Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP8076

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
16-601294-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, zonder noemenswaardige aanleiding, samen met een ander slachtoffer geslagen en geschopt. De rechtbank acht verdachte schuldig aan Medeplegen van poging tot zware mishandeling en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 87 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601294-10 [p]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

Gedetineerd P.I. Midden Holland, HvB Haarlem

raadsman mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is gezamenlijk doch niet gevoegd met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte](parketnummer: 16/712511-10) behandeld op de terechtzitting van 3 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: samen en in vereniging met een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [aangever 1];

subsidiair: opzettelijk heeft geprobeerd samen en in vereniging met een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [aangever 1];

meer subsidiair: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1].

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte, de anonieme melding van de vechtpartij, de camerabeelden, de medische verklaring en de verklaring van verdachte.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdediging is van mening dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 1] en verdachte ook niet de opzet heeft gehad om [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. In dit kader heeft de verdediging er nog op gewezen dat onduidelijk is wat de aanleiding was voor de vechtpartij. Het is, aldus de verdediging, goed mogelijk dat [aangever 1] vervelende opmerkingen richting verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft gemaakt en dat zij daarop hebben gereageerd. De door verdachte gegeven schoppen – tegen de kont – en de knietjes zouden ook kunnen worden gezien als een reactie op het optreden van [aangever 1]. In ieder geval had verdachte niet de opzet [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Bovendien is de rol van verdachte ondergeschikt aan die van medeverdachte [medeverdachte]. Volgens de verdediging kan alleen het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangever verklaart dat hij op 12 december 2010 te Bunschoten toen hij café [bedrijf 1] verliet door twee jongens werd geslagen in zijn gezicht. Hij verklaart dat het laatste wat hij zich herinnert is dat beide jongens hem op zijn hoofd sloegen en dat hij hierdoor op de grond viel. Hij werd, terwijl hij op de grond lag, in zijn gezicht en op zijn hoofd geraakt. Hij is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht voor behandeling. In het ziekenhuis bleek dat aangever meerdere neusfracturen had, een zwelling ter plaatse van het neustussenschot en een blauwe plek bij zijn linkeroog.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van de melder van het incident. Hij verklaart aan de politie dat hij op 11 december 2010 omstreeks 02.10 uur café [bedrijf 1] verliet en zag dat er een persoon voor dit café op de grond lag en werd geschopt door meerdere personen.

Op de camerabeelden van voornoemd incident is te zien dat medeverdachte [medeverdachte] aangever vastpakt en hem naar de grond trekt, waardoor hij ten val komt. Als aangever wegloopt wordt hij achtervolgd door verdachte en [medeverdachte]. Te zien is dat er een handgemeen ontstaat tussen [medeverdachte] en aangever en dat [medeverdachte] meerdere trappen tegen de achterzijde van het linkerbovenbeen van aangever geeft. Verder is te zien dat verdachte en [medeverdachte], gelijktijdig dan wel kort na elkaar aangever vast pakken en meerdere kniestoten geven tegen het lichaam en het hoofd van aangever en dat verdachte meerdere trappen tegen de achterzijde van het linkerbovenbeen van aangever geeft. Verdachte en [medeverdachte] werken aangever tegen de grond, waarna aangever blijft liggen. [medeverdachte] geeft aangever een schop terwijl hij op de grond ligt. Vervolgens lopen verdachte en [medeverdachte] weg.

Verdachte heeft bekend dat hij, samen met [medeverdachte], aangever heeft geslagen, geschopt en knietjes heeft gegeven. Hij ontkent dat hij aangever tegen zijn hoofd heeft getrapt of geschopt terwijl aangever op de grond lag.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, gelet op de aard van het letsel zoals dat uit de medische verklaring blijkt, niet bewezen. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Door aangever samen met een ander met kracht te slaan en knietjes te geven tegen zijn buik en zijn gezicht en verdachte te stompen terwijl hij op de grond lag, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zijn slachtoffer zwaar zou verwonden. Gelet op de ter zitting getoonde camerabeelden en de verklaring van verdachte acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever op zijn hoofd heeft gestompt terwijl aangever op de grond lag. Gelet op het letsel van aangever en de camerabeelden acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever in zijn gezicht heeft geslagen c.q. knietjes heeft gegeven.

Voor de stelling van de raadsman dat [aangever 1] zelf aanleiding tot de vechtpartij zou hebben gegeven door vervelende opmerkingen jegens verdachte en [medeverdachte] te maken is geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden. Bovendien, ook al zou [aangever 1] vervelende opmerkingen hebben gemaakt – waarvan niet is gebleken – dan was de reactie van verdachte en [medeverdachte] op die opmerking disproportioneel.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 december 2010 te Bunschoten tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht op/tegen diens gezicht/hoofd heeft geschopt en geslagen en meermalen met kracht op/tegen diens lichaam heeft geschopt en geslagen (terwijl die [aangever 1] op de grond lag) en die [aangever 1] meermalen met kracht knietjes in/tegen het gezicht en op het hoofd en op het lichaam heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

medeplegen van poging tot zware mishandeling

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en reclasseringstoezicht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf of te leggen die gelijk is aan de tijd die hij inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging heeft verzocht er bij de strafoplegging rekening mee te houden dat verdachte een meeloper-functie had en niet het initiatief tot de vechtpartij genomen heeft. Voorts is verdachte, aldus de verdediging, bereid contact met de reclassering te onderhouden.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft, zonder noemenswaardige aanleiding, samen met een ander [aangever 1] geslagen en geschopt. Het slachtoffer had hieraan zwaar lichamelijk letsel kunnen overhouden. Het is niet aan het handelen van verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden en [aangever 1] geen zwaar lichamelijk letsel heeft. Uit de slachtofferverklaring van [aangever 1], die ter zitting is voorgelezen, blijkt dat [aangever 1] hiervan nog altijd lichamelijke en psychische gevolgen ondervindt en zich onveilig voelt. Voorts brengt dergelijk zinloos uitgaansgeweld in de maatschappij in het algemeen en bij de bezoekers van uitgaansgelegenheden in het bijzonder gevoelens van onveiligheid teweeg.

In het betoog van de verdediging dat de rol van verdachte ondergeschikt zou zijn aan die van medeverdachte [medeverdachte], ziet de rechtbank geen aanleiding tot strafvermindering. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte nauw bij de vechtpartij was betrokken. Hij heeft bijgedragen aan het geweld door [aangever 1] te slaan, te schoppen en knietjes te geven en is zich om aangever heen blijven bewegen op momenten dat hij niet direct aan het geweld heeft bijgedragen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van openlijke geweldpleging;

- een brief van de reclassering d.d. 10 januari 2011, opgesteld door L. Scheffers, reclasseringswerker, waarin is aangegeven dat het niet mogelijk is gebleken een advies omtrent verdachte op te stellen nu verdachte aangaf dat hij geen problemen op enig leefgebied heeft waarvoor hulpverlening geïndiceerd zou zijn.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 87 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Tevens dient verdachte zich gedurende de proeftijd te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. De rechtbank acht reclasseringstoezicht aangewezen nu verdachte reeds meerdere malen wegens openlijk geweld, veelal in combinatie met alcoholmisbruik, met justitie in aanraking is geweest. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij open staat voor hulpverlening en zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van Euro 415,82 ter zake van materiële schade en een bedrag van Euro 1.500,- ter zake van immateriële schade.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde materiële schade geheel kan worden toegewezen en de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd. De verdediging is van mening dat de gevorderde materiële schadevergoeding gedeeltelijk dient te worden afgewezen. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat [aangever 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verlies aan arbeidsvermogen Euro 112,- bedraagt, evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van dit incident zijn verplichte eigen risico heeft verloren ter hoogte van Euro 165,- en dat zijn jas zou zijn beschadigd. Tevens acht de verdediging de gevorderde taxikosten voor vervoer van het centraal station in Amersfoort naar ziekenhuislocatie de Meander te hoog.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en geheel kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van Euro 750,-. In totaal zal derhalve een bedrag van Euro 1115,82 worden toegewezen. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 87 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat de verdachte zich zo dikwijls als Reclassering Nederland dat noodzakelijk vindt meldt bij de reclasseringsinstelling aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht, te beginnen op 21 maart 2011 om 9.00 uur;

* draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Heft de voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk is aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van Euro 1115,82 waarvan 415,82 ter zake van materiële schade en Euro 750,- ter zake van immateriële schade; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 december 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], Euro 1115,82 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 maart 2011.