Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP8888

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
SBR 10-2144
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Drie werkgevers. Een recht op WIA-uitkering. Duur WGA-uitkering ogv artikel 59 WIA. Arbeidsverleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2144

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.A. van der Made, advocaat te Utrecht,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft eiser vanaf 11 juli 2008 tot 11 maart 2010 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juni 2009 ongegrond verklaard. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij haar uitspraak van 13 september 2010 in het geding SBR 09/1985, ongegrond verklaard.

1.2 Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid die ten grondslag ligt aan de aan eiser toegekende WGA-uitkering ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%. Verweerder heeft verder vermeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering, rekening houdend met eisers ziekmelding op 21 mei 2007, wordt toegekend tot 18 februari 2011. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 26 mei 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep tegen dit besluit ingesteld.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2011 waar eiser, onder berichtgeving daartoe, niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Overwegingen

2.1 De rechtbank wijst voor de relevante feiten en omstandigheden eerstens naar haar uitspraak van 13 september 2010 in de zaak SBR 09/1985, waarin de aan eiser per 11 juli 2008 toegekende WGA-uitkering onderwerp van geschil is geweest.

2.2 Vast staat dat eiser drie werkgevers heeft (gehad). Op 14 juli 2006 is hij arbeidsongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden bij zijn werkgevers De Vos B.V. Bedrijfsdiensten te Houten en De Sluis Groep WSW te Woerden. Nadien is hij op 21 mei 2007 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden bij zijn derde werkgever Top Schoon Spijkenisse B.V. (voorheen Eurocleaners) te Rotterdam (hierna Top Schoon).

2.3 In haar uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het dagloon dat ten grondslag ligt aan de toekenning van eisers WGA-uitkering per 11 juli 2008, kon baseren op het in de referteperiode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 in alle drie de dienstbetrekkingen verdiende loon. Ten aanzien van de door eiser aangevoerde gronden voor zover zij zien op (de gevolgen van) zijn latere ziekmelding op 21 mei 2007 uit zijn dienstverband met Top Schoon, waaronder het in mindering brengen van inkomsten uit arbeid op de per 11 juli 2008 toegekende WGA-uitkering, de verlegging van het refertejaar en de te verlengen duur van eisers loongerelateerde WGA-uitkering, heeft de rechtbank, mede gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geoordeeld dat zij in het kader van die beroepsprocedure niet ter beoordeling van de rechtbank staan omdat deze aspecten geen onderdeel uitmaken van het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering per 11 juli 2008. Eiser heeft hoger beroep van deze uitspraak ingesteld.

2.4 Voor zover in deze zaak van belang heeft de verzekeringsarts eiser in het kader van een herbeoordeling op 13 mei 2009 onderzocht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser niet beschikt over benutbare mogelijkheden en dat hij op die grond (niet duurzaam) volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. In overeenstemming hiermee heeft verweerder eiser bij zijn besluit van 10 augustus 2009 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht.

2.5 Bij het thans bestreden besluit van 26 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 10 augustus 2009 ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat ten aanzien van eisers ziekmelding bij Top Schoon de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is aangevangen op 21 mei 2007 en is geëindigd op 17 mei 2009. Op grond van artikel 43, onderdeel a, onder 1°, van de Wet WIA kan er echter maar één recht op een WIA-uitkering ontstaan.

Met betrekking tot de duur van de aan eiser toegekende loongerelateerde WGA-uitkering heeft verweerder vastgesteld dat deze, gelet op het arbeidsverleden van eiser, in totaal 31 maanden bedraagt (21 maanden plus 10 maanden tussen 11 juli 2008 en 18 mei 2009), waardoor verweerder de loongerelateerde uitkering heeft toegekend tot 18 februari 2011.

2.7 Eiser betoogt in beroep dat het besluit van 10 augustus 2009 een uitwerking is van het eerdere besluit van 16 juni 2009. Eiser heeft verwezen naar de door hem in de zaak SBR 09/1985 aangevoerde gronden. Voor het loon dat eiser bij Top Schoon verdiende heeft verweerder volgens eiser niet het juiste refertejaar in aanmerking genomen.

2.8 Op grond van artikel 43, onderdeel a, onder 1°, van de Wet WIA is het ontstaan van een tweede recht op WGA-uitkering per 18 mei 2009, naar aanleiding van eisers ziekmelding op 21 mei 2007, uitgesloten. Er bestaat met de eerdere toekenning per 11 juli 2008 immers al een recht op WGA-uitkering. Voor een persoon die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, kan in de Wet WIA steeds maar één recht op uitkering bestaan. Het dagloon wordt in een dergelijk geval berekend aan de hand van het loon uit alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het refertejaar heeft vervuld. In het onderhavige geval is dat het refertejaar dat ten grondslag ligt aan de toekenning van eisers WGA-uitkering per 11 juli 2008.

Hieruit volgt dat het betoog van eiser dat verweerder ten aanzien van de vastgestelde hoogte van het dagloon niet de juiste referteperiode in acht heeft genomen, niet slaagt.

2.9 Eiser betoogt verder dat de duur van de loongerelateerde uitkering door verweerder niet juist is berekend. Ten onrechte heeft verweerder geen rekening gehouden met artikel 59, vierde lid, en artikel 62, derde lid, van de Wet WIA.

2.10 Op grond van artikel 59, eerste lid, van de Wet WIA, bedraagt de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering drie maanden, te verlengen met één maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt tot een maximum van 38 maanden.

Op grond van artikel 59, vierde lid, van de Wet WIA wordt de duur van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, verlengd indien als gevolg van de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 1°, géén recht op een uitkering is ontstaan indien de eerste dag van de wachttijd van dit niet ontstane recht op een uitkering is gelegen voor de dag dat recht op de loongerelateerde uitkering is ontstaan en dit niet ontstane recht op een uitkering tot een langere duur van de loongerelateerde uitkering zou hebben geleid.

2.11 De rechtbank overweegt, mede onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 034, nr. 3 hoofdstuk 9, paragraaf 5), dat de duur van de onderhavige loongerelateerde WGA-uitkering in eerste instantie wordt bepaald door berekening van het arbeidsverleden op het moment waarop eiser zijn werkzaamheden heeft neergelegd in de eerste twee dienstbetrekkingen, 14 juli 2006. De WGA-uitkering is aan eiser - na de wachttijd van 104 weken - per 11 juli 2008 toegekend tot 11 maart 2010. Deze duur kan echter worden verlengd nadat eiser in zijn derde dienstbetrekking bij Top Schoon na zijn ziekmelding op 21 mei 2007 wegens ziekte 104 weken niet heeft gewerkt. Aan de hand van het arbeidsverleden op dat moment (18 mei 2009) wordt de einddatum van de loongerelateerde WGA-uitkering berekend.

2.12 Het arbeidsverleden wordt op grond van artikel 15 van de Wet WIA, berekend door samentelling van het feitelijke arbeidsverleden vanaf en met inbegrip van 1998 en het fictieve arbeidsverleden over de jaren waarin de betrokkene 18 jaar werd tot 1998.

Eiser is geboren op [1970] en is op 2 augustus 1988 18 jaar geworden. Zijn feitelijk arbeidsverleden loopt vanaf 1998 tot mei 2009 en bedraagt 11 jaar. Gevoegd bij het fictieve arbeidsverleden van 10 jaar (1988-1997) heeft eiser een arbeidsverleden van in totaal 21 jaar. Uitgaande van de datum einde wachttijd van de tweede ziekmelding, 18 mei 2009, dient de loongerelateerde uitkering te worden toegekend tot over een periode van 21 maanden nadien, dat wil zeggen tot 18 februari 2011. Verweerder heeft de loongerelateerde WGA-uitkering over een juiste periode toegekend. Eisers betoog slaagt niet.

Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op artikel 62 van de Wet WIA merkt de rechtbank op dat artikel 62 van de Wet WIA de hoogte van de vervolguitkering regelt, welke uitkering in dit geding niet aan de orde is.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.13 Ten slotte betoogt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij recht heeft op inkomsten van Top Schoon over de periode van 11 juli 2008 tot 18 mei 2009 en ten onrechte heeft vastgesteld dat deze inkomsten in mindering moeten worden gebracht op zijn WGA-uitkering.

2.14 Dienaangaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verweerder hierover in het bestreden besluit van 26 mei 2010 heeft opgemerkt, niet kan worden aangemerkt als het verrichten van een rechtshandeling. De enkele informatie dat Top Schoon ziekengeld had moet betalen of dat eiser een loonvordering op Top Schoon heeft, is niet gericht op enig rechtsgevolg en vormt in zoverre geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen beroep openstaat. Zo verweerder inkomsten op eisers WGA-uitkering in mindering wil brengen is daar een nader concreet besluit voor nodig, welk besluit niet in het hier ter beoordeling voorliggende besluit, ligt vervat.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.15 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen de door verweerder in het besluit gegeven informatie over de (aanspraken op) inkomsten van eiser bij zijn werkgever Top Schoon en de eventuele verrekening daarvan met eisers WGA-uitkering;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Bongers, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op

14 maart 2011.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. E. Bongers

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.