Wil je oorlog met me?” Aangever voelde zich hierdoor bedreigd door verdachte.

Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie werkzaam te zijn als verpleegkundige bij [bedrijf 1], op unit 1, psychiatrie en verslaving. Getuige verklaarde dat verdachte op 8 oktober 2010 verbaal boos werd tegen [aangever 2] en dat hij begon te schelden en te schreeuwen. Ze hoorde dat verdachte tegen [aangever 2] zei: “Zal ik je in elkaar trappen, wil je oorlog, wil je zien wat ik kan?” Verdachte zei dit met een dreigende houding en op een agressieve manier.

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van de aangever en de getuige wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met de woorden “moet ik je schoppen, wil je dan dat ik je in elkaar schop, wil je zien wat ik kan doen?” en “Wil je oorlog met me?” aangever heeft bedreigd met zware mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gebruikte woorden “wil je oorlog met me?” mede gelet op de context waarin deze woorden door verdachte zijn gebruikt, gekwalificeerd kunnen worden als een bedreiging met (op leven en dood) vechten, dus met zware mishandeling. De rechtbank acht dan ook dit deel van de tenlastelegging -in tegenstelling tot de officier van justitie- wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 augustus 2010 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 1], verpleegkundige bij [bedrijf 1], op zijn neus heeft gestompt, waardoor voornoemde [aangever 1] pijn heeft ondervonden;

2.

op 8 oktober 2010 te Utrecht, [aangever 2], verpleegkundige bij [bedrijf 1], heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Moet ik je schoppen, wil je dan dat ik je in elkaar schop, wil je zien wat ik kan doen?” en “Wil je oorlog met me?”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met zware mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

5.2.1. Het standpunt van de psychiater

Psychiater T.A. Wouters concludeert in de psychiatrische rapportage van 4 februari 2011 dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een psychose door schizofrenie van het paranoïde type, mogelijk verergerd door cannabisafhankelijkheid en misbruik van amfetamine. De ziekelijke stoornis was ten tijde van beide ten laste gelegde feiten ten volle aanwezig, verdachte leed aan een psychotische decompensatie in het kader van schizofrenie en de symptomen waren daarbij (waarschijnlijk) verergerd door cannabisgebruik. De psychotische stoornis beïnvloedde de gedragingen van verdachte, omdat zijn gedachten die hem zetten tot de mishandeling en bedreiging waanachtig en paranoïde gekleurd (psychotisch) waren. Gezien de ernst van de psychose kan gesteld worden dat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde feiten volledig hieruit verklaard kunnen worden. Verdachte moet dan ook ten aanzien van beide feiten ontoerekeningsvatbaar worden geacht. De verwachting is dat verdachte in de toekomst, onbehandeld, veelvuldig psychotisch zal zijn gezien de chroniciteit van de diagnose schizofrenie en het aantal psychotische decompensaties dat zijn voorgeschiedenis heeft laten zien. Door zijn hoge mate van neiging tot verslavingsgedrag naast het slechte inzicht in de negatieve gevolgen van drugs, zal de kans op toekomstig drugsgebruik groot zijn en zal dit aan het verergeren van de psychosen bijdragen.

Agressie-incidenten vanuit psychotische belevingen kunnen zich dan ook herhaaldelijk blijven voordoen.

Psychiatrische opname in een gesloten setting zal nodig zijn om gevaar af te wenden. Het is nodig verdachte tijdens een dergelijke opname optimaal antipsychotisch te behandelen met medicatie, drugsgebruik te voorkomen en diagnostiek naar de intelligentie van verdachte te doen. Dit kan binnen een plaatsing ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht gerealiseerd worden, gezien het gevaar voor verdachte zelf, anderen en voor de algemene veiligheid van personen of goederen en het grote gevaar voor escalatie. Het is gebleken dat dit gevaar niet voldoende af te wenden is in een reguliere psychiatrische setting. De setting zal aanvankelijk van een voldoende hoog beveiligingsniveau moeten zijn, waarbij gedacht wordt aan plaatsing op een FPK.

5.2.2. Het standpunt van de psycholoog

De psycholoog A.F.H. van Overveld concludeert in diens rapport van 8 februari 2011 dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type. Tevens zijn daarbij diagnostisch bij verdachte cannabisafhankelijkheid en misbruik van amfetamine, beiden in (gedwongen) remissie vastgesteld. Gezien het beperkte cognitieve functioneren van verdachte is er tevens een vermoeden van intellectuele beperkingen, mogelijk van zwakbegaafdheid. De paranoïde schizofrenie beïnvloedde de gedragskeuzes en de gedragingen van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Het plegen van de ten laste gelegde feiten gebeurde volledig onder invloed van de gediagnosticeerde paranoïde schizofrenie. Derhalve kan verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten als ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd. De uit de psychotische symptomen voortvloeiende angst en argwaan kunnen vanuit gebrekkige realiteitstoetsing dusdanig oplopen dat verdachte reageert met (oninvoelbare) impulsieve fysieke agressie. Verdachte beschikt daarbij nauwelijks over zelfinzicht en ziektebesef en tevens over onvoldoende en inadequate copingvaardigheden. Middelengebruik dient als zelfmedicatie, waarschijnlijk om angst te dempen en in te slapen, maar induceert de genoemde psychotische verschijnselen. Verdachte’s pathologie belemmert hem in het opbouwen van een netwerk of het erop na houden van een adequate dagbesteding. Het ontbreken van een sociaal netwerk, voldoende ondersteuning en externe structuur vergroot de kans op psychotische ontregeling. De psycholoog adviseert om verdachte de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en hem te doen plaatsen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek.

5.2.3. Het standpunt van de Reclassering

Uit het rapport van Centrum Maliebaan van 25 november 2010, opgemaakt door L. van Os, reclasseringswerker, volgt dat de hulpverlening onvoldoende van de grond komt. Verdachte heeft zich vrijwillig laten opnemen en hij pleegt (kennelijk) geen vermogensdelicten meer. Het delictgedrag van verdachte lijkt thans voort te komen uit zijn psychiatrische problematiek. De reclassering sluit niet uit dat een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

in het kader van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht passend is.

5.2.4. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de conclusies van de psychiater en de psycholoog gevorderd verdachte als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen, verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

5.2.5. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft aangegeven dat hij behandeld wil worden. Hij is het daarom eens met een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

5.2.6. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt de voornoemde conclusies van de psychiater en de psycholoog over en zal verdachte dientengevolge ten aanzien van feit 1 en feit 2 volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn stoornis een gevaar oplevert voor anderen, dan wel voor de algemene veiligheid van goederen of personen, zoals bepaald in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet hierop acht de rechtbank een plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar geïndiceerd en de rechtbank zal deze maatregel dan ook aan verdachte opleggen.

6. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de Politierechter van 21 juli 2009, niet ten uitvoer zal worden gelegd, nu de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, nu verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten ontoerekeningsvatbaar wordt geacht, de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer moet worden gelegd. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook afwijzen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Mishandeling;

Feit 2: Bedreiging met zware mishandeling;

- verklaart verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. G. Perrick en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 maart 2011.