Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP9260

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
16/601349-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doorzoeking van de woning; richtlijnen OM; ontvankelijkheid OM; Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601349-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woon[woonplaats], aan [adres],

thans gedetineerd te PI Amsterdam, Huis van Bewaring De Weg,

raadsman mr. R.I.R. Denz, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: 29 XTC-pillen heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft

gehad;

feit 2: meermalen heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft

gehad: 16,5 gram hennep en/of 4,26 gram hasjiesj en/of 164,36 gram GHB;

feit 3: 12 valse bankbiljetten van € 50,00 in voorraad heeft gehad met de bedoeling deze als echt uit te geven;

feit 4: 2 wapens, te weten nabootsingen van een pistool en een pistoolmitrailleur, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de volgende omstandigheden. In de eerste plaats is de doorzoeking in de woning met te veel geweld gepaard gegaan. Ten tweede is de zoeking, en dan met name het zoeken in de jaszak van verdachte en het doorpakken toen in de woning drugs werd aangetroffen, onrechtmatig geweest. Daarnaast had het Openbaar Ministerie gelet op de geldende richtlijnen niet tot vervolging van verdachte over mogen gaan, nu bij verdachte slechts een gebruikershoeveelheid werd aangetroffen. Ten slotte bestaat er grote onduidelijkheid over het aantal in beslag genomen goederen en het aantal en de soort goederen dat vervolgens is onderzocht.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij ontvankelijk is in de vervolging gelet op het volgende. De doorzoeking op grond van de Wet wapens en munitie heeft op rechtmatige wijze plaatsgevonden, nu er een recente en betrouwbare CIE-melding voorhanden was. Uit het procesdossier blijkt juist dat, toen er een verdenking ontstond dat verdachte drugs voorhanden had, de situatie in overeenstemming met de rechtsregels is bevroren in afwachting van de rechter-commissaris. Uit de richtlijnen van het Openbaar Ministerie volgt niet dat bij de aangetroffen hoeveelheden niet tot vervolging mag worden overgegaan. Bovendien is geen sprake van doelbewuste schending of grove veronachtzaming van de rechten van verdachte.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Doorzoeking van de woning

De rechtbank overweegt dat in het kader van een doorzoeking op basis van artikel 49 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) (slechts) sprake moet zijn van een redelijkerwijs kunnen vermoeden van aanwezigheid van wapens of munitie. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake was, gelet op de concrete, actuele en als betrouwbaar aangemerkte CIE-melding uit december 2010 zoals deze zich in het procesdossier bevindt.

Artikel 49 WWM geeft de bevoegdheid tot doorzoeking, zodat de verbalisanten méér mochten doen dan alleen zoekend rondkijken. Tijdens de doorzoeking in de woning op grond van genoemd artikel werden in de woning, naast twee op vuurwapen gelijkende voorwerpen, ook mogelijk verdovende middelen aangetroffen. Dat verbalisanten deze mogelijk verdovende middelen hebben aangetroffen bij het zoeken in de jas van verdachte naar een identiteitsbewijs, betekent, gezien hun bevoegdheden tot doorzoeking, niet dat van enige onrechtmatigheid sprake was. Uit onder meer het proces-verbaal van binnentreden van de woning van verbalisant F.R. Coster van 29 december 2010, blijkt dat de situatie na het vinden van deze verdovende middelen is bevroren en de doorzoeking is gestaakt, in afwachting van de komst van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft vervolgens mondeling beslist tot doorzoeking van de woning op grond van artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Tijdens deze doorzoeking zijn onder meer de reeds aangetroffen vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de doorzoeking op grond van artikel 49 WWM en de daarop volgende doorzoeking op grond van artikel 110 Sv rechtmatig is geweest. Er zijn voorts geen concrete aanwijzingen dat de doorzoeking met een disproportionele hoeveelheid geweld gepaard is gegaan zodat ook het verweer op dat punt niet kan niet slagen. Het verweer van de verdediging zal dan ook worden verworpen.

Richtlijnen OM

De rechtbank overweegt dat bij verdachte een hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen die de gestelde gebruikershoeveelheid van maximaal 5 gram als genoemd in de gedoogrichtlijnen ruimschoots overtreft, zodat het verweer alleen al om die reden niet slaagt.

Onduidelijkheid over aantal en soort van inbeslaggenomen goederen

De stelling van de verdediging dat de omstandigheid dat grote onduidelijkheid over het aantal en de soort van de inbeslaggenomen goederen bestond, tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden, wordt door de rechtbank eveneens verworpen. Uit de processen-verbaal van inbeslagname blijkt door de beschrijvingen van deze goederen genoegzaam om welke goederen het gaat. Daarbij is in een proces-verbaal van 5 januari 2011 door verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat bij hertelling is gebleken dat niet 28, maar 29 pillen in het onder verdachte inbeslaggenomen zakje zaten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet in zijn belangen is geschaad door deze kennelijke telfout. Voorts bevinden zich in het procesdossier een proces-verbaal inhoudende een rapport Opiumwet en een NFI-rapport, waarin onderzoek is verricht naar het materiaal van de inbeslaggenomen middelen, zodat van onduidelijkheid over de soort thans geen sprake is.

Conclusie

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3.2 Overige voorvragen

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 4 heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 1 merkt de officier van justitie op dat slechts bewezen kan worden dat verdachte de 29 pillen opzettelijk heeft verkocht, heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van feit 2 merkt de officier van justitie op dat slechts bewezen kan worden dat verdachte de hasjiesj en hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. De officier van justitie vordert vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, nu het oogmerk van verdachte om de valse biljetten als echt uit te geven, niet kan worden bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van enig feit kan komen en wijst daarbij op het volgende. Verdachte heeft de pillen, de hennep en de hasjiesj slechts voor eigen gebruik voorhanden gehad en heeft hierin niet gehandeld. Met betrekking tot feit 2 en de aanwezigheid van GHB, stelt de verdediging dat verdachte slechts houder was van de GHB voor een ander, zodat het vereiste opzet ontbreekt. Met betrekking tot feit 3 merkt de verdediging op dat hij niet het voornemen had om het valse geld uit te geven. Met betrekking tot feit 4 stelt de verdediging dat geen sprake is van imitatiewapens en dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad om deze wapens anders dan voor sportbeoefening in verenigingsverband te gebruiken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Inleiding

Op 29 december 2010 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in onder meer de slaapkamer en de auto van verdachte te [woonplaats].

4.3.2 Vrijspraak feit 3

De rechtbank is van oordeel, gelijk de officier van justitie en de verdediging hebben aangevoerd, dat niet bewezen kan worden dat verdachte de bedoeling had om de valse biljetten als echt uit te geven of te doen uitgeven. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

4.3.3 Feit 1

In de slaapkamer van verdachte zijn 29 pillen aangetroffen. Na onderzoek is gebleken dat de pillen MDMA bevatten. Verdachte heeft verklaard dat hij de pillen heeft ingekocht voor zichzelf en voor zijn vrienden. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij hiervoor geld heeft ontvangen van zijn vrienden.

Aanvullende overwegingen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft verkocht, heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad 29 pillen bevattende MDMA. Het betoog van de verdediging dat verdachte de pillen slechts voor eigen gebruik voorhanden heeft gehad en hierin niet heeft gehandeld, wordt door de inhoud van de verklaringen van verdachte reeds weersproken. De omstandigheid dat verdachte deze pillen nog niet aan zijn vrienden had geleverd betekent niet dat van verkoop door verdachte aan hen geen sprake was. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte deze pillen heeft afgeleverd en/of verstrekt, zodat verdachte van dit gedeelte zal worden vrijgesproken.

4.3.4 Feit 2

In de auto van verdachte zijn zes zakjes met vermoedelijk wiet aangetroffen. In de slaapkamer van verdachte zijn twee zakjes met vermoedelijk hennep aangetroffen. Na onderzoek is gebleken dat de inhoud van deze in totaal acht zakjes, met een totale inhoud van 16,5 gram, hennep betreft.

Tevens zijn in de auto van verdachte aangetroffen twee sealbags met vermoedelijk hasjiesj en losse brokjes, vermoedelijk hasjiesj. Na onderzoek is gebleken dat de inhoud van de twee sealbags en de losse brokjes, met een totaal gewicht van 4,26 gram, hasjiesj betreft.

Verdachte heeft verklaard dat hij hennep en hasjiesj voorhanden heeft gehad.

In de slaapkamer van verdachte is aangetroffen een fles met doorzichtige vloeistof. Na onderzoek is gebleken dat deze vloeistof GHB bevat.

Aanvullende overwegingen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad 16,5 gram hennep en 4,26 gram hasjiesj.

Ten aanzien van de aangetroffen GHB overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij de fles met voor hem onbekende vloeistof heeft bewaard in een kluis op zijn slaapkamer. Iemand uit het uitgaansleven heeft hem gevraagd deze fles te bewaren tot Oud en nieuw, waarvoor verdachte € 20,00 heeft ontvangen. Onder deze omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de fles een verboden middel, zoals GHB, zou bevatten. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van 164,36 gram GHB, ook wel 4-hydroxyboterzuur genaamd.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de hennep en/of hasjiesj en/of GHB heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, dan wel vervoerd zodat verdachte van dit gedeelte zal worden vrijgesproken.

4.3.5 Feit 4

In de slaapkamer van verdachte zijn aangetroffen twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen. Na onderzoek is gebleken dat een van deze voorwerpen betreft een wapen, te weten een imitatievuurwapen van een pistool model TS 6092, merk Umarex. Het andere voorwerp betreft een wapen, te weten een imitatievuurwapen van een pistool-mitrailleur, merk Umarex. Verdachte heeft verklaard dat deze twee wapens van hem zijn en dat hij deze wapens vlak na de zomer van 2009 heeft gekocht.

Aanvullende overwegingen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wapens voorhanden heeft gehad. De door de verdediging naar voren gebrachte intenties van verdachte met betrekking tot deze wapens zijn hierbij niet van belang.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in de periode van 05 januari 2010 tot en met 29 december 2010 te [woonplaats], opzettelijk heeft verkocht en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (29 pillen) van een materiaal bevattende MDMA ("XTC"), zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 05 januari 2010 tot en met 29 december 2010 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid (16,5 gram) hennep en een hoeveelheid hasjiesj (4,26 gram), zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en

- een hoeveelheid (164,36 gram) 4-hydroxyboterzuur ("GHB"), zijnde

4-hydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij in de periode van 05 januari 2010 tot en met 29 december 2010 te [woonplaats],

wapens van categorie I onder 7°, te weten nabootsingen van een pistool (TS 6092, merk Umarex) en pistool (pistoolmitrailleur, merk Umarex), die door hun vorm, afmetingen en

kleur een sprekende gelijkenis vertoonden met een pistool (TS 6092, merk Umarex) en pistool (pistoolmitrailleur, merk Umarex), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd reclasseringstoezicht en het meewerken aan gedragsinterventie zoals vermeld in het reclasseringsrapport.

De officier van justitie heeft hierbij opgemerkt dat het ernstige feiten betreft. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs slecht zijn voor de volksgezondheid. Tevens trekken drugsgerelateerde feiten weer andere criminaliteit aan.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, indien de rechtbank op een enkel onderdeel of meerdere onderdelen tot een bewezenverklaring mocht komen van het tenlastegelegde, een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdediging verzoekt de rechtbank uitdrukkelijk om rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Tevens verzoekt de verdediging het reclasseringsadvies volledig over te nemen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkoop van XTC-pillen, het aanwezig hebben van hennep, hasjiesj en GHB en het voorhanden hebben van 2 imitatiewapens.

Dit betreffen ernstige feiten en de rechtbank rekent verdachte deze feiten dan ook zeer aan.

Het is algemeen bekend dat drugs als XTC en GHB, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. Tevens leidt dergelijk drugsgebruik ook vaak tot andersoortige problemen, als (uitgaans)geweld met daarbij een toenemend gevoel van onveiligheid in de samenleving. Verdachte draagt door de verkoop van XTC-pillen bovendien bij aan een zogenaamde cultuur (onder jongeren) waarin het gebruik van genoemde drugs normaler lijkt te worden. De rechtbank zal er bij de op te leggen straf in het voordeel van verdachte rekening mee houden dat niet is gebleken dat verdachte XTC-pillen heeft verkocht en vervoerd gedurende de gehele periode die bewezen is verklaard. De rechtbank zal bij de op te leggen straf uitgaan van de periode december 2010. Verder geldt in het voordeel van verdachte dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van commerciële verkoop. Daarnaast heeft verdachte twee imitatiewapens voor handen gehad. Het tonen van dergelijke wapens kan schrik aanjagen bij anderen.

De rechtbank acht de situatie van verdachte verontrustend, nu hij zich reeds op jonge leeftijd heeft beziggehouden met genoemde ernstige strafbare feiten. Uit het reclasseringsrapport van 1 februari 2011 blijkt dat de reclasseringsmedewerkers het gebruik van middelen door verdachte als zorgelijk beschouwen. Verdachte heeft zelf ook aangegeven dat zijn drugsgebruik een probleem is. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij bereid is hieraan te werken. De reclassering heeft in het rapport geadviseerd als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldingsgebod en deelname aan gedragsinterventie (een Leefstijltraining).

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 24 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Tevens heeft de rechtbank gelet op een brief van de klassendocent van verdachte, waarin zij ervoor pleit om verdachte weer spoedig deel te laten nemen aan zijn opleiding, zodat hij een kans krijgt om dit jaar alsnog zijn diploma’s te behalen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van 82 dagen en een werkstraf van 60 uren. De rechtbank ziet aanleiding om deze werkstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur en maakt tevens een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. Als bijzondere voorwaarden zullen dan ook worden opgenomen het meldingsgebod en de gedragsinterventie, als geadviseerd door de Reclassering in genoemd rapport. De rechtbank hoopt dat verdachte deze kans aangrijpt om zijn leven op orde te brengen en zijn verslavingen aan te pakken. Verdachte kan laten zien dat het hem menens is en dat hij wil werken aan zijn toekomst.

De opgelegde straf is aanzienlijk lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat de geëiste straf niet in verhouding staat tot de straf die voor soortgelijke feiten wordt opgelegd. De rechtbank neemt bij haar beoordeling in aanmerking dat GHB een stof is die is genoemd op lijst II van de Opiumwet. De rechtbank houdt verder (in kennelijk grotere mate) rekening met de omstandigheid dat verdachte voor het eerst met justitie in aanraking is geweest, geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en verkeert in een gezonde en solide gezinssituatie.

De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf.

6.4 Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft het op de dagvaarding ad informandum vermelde strafbare feit bij de strafbepaling buiten beschouwing gelaten, nu de verdediging zich hiertegen heeft verzet.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet en artikel 13 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 82 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet houden aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

* dat de verdachte, zo dikwijls als Reclassering Nederland dat noodzakelijk vindt, zich meldt bij de Reclassering Nederland op het Vivaldiplantsoen 100 te Utrecht;

* dat verdachte deelneemt aan gedragsinterventie, te weten een Leefstijltraining (kort);

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Reitsma, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 maart 2011.

Mr Fung Fen Chung is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.