Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP8099

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
16/601150-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling van een politieagent door diens keel vast te pakken en in diens keel te knijpen. Zich met geweld verzetten tegen politieambtenaren in functie. Belediging van een politieambtenaar in functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601150-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem,

raadsvrouw mr. A. Dekkers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 januari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:door de keel van een politieambtenaar vast te pakken en in die keel te knijpen

primair: heeft geprobeerd een politieambtenaar te doden;

subsidiair: heeft geprobeerd een politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

meer subsidiair: een politieambtenaar heeft mishandeld;

feit 2: zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaren in functie nadat hij was aangehouden;

feit 3: een politieambtenaar in functie heeft beledigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen de feiten 2 en 3 en tevens het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde, te weten dat verdachte heeft getracht de politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte heeft met het dichtknijpen van de keel gedurende enige tijd de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar letsel zou kunnen ontstaan. Volgens de officier van justitie kan niet worden bewezen dat verdachte opzet had op het doden van de politieambtenaar. Verdachte is gestopt met het dichtknijpen van de keel omdat de politieambtenaar zich met hulp van collega’s uiteindelijk wist los te maken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich met betrekking tot feit 1 op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het doden van de politieambtenaar dan wel op het toebrengen van (zwaar lichamelijk) letsel. Verdachte had slechts de bedoeling om de politieambtenaar van zich af te houden. Voorts wordt betwist dat er sprake is van een begin van uitvoering van een handeling die, indien voltooid, de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolg zou hebben. Bovendien is er volgens de verdediging sprake van een ondeugdelijke poging, nu de mogelijkheid tot voltooiing niet aanwezig was. De verdediging concludeert dat hooguit wettig en overtuigend bewezen kan worden het meer subsidiair tenlastegelegde. Met betrekking tot feit 2 en feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Verdachte kwam op 12 november 2010 uit het centrum van Utrecht gereden in een auto, terwijl hij wist dat hij teveel alcohol had gedronken om auto te kunnen rijden. Hij kreeg een stopteken van de politie en toen hij uit zijn auto stapte, schreeuwde hij tegen de agenten dat hij het niet normaal vond dat hij door hen werd afgesneden. Verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij een blaastest onderging en dat hem daarna werd medegedeeld dat hij was aangehouden. Verdachte hoorde dat de agent zei dat hij zich moest omdraaien, maar hij was het niet eens met het aanleggen van de handboeien.

Politieambtenaar [aangever], hoofdagent, heeft verklaard dat verdachte, voordat hij de blaastest had ondergaan, enkele scheldwoorden richting hem schreeuwde. Ook politieambtenaar [verbalisant] heeft verklaard dat verdachte herhaaldelijk met luide stem verkondigde dat hij het niet eens was met een inhaalmanoeuvre van politieambtenaar [aangever]. [aangever] wilde verdachte bij het transport de handboeien aanleggen. Hierbij heeft verdachte zich verzet, waarna een worsteling ontstond.

Feit 1

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de politieambtenaar eerst bij zijn borst en jas vast heeft gepakt. Vervolgens heeft hij hem hoger vastgepakt en hem ongeveer 15 seconden met zijn linkerhand bij zijn keel gegrepen. Daarbij zijn de voeten van de politieambtenaar van de grond gekomen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met gestrekte linkerarm de politieambtenaar met zijn rugzijde tegen de motorkap duwde.

De betreffende politieambtenaar [aangever] heeft verklaard dat hij met zijn rug tegen de bestuurdersportier van de auto van verdachte werd gedrukt. Hij zag en voelde dat verdachte met zijn linkerhand zijn keel beetpakte. Hij voelde dat verdachte met kracht zijn hand dichtkneep. Vervolgens werd hij aan zijn keel opgetild en op de motorkap gegooid, waarbij hij met zijn rug op de voorzijde van de auto terecht kwam. De politieambtenaar kwam met zijn schoenen los van de grond. Hij zag dat verdachte zijn spieren in zijn nek aanspande. De politieambtenaar kreeg steeds meer moeite met ademhalen. Terwijl twee andere collega’s de politieambtenaar te hulp schoten en aan verdachte trokken, zag en voelde hij dat verdachte zijn keel steeds steviger dichtkneep. Hierbij kon hij steeds minder adem halen en begon hij langzaam zijn bewustzijn te verliezen. In totaal duurde dit volgens de politieambtenaar ongeveer 30 tot 40 seconden. De politieambtenaar had het gevoel dat hij het niet ging redden.

In het dossier bevindt zich een doktersverklaring van de politieambtenaar [aangever], waarin onder meer staat beschreven dat in zijn nek rondom enkele rode striemen zichtbaar zijn en dat het bewegen van de nek spierpijn geeft.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat verdachte de politieambtenaar [aangever] bij zijn keel heeft vastgepakt en gedurende enige tijd die keel met kracht heeft dichtgeknepen. De voeten van de politieambtenaar kwamen hierbij los van de grond. De politieambtenaar lag met zijn rug op de motorkap, terwijl verdachte (nog steeds) met kracht gedurende enige tijd zijn keel dichtkneep.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad

– ook niet in voorwaardelijke zin – om de politieambtenaar te doden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging doodslag.

Wel volgt uit de hiervoor beschreven bewijsmiddelen dat verdachte op het moment dat hij de keel van die politieambtenaar vastpakte en die keel met kracht enige tijd dichtkneep, willens en wetens zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Het is een feit van algemene bekendheid dat indien men de keel van een mens met kracht gedurende een langere periode dichtknijpt, er een kans bestaat op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar opvatting dat sprake was van een ondeugdelijke poging, nu gelet op de – kennelijke furieuze – toestand van verdachte, de mogelijkheid tot voltooiing zeker aanwezig moet worden geacht. Bovendien is het niet aan verdachte, maar aan de politieambtenaar en zijn twee collega’s – die verdachte van de politieambtenaar hebben afgetrokken – te danken dat verdachte zijn poging niet heeft kunnen voltooien. Er bestaan geen aanwijzingen dat verdachte op enig moment zelf is gestopt met het vastpakken en dichtknijpen van de keel van de politieambtenaar.

De rechtbank acht dan ook de subsidiair tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 24 januari 2011 ;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2010 van [aangever] ;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2010 van [verbalisant] ;

Feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 24 januari 2011 ;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2010 van [aangever] ;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2010 van [aangever 2].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 12 november 2010 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] (hoofdagent van politie Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet de keel van die [aangever] vast te pakken en gedurende enige tijd met kracht in die keel te knijpen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 12 november 2010 te Utrecht, toen de aldaar dienstdoende [aangever] en [verbalisant] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 8/2/A van de

Wegenverkeerswet 1994, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen,

zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken

en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde verbalisanten hem, verdachte, trachtten te bewegen;

3.

op 12 november 2010 te Utrecht, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [aangever], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten incidentafhandeling, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd

de woorden "vuile kankerlijer".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 subsidiair: Poging tot zware mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 2: Wederspannigheid;

Feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht als vermeld in het advies van de reclassering.

De officier van justitie heeft opgemerkt dat tegen dergelijke feiten hard dient te worden opgetreden. Het is genoegzaam bekend dat het geweld tegen gezagsdragers onderhand de spuigaten uitloopt. De betreffende politieambtenaar heeft ernstig getwijfeld of hij zijn loopbaan bij de politie moest voortzetten, maar gelukkig is hij weer teruggekeerd op zijn oude plek. Wel dient bij de strafoplegging te worden betrokken dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij, ter terechtzitting, spijt heeft betuigd aan de politieambtenaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Gelet op het hetgeen de verdediging bewezen acht, is zij van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend is. De straf dient een grote waarschuwing te zijn voor verdachte. Hierbij verwijst de verdediging naar het advies van de reclassering. De verdediging wenst ook op te merken dat verdachte geen eerdere veroordeling op zijn strafblad heeft. Verdachte heeft zijn les geleerd en heeft spijt van hetgeen is voorgevallen. Op het moment van aanhouding was aan verdachte de cautie nog niet medegedeeld en is verdachte eerst op het politiebureau gewezen op zijn zwijgrecht. Ook dit dient meegenomen te worden bij de bepaling van de hoogte van de straf, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat het gewelddadige gedrag van verdachte uiterst verwerpelijk is. Verdachte heeft geweld aangewend tegen een politieambtenaar die bezig was met de rechtmatige uitoefening van zijn functie. Uit de gedragingen van verdachte en de woorden die hij hierbij heeft geuit, komt het beeld naar voren dat verdachte – destijds – weinig tot geen respect had voor politieambtenaren en het gezag dat zij vertegenwoordigen. Verdachte meende het recht te hebben te mogen bepalen wat de gang van zaken zou zijn bij zijn aanhouding. Deze zienswijze heeft uiteindelijk geleid tot het gewelddadige optreden van verdachte jegens de politieambtenaar. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat zelfs toen het uiteindelijk de politieambtenaar en zijn collega’s was gelukt om verdachte te overmeesteren en hem de handboeien aan te leggen, hij zich bleef verzetten. Het mag duidelijk zijn dat een dergelijke wijze van optreden onacceptabel is. Niet alleen de betreffende politieambtenaar, maar ook zijn collega’s, en de directe omgeving van de politieambtenaar hebben de gevolgen van het geweld ondervonden.

Zowel om passend te vergelden als om, ter generale preventie, de geldende norm duidelijk te bevestigen moet de pleger van dergelijk gedrag streng worden bestraft. Alleen een gevangenisstraf kan hierin als de passende strafmodaliteit worden gezien. De rechtbank volgt de officier van justitie in haar eis dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden is. Van deze op te leggen straf zal de rechtbank een gedeelte, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf.

Bij de hoogte van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat verdachte geen strafblad heeft.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsrapport van L. Scheffers d.d. 13 januari 2011. Dit houdt in dat verdachte een meldingsgebod krijgt opgelegd en zich dient te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daarnaast wordt verdachte verplicht om zich te laten behandelen bij Centrum Maliebaan.

De rechtbank overweegt dat, mocht het zo zijn dat de cautie eerst op het politiebureau aan verdachte is gegeven, niet valt in te zien dat verdachte daardoor op enige in zijn belangen is geschaad. Het betoog van de verdediging slaagt dan ook niet.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 750,- voor immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering af te wijzen, omdat deze niet van eenvoudige aard is en bovendien de vordering onvoldoende is aangetoond. Volgens de verdediging is niet aangetoond dat sprake is van immateriële schade of psychisch letsel. Een politieambtenaar is in zijn hoedanigheid bekend met situaties waar geweld aan te pas komt. De zaak waarmee de vordering is onderbouwd, is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering, nu aan verdachte een straf zal worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank is tevens van oordeel dat de behandeling van deze vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij heeft middels een schriftelijke verklaring uitgebreid beschreven welke impact de door verdachte begane feiten op hem en zijn directe omgeving hebben gehad. De benadeelde partij heeft onder meer aangegeven dat naast de fysieke problemen als hoofdpijn en spierpijn in de nek en rug, ook slaapproblemen en bepaalde angsten zijn ontstaan. De benadeelde partij kon een tijd niet genieten van de dingen die hij normaal gesproken juist zo leuk en gezellig vond.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde voldoende is onderbouwd en aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De rechtbank begroot die kosten op nihil.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 180, 266, 267, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 subsidiair: Poging tot zware mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 2: Wederspannigheid;

Feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland/Centrum Maliebaan;

* dat verdachte zich laat behandelen bij Centrum Maliebaan;

- draagt de reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van € 750,-, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever], € 750,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Reitsma, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 februari 2011.