Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP6953

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
08/963017-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel - Criminele organisatie-Sneepzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT, NEVENZITTINGSPLAATS ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/963017-07

datum vonnis: 18 februari 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie bij het landelijk parket tegen:

[verdachte TM],

geboren te [plaats] en [land] op 1963, wonende te [plaats] [adres]

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 april 2009, 5 oktober 2009, 13 oktober 2009, 15 februari 2010, 18 februari 2010, 3 maart 2010, 23 augustus 2010, 26 augustus 2010, 27 september 2010, 19 oktober 2010, 1 november 2010, 2 november 2010, 3 november 2010, 11 november 2010, 17 november 2010, 5 januari 2011 en 18 februari 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.A.H. Schepers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. P.J. Roelse, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 3];

feit 3: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

feit 4: samen met anderen medeplichtig is geweest aan het verschaffen van valse reisdocumenten.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2002 tot 01 januari 2005 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Spanje tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [betrokkene 3], (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen dan wel (telkens) door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) uit de opbrengst van haar seksuele handeling(en) met (of voor) (een) derde(n) te bevoordelen, immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met voornoemde [betrokkene 3] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 3] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- die [betrokkene 3] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld (onder het mom van sparen en/of van het opbouwen van hun, verdachtes en [betrokkene 3]'s, toekomst) geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen overmaken en/of die [betrokkene 3] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 3] geschopt en/of geslagen en/of

- die [betrokkene 3] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 3] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met de maand juni 2005 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of de Verenigde Staten van Amerika tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van een ander, te weten [betrokkene 3] en/of

- die [betrokkene 3] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 3] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 3]'s, seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n), immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met voornoemde [betrokkene 3] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 3] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- die [betrokkene 3] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld (onder het mom van sparen en/of van het opbouwen van hun, verdachtes en [betrokkene 3]'s, toekomst) geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen overmaken en/of die [betrokkene 3] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 3] geschopt en/of geslagen en/of

- die [betrokkene 3] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 3] in (een) positie/situatie gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie.

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 14 juni 2007 te Alkmaar en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Turkije, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit [verdachte SB] en/of [verdachte HB] en/of [verdachte UT]en/of [verdachte MD] en/of [verdachte BI] en/of verdachte ('de organisatie [B]'), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees) en/of

- (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die (zware) mishandeling onder andere bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en/of pooiers) en/of

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees) en/of

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens) en/of

- afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees).

4.

[verdachte UT] en/of [betrokkene 93] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 november 2006 tot en met 07 februari 2007 te Amsterdam en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland (telkens) opzettelijk gebruik hebben/heeft gemaakt van (een) niet op hun/zijn naam gesteld(e) reisdocument(en), te weten (respectievelijk) een Turks paspoort op naam van [betrokkene 89] (nr.) en/of een Turks paspoort op naam van [verdachte TK] (nr.), welk gebruik (telkens) hierin heeft bestaan dat die [verdachte UT] en/of [betrokkene 93] zich met voornoemd(e) paspoort(en) hebben/heeft gelegitimeerd en/of bij (een) controle(s) en/of staande houding(en) en/of aanhouding(en) die/dat paspoort(en) hebben/heeft getoond en/of zich (aldus) hebben/heeft uitgegeven/voorgedaan voor/als (respectievelijk) [betrokkene 89] en/of [verdachte TK], tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 oktober 2006 tot 18 november 2006 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid en/of (een) middel(en) heeft verschaft door die [verdachte UT] en/of [betrokkene 93] van voormeld(e) paspoort(en) te voorzien, althans die [verdachte UT] en/of [betrokkene 93] die/dat paspoort(en) te doen toekomen.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. Daardoor wordt verdachte niet geschaad in zijn verdediging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Leeswijzer

Deze paragraaf bevat een aantal onderdelen die betrekking hebben op de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. Deze bewijsmotivering bestaat per feit uit een aantal onderdelen.

Eerst worden de kort samengevatte standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven.

Onder het kopje bewijsoverwegingen zal de rechtbank vervolgens de feiten vaststellen en daarbij tussen haakjes steeds het nummer van het bewijsmiddel vermelden waaraan het is ontleend. In de bewijsoverwegingen motiveert de rechtbank verder in voorkomende gevallen dat, en waarom, zij afwijkt van door de officier van justitie en de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. In dat geval wordt uitgebreider vermeld hoe die standpunten luiden. Ook de eventuele overige bijzondere bewijsoverwegingen komen in de paragraaf bewijsoverwegingen aan de orde. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die hierna in het vonnis zijn opgenomen. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Onder het kopje conclusie zet de rechtbank uiteen of zij tot een vrijspraak of een bewezenverklaring komt en neemt zij de eventuele bewezenverklaring op.

De genummerde bewijsmiddelen zijn, geordend per feit, als bijlage aan het vonnis gehecht en maken daarvan op die wijze deel uit.

Feitelijk gedeelte van de tenlastelegging

De tenlasteleggingen in de zaken van Sneep II zijn voor wat betreft de mensenhandel toegespitst op de in artikel 273a (oud)/273f en in een enkel geval ook in 250a (oud) Sr, telkens in het eerste lid omschreven onderdelen. De opbouw van de tenlastelegging is steeds dat eerst de onderdelen zijn omschreven, gevolgd door een passage die begint met ‘immers’, welke passage de feitelijke omschrijving bevat. De rechtbank duidt in haar overwegingen in voorkomende gevallen dat deel van de tenlastelegging soms aan als ‘het feitelijk deel van de tenlastelegging’ of ‘de feitelijke omstandigheden’ maar ook wel als ‘de feitelijkheden’. Met die laatste term wordt dan niet bedoeld: feitelijkheden in de zin van de als dwangmiddel in de delictsomschrijving opgenomen wetster Wanneer dat wél wordt bedoeld, vermeldt de rechtbank dat uitdrukkelijk.

5.1 [betrokkene 3] (tenlastelegging onder feit 1 en 2)

5.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie is van oordeel dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De raadsman voert aan dat de verklaring van [betrokkene 3] onbetrouwbaar is. Hij wijst op tegenstrijdigheden in haar verklaring over onder andere de huurovereenkomst en het vermeende geweld. Daarbij vindt de verklaring van [betrokkene 3] onvoldoende steun in ander bewijs.

5.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 1 en 2 het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 3] tenlastegelegd. De tenlastelegging onder de feiten 1 en 2 bevat een aantal feitelijkheden die onder 1 de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 250a (oud), eerste lid aanhef, sub 6° Sr en onder 2 van artikel 273a (oud)/273f, eerste lid, sub 6° en 9° Sr.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft over [betrokkene 3] weinig willen verklaren. Hij verklaart dat hij 2 à 3 jaar op het adres [adres] te [plaats] heeft gewoond met [betrokkene 3] en dat zij werkte op de Wallen als prostituee (2).

Verklaringen van [betrokkene 3]

[betrokkene 3] heeft een aantal verklaringen afgelegd. De eerste was van 4 januari 2006, toen zij werd gehoord naar aanleiding van een aangifte door de verhuurder van haar woning. Daarna is [betrokkene 3] nog twee keer gehoord, op 31 augustus 2007 en 1 september 2007. Uiteindelijk is ze ook gehoord in het kantongerecht in Duitsland op 12 maart 2010. In alle verklaringen verklaart [betrokkene 3] op hoofdlijnen consistent. Ze legt uit hoe lang ze in Nederland is geweest, te weten zo'n tien jaar, vanaf 1996. Ze vertelt dat ze in de prostitutie werkte en dat ze haar geld altijd aan verdachte heeft gegeven omdat hij het zou sparen voor hun gezamenlijke toekomst (1, 4, 6 en 7). De rechtbank vindt dit gedeelte van haar verklaring helder en duidelijk en daarom bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank is het eens met de raadsman dat [betrokkene 3] niet duidelijk verklaart over het geweld dat verdachte jegens haar zou hebben gepleegd. Haar verhaal daarover is warrig en niet goed te plaatsen in de tijd. Mogelijk is de oorzaak daarvan dat zij daarover niet goed is ondervraagd. De rechtbank zal dat deel van haar verklaring dan ook buiten beschouwing laten.

De omstandigheid dat [betrokkene 3] op een onderdeel, namelijk over een handtekening op een huurcontract, misschien niet de waarheid heeft gesproken, doet aan de betrouwbaarheid van de rest van haar verklaring, naar het oordeel van de rechtbank, niet af. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de vraag van wie de handtekening was, van belang was in verband met een tegen [betrokkene 3] gedane aangifte van verduistering. Dat aspect ziet de rechtbank los van dat deel van haar verklaring dat als bewijsmiddel 1 wordt gebruikt en welk deel door haar bij de rechter-commissaris (4) wordt herhaald.

Overig bewijs

Anders dan de raadsman stelt is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 3] voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Uit de in processen-verbaal van bevindingen opgenomen gegevens over moneytransfers (3 en 5) blijkt dat [betrokkene 3] geld overboekte naar verdachte, hetgeen haar verklaring dat ze geld aan hem afstond, ondersteunt.

In twee tapgesprekken tussen verdachte en [verdachte SB] vindt de rechtbank steun voor het feit dat [betrokkene 3] haar geld afstond aan verdachte. In het eerste gesprek wordt blijkens de samenvatting in het dossier door verdachte gezegd dat [M] terug is uit Leipzig en dat er dus morgen weer twee vrouwen voor hem werken (8). De rechtbank heeft het gesprek op zitting en in raadkamer beluisterd en constateert dat letterlijk door verdachte wordt gezegd dat er dan weer twee vrouwen “stehen”. De rechtbank begrijpt dat daarmee bedoeld wordt: voor het raam staan, hetgeen door de tolk is vertaald als “werken”. Gelet op het feit dat [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij [M] werd genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat in dit gesprek over [betrokkene 3] wordt gesproken (4 en 8). In het tweede gesprek wordt naar het oordeel van de rechtbank gesproken over geld dat in het weekend is verdiend. [verdachte SB] is niet tevreden. Verdachte zegt met 600 en 800 niets te klagen te hebben. Hij is niet zo veeleisend (9). De rechtbank begrijpt dat hier gesproken wordt over inkomsten van de twee in het eerste gesprek genoemde, voor verdachte werkende, vrouwen, onder wie [betrokkene 3].

Uit het feit dat [betrokkene 3] haar geld aan verdachte afstond omdat ze in de veronderstelling verkeerde dat hij het zou opsparen voor hun gezamenlijke toekomst, leidt de rechtbank af dat verdachte [betrokkene 3] door misleiding heeft bewogen om haar geld af te geven en dat verdachte daarmee voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 3].

De periode

Uit de verklaring van [betrokkene 3] van 4 januari 2006 (1) dat zij ongeveer 10 jaar in Nederland is en de relatie tussen haar en verdachte zes maanden geleden is beëindigd, in combinatie met de verklaring van [betrokkene 3] dat zij van het begin tot het einde van haar relatie met verdachte voor hem in de prostitutie werkte (4), leidt de rechtbank af dat bovenstaande plaatsvond ook in de tenlastegelegde periode van 1 maart 2002 tot en met de periode juni 2005.

5.1.3 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 maart 2002 tot 1 januari 2005 te Amsterdam een ander, te weten [betrokkene 3],

- door misleiding heeft bewogen verdachte uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen,

immers hebbende verdachte met voornoemde [betrokkene 3] een liefdesrelatie onderhouden en die [betrokkene 3] het door haar met/in de prostitutie verdiend geld onder het mom van sparen of van het opbouwen van hun, verdachtes en [betrokkene 3]'s, toekomst aan hem, verdachte doen afstaan en doen overmaken.

2.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met de maand juni 2005 te Amsterdam

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van een ander, te weten [betrokkene 3] en

- die [betrokkene 3] door misleiding heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 3], seksuele handelingen met of voor een derde,

immers hebbende verdachte met voornoemde [betrokkene 3] een liefdesrelatie onderhouden en die [betrokkene 3] het door haar met/in de prostitutie verdiend geld onder het mom van sparen en/of van het opbouwen van hun, verdachtes en [betrokkene 3], toekomst aan hem, verdachte doen afstaan en doen overmaken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.2 Deelneming aan een criminele organisatie (tenlastelegging onder feit 3)

5.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit.

5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Juridisch kader

Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie, te weten het plegen van misdrijven, hoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet hoeft te worden bewezen dat verdachte in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Bestaan van een organisatie?

De rechtbank komt niet toe aan beantwoording van de vraag of het bestaan van de tenlastegelegde organisatie bewezenverklaard kan worden omdat de vraag of verdachte aan zo een organisatie heeft deelgenomen reeds ontkennend beantwoord moet worden.

Deelneming door verdachte?

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte “structurele criminele activiteiten onderhoudt met [verdachte SB] [verdachte UT] (C) en [verdachte MD]”. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de officier van justitie bedoelt met “het onderhouden van criminele activiteiten”, maar allicht zal dit te maken hebben met de tenlastegelegde deelneming.

Verdachte ontkent dat hij deel uitgemaakt heeft van een criminele organisatie. Uit de verklaringen van verdachte en uit in het dossier opgenomen tapgesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte in de tenlastegelegde periode contacten heeft onderhouden met [verdachte SB], [verdachte NT] en [verdachte UT]. Nadat een aantal van de genoemde personen op 7 februari 2007 was aangehouden heeft verdachte betalingen voor hen geregeld. Deze contacten en gedragingen leveren naar het oordeel van de rechtbank echter geen bewijs op voor verdachtes wetenschap van het oogmerk tot het plegen van misdrijven en rechtvaardigen niet de conclusie dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. Ook niet in combinatie met de veroordeling van verdachte voor het alleen plegen van mensenhandel in dezelfde periode.

De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van dit feit.

5.2.3. De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.3 (Medeplegen van) medeplichtigheid aan het gebruik maken van een vals reisdocument (tenlastelegging onder feit 4)

5.3.1. De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van medeplichtigheid aan het gebruik maken van een vals reisdocument.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

5.3.2 De overwegingen van de rechtbank

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging medeplichtig is geweest aan het opzettelijk gebruik maken door [verdachte UT] en [betrokkene 93] van een niet op hun naam gesteld paspoort. Verdachte zou genoemde personen van die paspoorten hebben voorzien, althans die paspoorten aan hen hebben doen toekomen. De enkele tapgesprekken die de officier van justitie in haar requisitoir als bewijs voor de betrokkenheid van verdachte noemt, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een bewezenverklaring. Ook overigens heeft de rechtbank geen bewijs in het dossier gevonden voor betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit. De rechtbank zal verdachte van dit feit dan ook vrijspreken.

5.3.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.4 Afsluitende overwegingen

Inleiding

De rechtbank zal bij gebrek aan bewijs (veel) minder feiten bewezen verklaren dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank realiseert zich dat dit bevreemding kan wekken gelet op zowel de inhoud van de tenlastelegging als die van het requisitoir. De rechtbank overweegt daarom nog het volgende.

Inhoud dossier, tenlastelegging en requisitoir

De officier van justitie heeft in het requisitoir voorbeelden opgesomd van gruwelijkheden waaraan verdachte en zijn mededaders zich naar het oordeel van het openbaar ministerie hebben schuldig gemaakt. Daarbij spreekt de officier in algemeenheden.

Zo is genoemd dat de vrouwen zeer vernederende handelingen en bejegeningen moesten ondergaan: (anale) verkrachtingen, brandmerken door middel van tatoeages, op hen urineren, gedwongen abortussen en bepalen door verdachten van de omvang van borstvergroting(en).

De rechtbank stelt vast dat de opgesomde handelingen en bejegeningen slechts enkele keren in de tenlasteleggingen van de in Sneep II terecht staande verdachten zijn opgenomen. Het urineren op vrouwen is in geen enkele zaak tenlastegelegd.

De rechtbank stelt ook vast dat bij vrijwel alle wél tenlastegelegde handelingen daarvan wegens het ontbreken van bewijs zal worden vrijgesproken. Slechts één keer is bewezen geacht dat een vrouw is bewogen om een tatoeage te laten zetten en in één zaak kan bewezen worden dat verdachte als dwangmiddel bij mensenhandel, met een slachtoffer tegen haar wil seksuele handelingen heeft verricht.

De officier geeft verder als voorbeeld dat leden (cursivering van de rechtbank) van de groep vrouwen (cursivering van de rechtbank) aan elkaar cadeau gaven (bijvoorbeeld [betrokkene 39]). De rechtbank stelt vast dat in het hele dossier één keer sprake is geweest van een dergelijk “cadeau”, daar waar [verdachte SB] tegen [verdachte BK]zegt dat hij hem [betrokkene 39] cadeau geeft. Dit is in geen enkele zaak tenlastegelegd.

Verder zouden de paspoorten van de vrouwen vaak zijn ingenomen. Dit is bij geen enkele verdachte opgenomen in de tenlastelegging. Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat dit in één geval, bij [betrokkene 22], is gebeurd.

Er zou in Vinkeveen tegen groepskorting een bungalowpark zijn afgehuurd om vrouwen en leden van de criminele organisatie onder te kunnen brengen. Tenlastegelegd is het niet.

Vrouwen moesten kort na de (borstvergrotende) operatie weer aan het werk gaan. Dit is in geen enkele tenlastelegging opgenomen en de rechtbank heeft het evenmin kunnen vaststellen.

Conclusie

Samengevat: de inhoud van het requisitoir schetst een beeld van feiten die zouden hebben plaatsgevonden, welk beeld in de tenlasteleggingen niet altijd niet is terug te vinden en in de gevallen waarin dat anders is, slechts in de twee genoemde gevallen in een bewezenverklaring uitmondt.

De rechtbank overweegt dat door de formulering van het requisitoir, bedoeld of onbedoeld, de indruk wordt gewekt dat de beschreven praktijk een algemene was. Dat alle vrouwen die in het Sneepdossier als slachtoffer worden genoemd, door het openbaar ministerie becijferd op 120, aan al deze gruwelijkheden blootgesteld zijn geweest. En ook dat alle verdachten zich hieraan hebben schuldig gemaakt, althans daarbij betrokken waren. Dat draagt bij aan een beeldvorming, ook in de media en maatschappij, die op gespannen voet staat met de feiten zoals die op basis van het dossier kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank wil niet de ernst van de wel bewijsbare feitelijkheden bagatelliseren of iets afdoen aan de ernst van mensenhandel. De rechtbank hecht er echter aan om het door de officier van justitie geschetste beeld te relativeren, in die zin dat een substantieel aantal van de in het requisitoir genoemde algemeenheden niet zijn tenlastegelegd en geen onderbouwing vinden in het dossier en dat een groot deel van de aan verdachten wel tenlastegelegde feiten niet bewezen kan worden.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder feit 1 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 250a (oud) Sr. Het onder feit 2 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 273a (oud) Sr. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 het misdrijf: een ander door misleiding bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen;

feit 2 het misdrijf: mensenhandel.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Hij heeft gedurende bijna drieënhalf jaar een vrouw voor zich laten werken in de prostitutie. Hij onderhield een liefdesrelatie met de vrouw en misleidde haar door haar te beloven dat hij haar geld zou opsparen voor hun gezamenlijke toekomst.

8.2 Het referentiekader

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Deze eis wordt in algemene termen gemotiveerd met een verwijzing naar de ernst van het feit, de generale preventie en de mate van angst die verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een aantal slachtoffers nog steeds inboezem(t)(en). Benadrukt wordt dat er (strafverlichtend) geen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat een vrouw ontkent slachtoffer te zijn. De eis wordt ten aanzien van verdachte in het bijzonder, summier onderbouwd door een verwijzing naar de gevorderde veroordeling voor mensenhandel ter zake van één vrouw gedurende ongeveer drie jaar, deelneming aan een criminele organisatie vanaf 2002 en medeplichtigheid aan het gebruik laten maken van een vals reisdocument.

In de inleiding van het requisitoir heeft de officier van justitie gewezen op de recente verhoging van het wettelijk strafmaximum en de inwerkingtreding van de Richtlijn voor strafvordering mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting van het College van procureurs-generaal op 1 september 2010 (Richtlijn strafvordering).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en geen opmerkingen gemaakt over een eventuele strafoplegging.

Oriëntatiepunten LOVS, uitspraken van andere colleges en de rapportages van de NRM

Het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS) heeft ten aanzien van mensenhandel geen oriëntatiepunten vastgesteld. De door andere colleges in mensenhandelzaken opgelegde straffen variëren van enkele maanden tot enkele jaren gevangenisstraf, vaak voor meer delicten dan alleen mensenhandel. Een eenduidige lijn is moeilijk vast te stellen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de rapportages van de Nationaal rapporteur Mensenhandel (NRM).

De uitspraken van de rechtbank in Sneep I

De rechtbank te Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, heeft op 11 juli 2008 zes medeverdachten in de Sneep I zaken veroordeeld. In die vonnissen heeft de rechtbank een kader voor de strafoplegging bij mensenhandel geformuleerd. Uitgangspunt was een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van acht tot tien maanden per slachtoffer, welk strafminimum door de rechtbank is verhoogd indien er ten opzichte van een slachtoffer sprake was van ernstig geweld, verkrachting, gedwongen borstvergroting en abortus als wettelijke strafverzwaringsgrond. Ook werd rekening gehouden met de rol van de verdachten en de lengte van de bewezenverklaarde periode.

De arresten van het hof in Sneep I

Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arresten van 20 december 2010, in de appelzaken van Sneep I, uitspraak gedaan. Het hof heeft zich niet uitgelaten over het door de rechtbank in Sneep I bepaalde kader en evenmin zelf een aanzet daartoe gedaan. Het hof lijkt een gemiddelde straf te hebben gehanteerd van één jaar per slachtoffer. De rechtbank interpreteert die arresten zo, dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met factoren als ernstig geweld, verkrachting, periode en rol van de verdachten. Van bewezenverklaring van gedwongen abortussen, borstvergrotingen en/of tatoeages is geen sprake geweest. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het hof, hoewel dit niet expliciet is overwogen, bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf ongeveer dezelfde maatstaf heeft gehanteerd als de rechtbank in Sneep I. Het Hof heeft bovendien, anders dan in eerste aanleg, om diverse redenen naast gevangenisstraffen ook geldboetes opgelegd.

Verhoging strafmaat en Richtlijn strafvordering

De officier van justitie heeft bij requisitoir opgemerkt dat het wettelijk strafmaximum is verhoogd. Die wetswijziging heeft plaatsgevonden per 1 juli 2009 en had tot gevolg dat het strafmaximum van een eventueel op te leggen gevangenisstraf van zes naar acht jaar is gegaan.

Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat met dat hogere strafmaximum rekening gehouden moet worden, overweegt de rechtbank dat daarvan, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Sr, geen sprake kan zijn omdat bedoeld hoger maximum per 1 juli 2009, dus na de bewezenverklaarde periode, van kracht is geworden.

Uit het requisitoir is niet duidelijk geworden of de officier van justitie meent dat de rechtbank met de Richtlijn strafvordering rekening moet houden. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank daarom op dat zij niet aan een dergelijke richtlijn gebonden is, terwijl deze op 1 september 2010 in werking getreden richtlijn, blijkens de inhoud ervan, niet geldt voor feiten begaan vóór 1 juli 2009.

8.3 Het kader in de Sneep II zaken

Op basis van de hiervoor opgesomde factoren stelt de rechtbank als volgt het kader vast waarbinnen zij de strafmaat zal bepalen in de Sneep II zaken.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen andere dan vrijheidsstraf vereist. Dat is in lijn met het requisitoir. De officier van justitie heeft niet toegelicht of, en zo ja hoe, per feit de hoogte van de geëiste straf is bepaald. De strafeis lijkt echter aan te sluiten bij de door de rechtbank in Sneep I gehanteerde nor De rechtbank zal die norm in de Sneep II zaken ook toepassen omdat uit een oogpunt van rechtsgelijkheid de verdachten in Sneep II niet zwaarder gestraft mogen worden dan de verdachten uit Sneep I en omdat de recente verhoging van het strafmaximum in deze zaak niet geldt.

Wel zal de rechtbank rekening houden met de veroordeling in hoger beroep van de Sneep I verdachten tot gevangenisstraffen én geldboetes. Omdat de rechtbank zoals gezegd alleen een vrijheidsstraf gepast vindt, zal geen geldboete worden opgelegd. Om de rechtsgelijkheid tussen de inmiddels in hoger beroep veroordeelde Sneep I verdachten en de Sneep II verdachten te bevorderen, kiest de rechtbank in de onderhavige zaken voor de bovenkant van de in Sneep I gehanteerde norm van acht á tien maanden. De vrijheidsstraffen vallen daardoor hoger uit dan in de Sneep I zaken in eerste aanleg en sluiten aan bij de straffen die door het hof in Sneep I zijn opgelegd.

Vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank voor de bewezenverklaarde mensenhandelzaken als uitgangspunt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tien maanden per slachtoffer zal hanteren. Dit strafminimum zal worden verhoogd indien er sprake was van geweld, ernstig geweld of verkrachting of wanneer het feit in vereniging werd gepleegd dan wel wanneer het ging om een in vergelijking met de overige zaken lange periode.

8.4 De strafoplegging bij verdachte

Dit betekent voor verdachte het volgende.

Hij heeft zich gedurende een, in verhouding met andere zaken lange periode van bijna drieënhalf jaar, schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van een vrouw. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank hiervoor aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van vijftien maanden opleggen.

artikel 63 Sr

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 63 Sr in rekening gebracht het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 3 maart 2004, bij welk vonnis verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 216, subsidiair vier dagen hechtenis.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 en 57 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: een ander door misleiding bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen;

feit 2: mensenhandel;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.C. Geeve, voorzitter, mr. A.G. Ellenbroek en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat, geordend per feit, de genummerde bewijsmiddelen. Ter toelichting op een aantal bewijsmiddelen geldt, voor zover van toepassing, het volgende.

Algemeen bewijsmiddel

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Proces-verbaal van verhoor door rechter-commissaris

Wanneer hierna wordt verwezen naar het proces-verbaal van de rechter-commissaris, betreft dit een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo.

Telefoontap

Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, gespreksnummer, ordnernummer/pagina. Indien het gesprek in een vreemde taal is gevoerd, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal.

Sms-bericht

Wanneer hierna wordt verwezen naar een sms-bericht, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een getapt sms-bericht waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, volgnummer, ordnernummer/pagina. Indien het bericht in een vreemde taal is geschreven, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal.

Foto

Wanneer in de bewijsmiddelen wordt gesproken over foto’s uit ordner 16 dan betreffen dit - tenzij anders wordt vermeld – in ordner 16 onder de noemer ‘verdachten-betrokkenen’ of ‘slachtoffers’ opgenomen foto’s. De ordner bevat verder twee ambtsedige processen-verbaal waarin wordt gerelateerd welke foto’s van welke ‘verdachten’ of ‘slachtoffers’ in de ordner zijn opgenomen. Ook wanneer in het voorbereidend onderzoek foto’s zijn getoond onder andere aanduidingen (bijvoorbeeld ‘de fotomap’) maar met een uit de context op te maken corresponderende nummering, gaat de rechtbank ervan uit dat gedoeld wordt op ordner 16.

In die gevallen waarin het bewijsmiddel zelf niet vermeldt wie volgens de in ordner 16 opgenomen processen-verbaal op de getoonde foto zijn afgebeeld, zal de rechtbank dit zelf doen. Zij brengt dit tot uitdrukking door toevoeging in het bewijsmiddel (achter het fotonummer) van de tekst: “de rechtbank stelt vast (…)”, gevolgd door de naam van de persoon die staat afgebeeld op de uit ordner 16 afkomstige foto. Die vaststelling door de rechtbank is gebaseerd op de inhoud van voornoemde ambtsedige processen-verbaal (16/80018004 voor de verdachten en 16/80638067 voor de slachtoffers).

Bewijsmiddelen [betrokkene 3] (tenlastelegging onder feit 1 en 2)

1.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 3], van 4 januari 2006, pagina 33/15673 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben ongeveer tien jaar in Nederland. Ik ben met mijn ex-vriend naar Nederland gekomen. Het is nu ongeveer zes maanden uit. Ik werkte hier in Nederland in de raamprostitutie. Hij heeft altijd tegen mij gezegd dat wij een relatie met elkaar hadden en dat ik niet voor hem werkte. Maar hij nam mij wel al die tijd mijn geld af. Hij heeft dus al die jaren tegen mij gelogen. Zijn naam is [verdachte TM]

2.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 19 november 2006, pagina 33/15677 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb 2 à 3 jaar op het adres [adres]te[plaats]gewoond. Ik heb daar met [betrokkene 3] gewoond. [betrokkene 3] werkte op de Wallen als prostituee.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van [betrokkene 132] van 12 december 2006, pagina 33/15682 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 15 december 2006 heb ik, verbalisant, van de Postbank N.V. informatie ontvangen over een 25-tal money-transfers waarbij [verdachte TM] als afzender of ontvanger is betrokken.

datum bedrag in € afzender ontvanger

(…)

15-05-2002 1.246,00 [betrokkene 3] [verdachte TM]

31-05-2002 2.419,50 idem idem

25-04-2003 1.732,73 idem idem

27-08-2004 1.500,00 idem idem

16-11-2004 1.000,00 idem idem

20-11-2004 1.539,00 idem idem

(…)

4.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 3° Sv, te weten een in de Nederlandse taal vertaald proces-verbaal van een verhoor door Dr. Busam, directeur van het Kantongerecht in Singen, van getuige [betrokkene 3], van 12 maart 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

Ik heb [verdachte TM] in 1996 leren kennen. Ongeveer in mei 1996 ben ik met hem naar Nederland gegaan, teneinde daar als prostituee te werken. Het geld dat ik verdiend heb moest ik aan hem afgeven. U heeft zojuist verklaard, dat u uw verdiende geld heeft afgegeven, wat was de reden hiervoor? Omdat de heer [verdachte TM] altijd gezegd heeft, dat het geld voor onze toekomst is, en dat hij het geld voor ons spaart. Wat is er met het geld gebeurd, weet u dat? Neen, dat weet ik niet. Ik weet van hemzelf alleen, dat hij naar eigen zeggen met het geld een hotel in Berlijn geopend heeft. Ik weet ook niet wat er met het overgebleven geld gebeurd is. Heeft u van het runnen van het hotel in Berlijn wel eens geld ontvangen?

Neen, dat heb ik niet.

Ik werd wel [M] genoemd.

Ik heb als prostituee gewerkt in Amsterdam Het voorstel of het idee om in Nederland als prostituee te werken komt van [verdachte TM]. Ik werkte als prostituee omdat ik verliefd op hem was. Ik werkte vanaf het begin van de relatie tot aan het eind daarvan voor [verdachte TM] als prostituee. Nadat ik [verdachte TM] had leren kennen ben ik ongeveer 1 week later naar Nederland gegaan om als prostituee te werken.

5.

Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juli 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In het kader van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (Wet MOT) is een ieder die beroeps of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent, verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) te Zoetermeer.

In de periode van 08-02-2002 tot en met 11-02-2006 werden er verdachte transacties uitgevoerd waarbij was betrokken,

[BETROKKENE 3]

Soort persoon: Natuurlijk persoon

geboren -1974

Die volgens informatie van de melders opgave deed van de navolgende adressen:

NEDERLAND AMSTERDAM 1069RT [adres]

NEDERLAND AMSTERDAM IO19NC [adres]

NEDERLAND AMSTERDAM 1O19NC [adres]

en zich legitimeerde met de navolgende legitimatiebewijzen:

PASP Paspoort [nr] AMSTERDAM NEDERLAND

PASP Paspoort [nr] LEIPZIG BONDSREPUBLIEK DUITSLAND

-Transactiedatum: 27-08-2004

Doormelddatum: 22-06-2006

Begunstigde: [verdachte TM]

Opdrachtgever: [BETROKKENE 3] (1974)

Valutasoorten: MTV->EUR: 1500

-Transactiedatum: 20-11-2004

Doormelddatum: 22-06-2006

Begunstigde: [verdachte TM]

Opdrachtgever: [BETROKKENE 3] (-1974)

Valutasoorten: MTV->EUR: 1539

6.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3], van 31 augustus 2007, pagina C-03/171 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb van 1995-2005 in de prostitutie gewerkt. Vanaf ongeveer mei 1996 ben ik in Nederland in de prostituee gegaan. Ik heb gewerkt in Amsterdam Ik gaf het geld aan [verdachte TM] omdat hij had gezegd dat hij het geld spaarde voor onze toekomst.

7.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3], van 1 september 2007, pagina C-03/186 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[verdachte TM] wist precies wat ik verdiende omdat ik het hem vertelde en hij zag het geld wanneer ik het thuis op tafel legde. Het geld lag dan tot de volgende dag op tafel. Dan had hij het weggenomen. Hij legde het in de kast of stopte het in zijn zak. Hij heeft mij wel verweten dat ik de laatste twee jaren van onze relatie geld achterhield. Omdat ik geen zin meer had om te werken verdiende ik ook minder. Als ik dan minder geld dan voorheen op tafel legde beschuldigde hij mij ervan dat ik geld achterhield. Ik heb helemaal niets overgehouden aan de prostitutie.

8.

Een tapgesprek tussen [verdachte SB] en [verdachte TM] op 15 april 2003 om 14.02 uur, pagina C-03/223 (onderzoek [betrokkene 133]):

[verdachte SB] wordt gebeld door [verdachte TM]

(…)

[verdachte TM] zegt dat vandaag [betrokkene 3] terug is uit Leipzig. Dus morgen heeft hij weer twee vrouwen die werken. [verdachte TM] zegt dat als ik dat niet had gehad, dan had ik weer andere zaken moeten doen.

9.

Een tapgesprek tussen [verdachte SB] en [verdachte TM] op 20 april 2003 om 20.03 uur, pagina C-03/224 (onderzoek [betrokkene 133]):

[verdachte SB] belt met [verdachte TM]

(…)

Voor [verdachte TM] is het nog weekend. [verdachte SB] is met het weekend niet tevreden. [verdachte TM] heeft niets te klagen en zegt 600 en 800. [verdachte SB] zegt dat dit bedrag voor hem een ramp is. [verdachte TM] zegt dat hij niet zo veeleisend is.