Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP6723

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
08/963011-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel-criminele organisatie-Sneepzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT, NEVENZITTINGSPLAATS ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/963011-07

datum vonnis: 18 februari 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie bij het landelijk parket tegen:

[verdachte TK]

geboren op [datum en jaar],[plaats en land]

wonende te [plaats en land].[adres]

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 mei 2009, 5 oktober 2009, 13 oktober 2009, 15 februari 2010, 18 februari 2010, 3 maart 2010, 23 augustus 2010, 26 augustus 2010, 27 september 2010, 7 oktober 2010, 13 oktober 2010, 1 november 2010, 2 november 2010, 3 november 2010, 11 november 2010, 18 november 2010, 5 januari 2011 en 18 februari 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.A.H.M. Schepers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.C. van Megen, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van . [betrokkene 9] en [betrokkene 22], dan wel daaraan medeplichtig is geweest;

feit 2: zich samen met anderen schuldig gemaakt heeft aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 23];

feit 3: zich samen met anderen schuldig gemaakt heeft aan mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 8] en. [betrokkene 25];

feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 07 februari 2007 te Alkmaar en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Polen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- (een) ander(en), te weten. [betrokkene 9] en/of. [betrokkene 22], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een ) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] en/of

- die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] en/of

- die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) ander feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen dan bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van hun/haar, [betrokkene 9]’s en/of [betrokkene 22]”s, seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- (in of omstreeks bovengenoemde periode) met betrekking tot voornoemde [betrokkene 9]:

- met die [betrokkene 9] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 9] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s) afhankelijk gemaakt en/of

- voor die [betrokkene 9] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 9] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of

- die [betrokkene 9] als prostituee laten werken en/of

- die [betrokkene 9] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 9] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 9] (een) – door verdachte en/of verdachtes mededader(s) geregelde en/of bepaalde – borstvergrotende en/of neuscorrigerende operatie(s) laten ondergaan (om haar als prostituee aantrekkelijker te maken) en/of

- die [betrokkene 9] geslagen en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 9] geen of (te) weinig weerstand tegen verdachte en/of verdachtes mededader(s) kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 9] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of verdachtes mededader(s) en/of

- die [betrokkene 9] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 9] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie,

en/of

- (in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met de maand september 2005) met betrekking tot voornoemde [betrokkene 22]:

- met die [betrokkene 22] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 22] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- voor die [betrokkene 22] woonruimte/onderdag geregeld en/of laten regelen en/of

- voor die [betrokkene 22] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 22] naar haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of

- die [betrokkene 22] – ook ongesteld – als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (de) werktijd(en) (en daarmede (aan) (de) inkomsten) van die [betrokkene 22] als prostituee en/of die [betrokkene 22] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 22] ingeperkt en/of laten inperken en/of

- die [betrokkene 22] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 22] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 22] (een) – door verdachte en/of verdachtes mededader(s) geregelde en/of bepaalde – borstvergrotende operatie laten ondergaan (om haar als prostituee aantrekkelijker te maken) en/of

- die [betrokkene 22] met de ‘blote’ hand/vuist en/of met een metalen honkbalknuppel geslagen en/of gedwongen in (ijs)koud water te springen en/of (vervolgens) te gaan/blijven staan en/of met de dood bedreigd en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 22] geen of (te) weinig weerstand tegen verdachte en/of verdachtes mededader(s) kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 22] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of verdachtes mededader(s) en/of

- die [betrokkene 22] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 22] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie en/of

- (de) familie(leden) van die [betrokkene 22] (daadwerkelijk) bedreigd en/of laten bedreigen (om te bewerkstelligen dat een aangifte van die [betrokkene 22] zou worden ingetrokken en/of te beletten dat die [betrokkene 22] zou stoppen met haar werk als prostituee);

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, ter zake dat

[verdachte SB] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 07 februari 2007 te Alkmaar en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Polen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- (een) ander(en), te weten [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] en/of

- die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] en/of

- die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van hun/haar, [betrokkene 9]'s en/of [betrokkene 22]'s, seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

immers hebbende die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) (telkens) (in of omstreeks bovengenoemde periode) met betrekking tot voornoemde [betrokkene 9]:

- met die [betrokkene 9] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 9] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- voor die [betrokkene 9] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of

- die [betrokkene 9] als prostituee laten werken en/of

- die [betrokkene 9] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 9] (aldus) in een (verder) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 9] (een) – door die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) geregelde en/of bepaalde – borstvergrotende en/of neuscorrigerende operatie(s) laten ondergaan (om haar als prostituee aantrekkelijker te maken) en/of

- die [betrokkene 9] geslagen en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 9] geen of (te) weinig weerstand tegen die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 9] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van die [verdachte SB] en/of die mededader(s) en/of

- die [betrokkene 9] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 9] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van die [verdachte SB] en diens mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie,

en/of

- (in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met de maand september 2005) met betrekking tot voornoemde [betrokkene 22]:

- met die [betrokkene 22] een (liefdes)relatie onderhouden en/of die [betrokkene 22] (aldus) (emotioneel) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- voor die [betrokkene 22] woonruimte/onderdak geregeld en/of laten regelen en/of

- voor die [betrokkene 22] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of

- die [betrokkene 22] - ook ongesteld - als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (de) werktijd(en) (en daarmede (aan) (de) inkomsten) van die [betrokkene 22] als prostituee en/of die [betrokkene 22] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 22] ingeperkt en/of laten inperken en/of

- die [betrokkene 22] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 22] (aldus) in een (verder) van hen/hem, [verdachte SB] en/of diens mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 22] (een) - door die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) geregelde en/of bepaalde - borstvergrotende operatie laten ondergaan (om haar als prostituee aantrekkelijker te maken) en/of

- die [betrokkene 22] met de 'blote' hand/vuist en/of met een metalen honkbalknuppel geslagen en/of gedwongen enige tijd in het (ijs)koude water te gaan/blijven staan en/of met de dood bedreigd en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 22] geen of (te) weinig weerstand tegen die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 22] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van die [verdachte SB] en/of diens mededader(s) en/of

- die [betrokkene 22] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 22] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van die [verdachte SB] en diens mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie en/of

- (de) familie(leden) van die [betrokkene 22] (daadwerkelijk) bedreigd en/of laten bedreigen (om te bewerkstelligen dat een aangifte van die [betrokkene 22] zou worden ingetrokken en/of te beletten dat die [betrokkene 22] zou stoppen met haar werk als prostituee),

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks bovengenoemde periode, in elk geval in of omstreeks de maand(en) mei en/of juli 2005, te Utrecht en/of (elders) in Nederland (telkens) opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] naar hun/haar werkplek(ken) te brengen, althans bij hun/haar werkplek(ken) af te zetten, en/of die [betrokkene 9] en/of [betrokkene 22] van hun/haar werkplek(ken) op te halen.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand april2005 tot en met 07 februari 2007 te Utrecht en/of Amsterdam en/of Alkmaar en/of Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of Assendelft, gemeente Zaanstad,en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een ander, te weten [betrokkene 23], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 23] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 23] en/of

- die [betrokkene 23] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 23] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [betrokkene 23] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 23] en/of

- die [betrokkene 23] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 23] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 23]', seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

immers zijnde/hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met voornoemde [betrokkene 23] een (liefdes)relatie aangegaan en/of onderhouden en/of die [betrokkene 23] - door/met het betalen van haar schulden en/of het geven van veel aandacht - gepaaid/ingepalmd en/of (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- die [betrokkene 23] als prostituee laten werken en/of naar haar werkplek(ken) gebracht en/of toegezien/aangedrongen op (een minimum aan) (de) werktijd(en) (en daarmede (aan) (de) inkomsten) van die [betrokkene 23] als prostituee en/of die [betrokkene 23] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/ bewegingsvrijheid van die [betrokkene 23] ingeperkt en/of laten inperken en/of

- die [betrokkene 23] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 23] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 23] geslagen en/of onder druk gezet en/of

- die [betrokkene 23] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens haar en/of haar familie en/of haar vrienden en/of

- die [betrokkene 23] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie.

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand augustus 2006 tot en met 05 december 2006 te Alkmaar en/of Amsterdam en/of Haarlem en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of België en/of Duitsland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- (een) ander(en), te weten [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] heeft/hebben, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (telkens) heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (een) seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n) tegen betaling en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] heeft/hebben, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van (een) perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] heeft/hebben, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van hun/haar, [betrokkene 8]'s en/of [betrokkene 25]'s, seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

immers zijnde/hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met voornoemde [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] een (liefdes)relatie aangegaan en/of onderhouden en/of die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] - door/met (van) alles voor hen/haar te betalen en/of het geven van veel aandacht - gepaaid/ingepalmd en/of (aldus) (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] naar België en/of Duitsland vervoerd/overgebracht om aldaar als prostituee (verder) te (gaan) werken en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (uiteindelijk) vanuit Duitsland naar Nederland vervoerd/overgebracht en/of laten vervoeren/overbrengen om aldaar als prostituee (verder) te (gaan) werken en/of

- voor die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (een) werkplek(ken) geregeld en/of laten regelen waar zij als prostituee kon(den) werken en/of die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] naar hun/haar werkplek(ken) gebracht en/of laten brengen en/of van hun/haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] als prostituee laten werken en/of toegezien en/of laten toezien op (een minimum aan) (de) werktijd(en) (en daarmede (aan) (de) inkomsten) van die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] als prostituee en/of die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (verder) in de gaten gehouden en/of in de gaten laten houden en/of gecontroleerd en/of laten controleren en/of de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] ingeperkt en/of laten inperken en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (het) door hen/haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), doen afstaan en/of doen afdragen en/of die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 25] (in bijzijn van [betrokkene 8]) geslagen en/of die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] geen of (te) weinig weerstand tegen verdachte en/of verdachtes mededader(s) kon(den)/durfde(n) te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of verdachtes mededader(s) en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] vrees ingeboezemd voor repressie en/of repercussie jegens hen/haar en/of hun/haar familie en/of hun/haar vrienden en/of

- die [betrokkene 8] en/of [betrokkene 25] in (een) positie/situatie(s) gebracht waarin zij zich niet kon(den) onttrekken aan de van verdachte en verdachtes mededader(s) uitgaande groepsdwang en/of groepsintimidatie.

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002, althans 01 januari 2005, tot en met 07 februari 2007, te Assendelft, gemeente Zaanstad, en/of Alkmaar en/of Utrecht en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of Haarlem en/of Den Haag en/of Breukelen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Polen en/of Turkije heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit [verdachte SB] en/of [verdachte HB] en/of [verdachte UT] en/of [verdachte MD] en/of [verdachte BI] en/of verdachte ('de organisatie B'), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees) en/of

- (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die (zware) mishandeling onder andere bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en/of pooiers) en/of

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees) en/of

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens) en/of

- afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees).

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. Daardoor wordt verdachte niet geschaad in zijn verdediging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat voor feit 1 primair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Leeswijzer

Deze paragraaf bevat een aantal onderdelen die betrekking hebben op de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. Deze bewijsmotivering bestaat per feit uit een aantal onderdelen.

Eerst worden de kort samengevatte standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven.

Onder het kopje bewijsoverwegingen zal de rechtbank vervolgens de feiten vaststellen en daarbij tussen haakjes steeds het nummer van het bewijsmiddel vermelden waaraan het is ontleend. In de bewijsoverwegingen motiveert de rechtbank verder in voorkomende gevallen dat, en waarom, zij afwijkt van door de officier van justitie en de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. In dat geval wordt uitgebreider vermeld hoe die standpunten luiden. Ook de eventuele overige bijzondere bewijsoverwegingen komen in de paragraaf bewijsoverwegingen aan de orde. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die hierna in het vonnis zijn opgenomen. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Onder het kopje conclusie zet de rechtbank uiteen of zij tot een vrijspraak of een bewezenverklaring komt en neemt zij de eventuele bewezenverklaring op.

De genummerde bewijsmiddelen zijn, geordend per feit, als bijlage aan het vonnis gehecht en maken daarvan op die wijze deel uit.

Feitelijk gedeelte van de tenlastelegging

De tenlasteleggingen in de zaken van Sneep II zijn voor wat betreft de mensenhandel toegespitst op de in artikel 273a (oud)/273f en in een enkel geval ook in 250a (oud) Sr, telkens in het eerste lid omschreven onderdelen. De opbouw van de tenlastelegging is steeds dat eerst de onderdelen zijn omschreven, gevolgd door een passage die begint met ‘immers’, welke passage de feitelijke omschrijving bevat. De rechtbank duidt in haar overwegingen in voorkomende gevallen dat deel van de tenlastelegging soms aan als ‘het feitelijk deel van de tenlastelegging’ of ‘de feitelijke omstandigheden’ maar ook wel als ‘de feitelijkheden’. Met die laatste term wordt dan niet bedoeld: feitelijkheden in de zin van de als dwangmiddel in de delictsomschrijving opgenomen wetsterm. Wanneer dat wél wordt bedoeld, vermeldt de rechtbank dat uitdrukkelijk.

Artikel 273f, eerste lid aanhef en sub 4°, Sr

- Gebondenheid aan de tenlastelegging

De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging er toe strekt voor de procesdeelnemers – zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Afgezien van de wettelijke wijzigings- en aanvullingsmogelijkheden (artikelen 312, 313 en 314 Sv) kan de rechter aan de tenlastelegging overeenkomstig haar kennelijke strekking een uitleg geven die met de bewoordingen ervan niet letterlijk overeenstemt, mits die uitleg met die bewoordingen niet onverenigbaar en ook overigens niet onbegrijpelijk is alsmede ook voor de andere procesdeelnemers duidelijk is. Eventuele kennelijke misslagen kunnen aldus worden hersteld (vgl. HR 27 juni 1995, NJ 1996, 126 en 127).

- Tenlastelegging in Sneep II

In de zaken die onder de naam Sneep II aan de rechtbank zijn voorgelegd, zijn de tenlasteleggingen die betrekking hebben op mensenhandel, in de meeste gevallen volgens een vast patroon opgebouwd. Primair wordt verdachte verweten dat hij als pleger of medepleger betrokken is geweest, subsidiair is medeplichtigheid tenlastegelegd. In vrijwel alle zaken is onder meer artikel 273f, eerste lid sub 4°Sr, of de corresponderende strafbaarstelling in de vervallen artikelen 273a (oud) en 250a (oud) Sr, tenlastegelegd. Dit onderdeel ziet op degene die in een door een ander gecreëerde uitbuitingssituatie of situatie van onvrijwilligheid (dat zijn de onder 1° genoemde omstandigheden waarbij een dwangmiddel is gebruikt ) enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Volgens de wetsgeschiedenis is deze culpoze variant ingevoerd met het oog op personen voor wie niet bewijsbaar geldt dat zij zelf de dwangmiddelen hebben aangewend om een vrouw te dwingen of te bewegen zich tot prostitutie beschikbaar te stellen, maar die, in een situatie waarin een vrouw door anderen daartoe gedwongen of bewogen zich prostitueert, zelf iets doet waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de vrouw zich daardoor prostitueert. In gewoon Nederlands: iemand doet iets, waarvan hij weet of moet vermoeden, dat een vrouw die in een uitbuitingssituatie verkeert, zich daardoor prostitueert.

- Bewijsvraag

Voor alle verdachten is een vrijwel gelijkluidende tenlastelegging uitgebracht. Voor vrijwel alle verdachten is gerequireerd tot bewezenverklaring van het (mede)plegen van mensenhandel bij alle vrouwen. Het is de taak van de rechtbank op basis van de tenlastelegging tot een oordeel te komen. De rechtbank constateert bij beantwoording van de bewijsvraag dat niet alle verdachten op eenzelfde wijze bij de verweten gedragingen betrokken zijn geweest. Daardoor kan in veel gevallen opzet en/of medeplegen niet bewezenverklaard worden.

- Sub 4°

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het gedachtestreepje dat ziet op sub 4° in die gevallen bewezen kan worden.

In het huidige sub 4° - en de voorlopers daarvan in de inmiddels vervallen artikelen 273a (oud) en 250a (oud) Sr - heeft de wetgever, voor zover in deze zaak van belang, naar het oordeel van de rechtbank twee situaties strafbaar willen stellen, te weten:

1) een ander met de onder lid 1, sub 1° genoemde middelen dwingen of bewegen, zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid of diensten, en

2) onder de omstandigheden van lid 1, sub 1°, enige handeling ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een ander zich daardoor beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid of diensten.

Onder 1) valt de uitbuiter zelf, onder 2) bijvoorbeeld degene die door de officier is aangeduid als “facilitator”, ofwel een persoon die op de hoogte is van de uitbuiting en daarbij zelf ook enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moeten vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele diensten. De officier van justitie heeft steeds de delictsomschrijving van sub 4° in zijn geheel tenlastegelegd, ook al had zij, zo leidt de rechtbank uit het requisitoir af, soms alleen het oog op het tweede deel van sub 4°.

De rechtbank loopt door deze wijze van tenlasteleggen tegen een probleem op. In gevallen waarin de rechtbank niet kan bewijzen dat verdachte zelf de pleger van de uitbuiting was en dus zal vrijspreken van het eerste deel van sub 4°, blijft het tweede deel van dat gedachtestreepje over. Dat tweede deel is: dat verdachte “onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die vrouw zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten”, waarna onder “immers” de feitelijke handelingen van de uitbuiter volgen.

De rechtbank is van oordeel dat de overgebleven zin “onder genoemde omstandigheden enige handeling ondernemen” onvoldoende concreet en feitelijk is. Waar doelt de steller van de tenlastelegging dan op? De genoemde omstandigheden worden daarin immers niet meer genoemd, nu het eerste deel van de tenlastelegging is weggestreept. Bovendien zijn de feitelijkheden die na “immers” volgen, geen uitwerking van “enige handeling” die door verdachte wordt verricht. De feitelijkheden die door verdachte worden verricht, staan namelijk in de tenlastelegging genoemd onder het subsidiair tenlastegelegde, ter invulling van de medeplichtigheid.

De rechtbank heeft zich afgevraagd of zij de tenlastelegging verbeterd zou kunnen en moeten lezen in die zin dat de steller van de tenlastelegging het volgende heeft bedoeld ten laste te leggen: dat een medeverdachte (de uitbuiter) de vrouw heeft gedwongen of bewogen, met de dwangmiddelen van lid 1 sub 1°, om zich beschikbaar te stellen voor arbeid en diensten, door de na “immers” genoemde feitelijkheden te verrichten, terwijl verdachte onder die omstandigheden, enige handeling heeft verricht, te weten de handelingen die onder het subsidiair tenlastegelegde staan, ter invulling van de medeplichtigheid. Die feitelijkheden zou de rechtbank daar dan moeten inlezen.

Een dergelijke reconstructie is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een uitleg van de tenlastelegging die valt binnen de door de Hoge Raad getrokken grenzen.

- Conclusie

De rechtbank zal verdachte in dergelijke gevallen (ook) vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het als artikel 273f/273a (oud), onder sub 4°/250a (oud) sub 1° Sr tenlastegelegde.

Gebruik van samenvattingen van tapgesprekken

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de samenvattingen van tapgesprekken niet gebruikt mogen worden, wanneer die gesprekken in een vreemde taal zijn gevoerd of indien er geen audio-opnames van die gesprekken zijn. Ze verwijst daarbij naar de beslissing van de rechtbank in Sneep I over dat onderwerp.

De rechtbank stelt voorop dat geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van een geschrift - als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5°, Sv – dat in samenvattende vorm de inhoud van een telefoongesprek bevat. Of van zo een samenvatting in een concreet geval gebruik gemaakt kan worden voor het bewijs, is afhankelijk van het oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid ervan. Daarbij kunnen diverse factoren een rol spelen. Uiteraard is ook van belang of de betrouwbaarheid gemotiveerd is betwist. De rechtbank heeft zich van een en ander rekenschap gegeven bij de bewijsbeslissing. Nog opgemerkt wordt dat het in algemene termen gestelde verweer van de verdediging geen onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid, laatste volzin, Sv is, zodat een andere dan de uit de bewijsmotivering blijkende motivering niet noodzakelijk is .

5.1 Albena [betrokkene 9] (tenlastelegging onder 1)

5.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

5.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Tenlastelegging

Aan verdachte is primair medeplegen en subsidiair medeplichtigheid aan mensenhandel ten aanzien van[betrokkene 9] tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een groot aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a(oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 4°, 6° en 9° Sr.

Medeplegen volgens de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir opgesomd welke feiten en omstandigheden redengevend zijn voor een bewezenverklaring van het gehele primair tenlastegelegde feit (medeplegen mensenhandel met [verdachte SB]). Zij noemt:

1. [betrokkene 9] is met verdachte van Nederland naar Duitsland gereden voor een controle na plastische chirurgie (neuscorrectie)

2. Verdachte haalde voor [verdachte SB] en [verdachte BI] vrouwen op

3. [betrokkene 14] typeert verdachte als loopjongen van de groepering [B]

4. Verdachte moest geld afdragen aan [verdachte SB] volgens [betrokkene 14] en [betrokkene 8]

5. Verdachte en zijn vriendin waren bevriend met [verdachte SB] en [betrokkene 9] en gevieren zijn zij een keer een weekend naar Milaan geweest.

De officier van justitie acht ook redengevend dat verdachte ter terechtzitting zou hebben verklaard “dat hij (…) het zich [kon] voorstellen dat [verdachte SB] van het geld van [betrokkene 9] leefde als zij werkte”. Nog afgezien van het gebrek aan redengevende kracht van een dergelijke mededeling, is het blijkens het van de terechtzitting opgemaakte proces-verbaal onjuist dat verdachte zich in die zin heeft uitgelaten.

De officier van justitie heeft niet onderbouwd welke passages uit het feitelijk deel van de tenlastelegging op grond van deze opsomming bewezenverklaard kunnen worden, waarom dit vervolgens tot bewezenverklaring van alle uit het eerste lid van artikel 273a(oud)/273f Sr tenlastegelegde subonderdelen moet leiden en op grond waarvan aan de eisen voor opzet en medeplegen voldaan is. De hiervoor onder 3 t/m 5 weergegeven passages missen naar het oordeel van de rechtbank redengevende kracht voor enig te bewijzen onderdeel omdat zij te algemeen (loopjongen van groep B) of niet relevant (verdachte moest geld afdragen aan [verdachte SB]) of zonder meer niet belastend (vriendschap/een weekendje Milaan) zijn.

Verklaring verdachte en [betrokkene 9]

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2010 verklaard dat hij in 2005 naar Nederland is gekomen en gedurende een periode van ongeveer vijftien maanden in Nederland is geweest, tot ongeveer juni 2007.

[betrokkene 9] verklaart kort gezegd dat zij geen slachtoffer van mensenhandel door wie dan ook is geweest. Wel herkent zij verdachte bij het verhoor door de rechter-commissaris op 18 maart 2010 op een haar getoonde foto en verklaart dat verdachte haar samen met andere vrouwen vanaf de Vinkenveense plassen naar Utrecht (de rechtbank begrijpt: het prostitutiegebied aldaar) vervoerde, in de (niet nader gespecificeerde) periode dat zij in Zaandijk woonde.

Overige bewijsmiddelen en verdachte als pleger

Deze verklaring wordt bevestigd door mutaties op 3 mei 2005 en 25 augustus 2005. Verdachte zelf verklaart ter terechtzitting dat hij zijn eigen vrouw naar haar werkplek op het Zandpad in Utrecht bracht en dan ook [betrokkene 9] wel eens meenam, misschien ook wel in haar auto.

De rechtbank acht voldoende bewijs voor het vervoeren van [betrokkene 9] in de periode van 3 mei tot en met 25 augustus 2005 aanwezig.

Voor bewijs van het door verdachte verrichten van uitvoeringshandelingen in de vorm van de overige tenlastegelegde feitelijkheden (na “immers”) biedt het dossier geen aanknopingspunten.

Betrokkenheid via deelneming?

Zou, indien de mensenhandel bij [verdachte SB] of een andere medeverdachte bewezenverklaard kan worden, verdachte daar via medeplegen of medeplichtigheid aan gekoppeld kunnen worden?

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 9] is vereist dat er tussen verdachte en zijn medeverdachte een zekere mate van nauwe en bewuste samenwerking is geweest. Er moet bij verdachte (voorwaardelijk) opzet op (1) het medeplegen van (2) die mensenhandel hebben bestaan. De samenwerking kan blijken uit voorafgaande al dan niet stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren ervan.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke opzet uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden. Verdachte heeft zich, zoals hierna wordt beslist, wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van de vrouwen genoemd bij feit 3 in de periode van augustus tot en met november 2006. Hij was dus in die zin geen onbeschreven blad. Hij aanvaardde willens en wetens de aanmerkelijke kans dat zijn medeverdachte [verdachte SB] zich met mensenhandel bezighield. Maar dat speelde zich af ná de periode waarin hij [betrokkene 9] een aantal keren op het Zandpad had afgezet. Zijn opzettelijke of, in het geval van lid 1 sub 4? culpose, betrokkenheid bij [betrokkene 9] kan daaruit dus niet afgeleid worden.

Eenzelfde bewijsprobleem doet zich voor bij de tenlastegelegde medeplichtigheid. Weliswaar kan bewezen worden dat verdachte [betrokkene 9] in de tenlastegelegde periode enkele maanden heeft vervoerd naar haar werkplek, maar het (voorwaardelijk) opzet op het misdrijf mensenhandel is niet bewijsbaar.

5.1.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair ten aanzien van [betrokkene 9] is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.2 [betrokkene 22] (tenlastelegging onder feit 1)

5.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie requireert tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak.

5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 1 primair medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 22] tenlastegelegd. Subsidiair is medeplichtigheid aan dit feit tenlastegelegd. De tenlastelegging onder feit 1 bevat een aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 4°, 6° en 9° Sr.

De verklaringen van [betrokkene 22] en verdachte

[betrokkene 22] is verschillende keren gehoord door de politie en de rechter-commissaris. Ze legt verklaringen af die als belastend kunnen worden aangemerkt voor [verdachte SB]. Ze verklaart dat ze vanaf eind 2004 een jaar gedwongen voor [verdachte SB] in de prostitutie heeft gewerkt en haar geld aan hem afstond. Over verdachte verklaart zij dat hij haar en een aantal andere meisjes in de periode van een maand, meermalen met de auto naar het werk in Utrecht bracht. Zij belde hem en vroeg hem dat, omdat ze wist dat hij waarschijnlijk zijn eigen vrouw naar het werk bracht. Ze heeft hem ervoor betaald. Verdachte heeft haar niet gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, zich nooit met haar werkplek of werktijden bemoeid en heeft haar ook nooit geslagen of haar of haar familie bedreigd.

Verdachte zelf verklaart dat hij [betrokkene 22] meenam naar haar werkplek omdat ze klaagde over hoge taxikosten. Hij zegt geen verhalen over mishandelingen door [verdachte SB] te kennen.

Overige bewijsmiddelen

Er zijn verklaringen van [betrokkene 48], van [K] (de moeder van [betrokkene 22]), en van de prostituees [betrokkene 4] en [betrokkene 34]. Zij allen verklaren over [betrokkene 22] in relatie tot [verdachte SB]. Ze verklaren niets over verdachte. Er is slechts één proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een BPS melding van 5 juli 2005, waaruit blijkt dat [betrokkene 22] door verdachte op het Zandpad wordt afgezet. Meer bewijsmiddelen zijn er niet over de betrokkenheid van verdachte.

Verdachte als pleger

Er is geen bewijs dat verdachte [betrokkene 22] zelf heeft uitgebuit zoals bedoeld onder sub 1°. Evenmin is er bewijs dat verdachte voordeel heeft getrokken zoals bedoeld in sub 6° of dat hij [betrokkene 22] heeft gedwongen om haar in de prostitutie verdiende geld af te staan aan hem, zoals bedoeld in sub 9°. Om de redenen zoals vermeld in rubriek 5, onder Artikel 273f, eerste lid aanhef en sub 4°, Sr, kan ook het tenlastegelegde sub 4° niet bewezen worden.

Medeplegen of medeplichtigheid

Zou, indien de mensenhandel bij [verdachte SB] of een andere medeverdachte bewezenverklaard kan worden, verdachte daar via medeplegen of medeplichtigheid aan gekoppeld kunnen worden?

De officier van justitie stelt dat uit ordner 47 tot en met 50A blijkt dat verdachte volledig op de hoogte was van het reilen en zeilen van de [B groep]. Bovendien was hij zelf ook bodyguard en taxichauffeur én pooier van andere vrouwen, zoals [betrokkene 25], [betrokkene 8] en [betrokkene 23].

De raadsvrouw voert aan dat het een aantal keer brengen van [betrokkene 22] naar haar werk, onvoldoende is om medeplegen dan wel medeplichtigheid aan te nemen.

Vooropgesteld moet worden dat een verwijzing – zoals de officier van justitie doet – naar een aantal ordners door de rechtbank niet zal worden opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De ontkennende beantwoording van de vraag of van medeplegen of medeplichtigheid sprake is geweest, zal de rechtbank daarom slechts kort motiveren.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 22] is vereist dat er tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) een zekere mate van nauwe en bewuste samenwerking is geweest. Er moet bij verdachte (voorwaardelijk) opzet op (1) het medeplegen van (2) die mensenhandel hebben bestaan. De samenwerking kan blijken uit voorafgaande al dan niet stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren ervan. Van een zodanige samenwerking blijkt niet uit het enkele gegeven dat verdachte, [betrokkene 22] een paar keer op haar verzoek naar de werkplek heeft gebracht. De door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat verdachte zelf ook vrouwen voor zich in de prostitutie had werken, levert evenmin bewijs voor dit feit op. In de eerste plaats zal verdachte ten aanzien van [betrokkene 9] (feit 1) worden vrijgesproken. En verder vonden de door de rechtbank bewezen te verklaren feiten ten aanzien van [betrokkene 25] en [betrokkene 8] (feit 3) plaats in de periode van augustus tot en met november 2006, een jaar ná de bij [betrokkene 22] tenlastegelegde periode. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij daarover onder 5.2.1 ten aanzien van [betrokkene 9] heeft overwogen, welke overwegingen ook hier van belang zijn.

Eenzelfde bewijsprobleem doet zich voor bij de tenlastegelegde medeplichtigheid. Weliswaar kan bewezen worden dat verdachte [betrokkene 9] in de tenlastegelegde periode heeft vervoerd naar haar werkplek, maar het (voorwaardelijk) opzet op het misdrijf mensenhandel is niet bewijsbaar. Uit niets blijkt dat verdachte [betrokkene 22] bracht in opdracht van of in overleg met [verdachte SB] en evenmin dat verdachte wist dat [betrokkene 22] werd uitgebuit. Ook voor medeplichtigheid ontbreekt het bewijs.

5.2.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair ten aanzien van [betrokkene 22] is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.3 [betrokkene 23] (tenlastelegging onder feit 2)

5.3.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie requireert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken.

5.3.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Tenlastelegging

Aan verdachte is medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 23] tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een groot aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 4°, 6° en 9° Sr.

De verklaring van [betrokkene 23]

[betrokkene 23] is de echtgenote van verdachte. Ze verklaart dat ze verdachte 6 juni 2005 heeft leren kennen. Ze werkte toen al in de prostitutie. Ze zegt dat ze niet in de prostitutie werkte omdat verdachte dat wilde. Ze bepaalde zelf haar werktijden en ze kon vrij beschikken over het geld dat ze verdiende. Verdachte heeft haar niet gevraagd om hem geld te geven, ook al deed ze dat wel eens uit zichzelf.

De verklaring van verdachte

Verdachte verklaart dat [betrokkene 23] zelf in haar auto naar Nederland is gegaan om in Utrecht te gaan werken. In november 2006 is hij bij haar ingetrokken. Zij betaalde de huur. Af en toe bracht hij haar wel eens naar haar werkplek in Amsterdam.

Overig bewijs

In het dossier bevinden zich een aantal tapgesprekken tussen [betrokkene 23] en verdachte, waarin over werktijden en inkomsten wordt gesproken. In die gesprekken is onder andere het volgende te horen: “Ik zit nu op volle werktijd. Ik doe nog een beetje, moet nog tanken…laat ik dat maar doen …100 euro voor het tanken” en “ik heb er nog 7 nodig om de tax te halen”. [betrokkene 23] zelf verklaart daarover dat ze voor zichzelf een limiet bepaalde en met haar man over haar inkomsten sprak. Het was niet zo dat hij bepaalde hoeveel ze moest verdienen.

Er is één tapgesprek waarin [betrokkene 23] zegt dat verdachte “her en der moet vechten en haar niet meer moet slaan”. [verdachte TK] zegt dan dat hij van haar houdt. Daarnaar gevraagd zeggen zowel verdachte ter terechtzitting, als [betrokkene 23] in een verhoor door de rechter-commissaris, dat het in dat gesprek over seks gaat. Met slaan bedoelen ze seks en met her en der vechten, seks met andere vrouwen.

Wat er ook zij van de geloofwaardigheid van deze uitleg van dat tapgesprek, feit is dat er zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit afgeleid kan worden dat [betrokkene 23] door verdachte werd bewogen of gedwongen om in de prostitutie te werken. Daarom kan niet bewezen worden dat van de onder sub 1°, sub 4° of sub 9° bedoelde situatie sprake was en evenmin dat een uitbuitingssituatie bestond waaruit opzettelijk voordeel werd getrokken als bedoeld onder 6°.

5.3.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.4 [betrokkene 25] en [betrokkene 8] (tenlastelegging onder feit 3)

5.4.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie requireert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verklaring van [betrokkene 25] moet worden uitgesloten van het bewijs, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest haar vragen te stellen.

5.4.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 3 het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 25] en [betrokkene 8] tenlastegelegd. De tenlastelegging onder feit 3 bevat een aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 3º, 4°, 6° en 9° Sr.

Het gebruik van de verklaring van [betrokkene 25]

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 25], ondanks het feit dat de verdediging niet in staat is geweest de getuige te horen, wel voor het bewijs kan worden gebruikt nu deze verklaring in voldoende mate steun vindt in ander – hierna te noemen – bewijs.

Vaststelling van de feitelijkheden

[betrokkene 8] en [betrokkene 25] werkten in Alkmaar in de prostitutie. In de zomer van 2006 ontmoette [betrokkene 8] [verdachte SB] en verdachte. Verdachte was klant van haar. Ze vond hem steeds leuker en werd verliefd op hem. Zij kregen een liefdesrelatie en [betrokkene 25] werd de vriendin van medeverdachte [verdachte SB]. De mannen namen hen mee naar dure hotels, die door verdachte en [verdachte SB] werden betaald (2, 6 en 7). Ze werden op die manier ingepalmd. Op zeker moment vertelden de mannen hen dat ze beter in Amsterdam konden werken. Vanaf dat moment moesten de vrouwen het grootste deel van hun geld afdragen. [verdachte SB] regelde de geldzaken van [betrokkene 25] en verdachte die van [betrokkene 8]. Ze betaalden 500 á 600 euro per dag. De vrouwen kregen 50 euro per dag om van te eten en beltegoed te kopen. (1, 2, 6, 9 en 10).

Ze werden door de mannen naar hun werkplek gebracht. Rond 17.00/18.00 uur stonden de vrouwen klaar om te worden opgehaald door verdachte en [verdachte SB] en na het werk wachtten de mannen hen weer buiten op (6 en 7 ).

Ook de werkplek werd door verdachte en [verdachte SB] geregeld. Eerst werden [betrokkene 8] en [betrokkene 25] naar Duitsland gebracht. Daar moesten ze werken ook al waren de arbeidsomstandigheden niet naar hun zin. Hun geld moesten ze opsparen. Het werd door [verdachte SB] opgehaald. Uiteindelijk zijn ze door verdachtes broer weer naar Nederland gebracht (3, 6, 8, 9 en 10). Daarna werd er een werkplek in Den Haag geregeld. Op 7 november 2006 gingen de vrouwen met verdachte en [verdachte SB] naar Den Haag. De dag ervoor had [verdachte SB] via [betrokkene 36] al kamers laten regelen (11 en 12). De vrouwen moesten een stuk achter de mannen lopen. Als [verdachte SB] voor een raamprostitutiepand bleef staan, was dat voor de vrouwen een teken dat ze daar moesten vragen of ze daar aan het werk konden. De rechtbank concludeert dat [verdachte SB] stilstond voor de kamer die hij de dag ervoor had laten regelen. Het was de [adres]. (2, 6, 11 en 12). [betrokkene 25] en [betrokkene 8] werden steeds in de gaten gehouden en beperkt in hun bewegingsvrijheid. Er werd een hotel voor de vrouwen gezocht, waar ze moesten verblijven. De vrouwen moesten altijd alles melden wat ze deden. Ze mochten niet uitgaan en mochten alleen met elkaar stappen. Als ze naar het restaurant naast de Galabar gingen moesten ze tot in detail doorgeven met wie ze spraken of wie er tegen hen lachten. En ze moesten tot op de minuut aangeven wanneer ze het restaurant weer verlieten (4, 6 en 13). [verdachte SB] schold tegen de vrouwen en de mannen hadden altijd een wapen bij zich. Daardoor werd ook een zodanig dreigende sfeer gecreëerd dat de vrouwen geen weerstand durfden te bieden (1, 5 en 6). Half november was er een incident in het Ibishotel waarbij [verdachte SB] [betrokkene 25] vroeg haar oorbellen uit te doen, waarna hij haar meermalen sloeg. Ze sloeg met haar hoofd hard tegen de muur. [betrokkene 8] en verdachte waren erbij. [verdachte SB] dacht dat [betrokkene 25] zonder condoom had gewerkt en zei “Mocht zoiets nog eens gebeuren dan maak ik je af” (1 en 2).

De dwangmiddelen

Met de hierboven vastgestelde feitelijkheden acht de rechtbank bewezen dat er sprake was van dwang en andere feitelijkheden, te weten het aangaan van een liefdesrelatie en het inpalmen van de vrouwen. Weliswaar kan worden vastgesteld dat er ook geweld is gebruikt tegen [betrokkene 25], maar dat heeft ertoe geleid dat de vrouwen niets meer met verdachte en [verdachte SB] te maken wilden hebben en zijn gevlucht. Er is geen bewijs dat zij na die tijd nog in de prostitutie hebben gewerkt voor verdachte en [verdachte SB]. Het geweld kan daarom niet als voor deze tenlastelegging relevant dwangmiddel worden aangemerkt.

Het medeplegen

Uit het feit dat verdachte bij de mishandeling in het Ibishotel aanwezig was en niet heeft ingegrepen, in combinatie met tapgesprekken waaruit blijkt dat [verdachte SB] en verdachte plannen en afspraken maakten over onder andere de werkplekken, het ophalen van de vrouwen en de instructies die de vrouwen moeten krijgen (8, 9 en 10) leidt de rechtbank af dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte SB] en verdachte, zodat de rechtbank medeplegen bewezen acht. Daaraan doet niet af dat de vrouwen na deze mishandeling zijn gevlucht, zodat een einde kwam aan de uitbuitingssituatie.

5.4.3 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het tenlastegelegde ten aanzien van [betrokkene 25] en [betrokkene 8] heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van augustus 2006 tot en met november 2006 te Amsterdam en Den Haag en elders in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander

- anderen, te weten [betrokkene 8] en [betrokkene 25], telkens door dwang andere feitelijkheden heeft geworven, vervoerd, gehuisvest en overgebracht met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] heeft medegenomen met het oogmerk die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor derden tegen betaling en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] telkens door dwang en andere feitelijkheden heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] door dwang en andere feitelijkheden heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van hun, [betrokkene 8]’s en [betrokkene 25]'s, seksuele handelingen met of voor derden,

immers zijnde/hebbende verdachte en zijn mededader

- met voornoemde [betrokkene 8] en [betrokkene 25] een liefdesrelatie aangegaan en die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] door van alles voor hen te betalen en het geven van veel aandacht ingepalmd en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] naar Duitsland vervoerd om aldaar als prostituee te werken en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] uiteindelijk vanuit Duitsland naar Nederland laten vervoeren/overbrengen om aldaar als prostituee verder te werken en

- voor die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] werkplekken geregeld waar zij als prostituee konden werken en die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] naar hun werkplekken gebracht en van hun werkplekken opgehaald en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] als prostituee laten werken en die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] in de gaten gehouden en gecontroleerd en de keuze-/bewegingsvrijheid van die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] ingeperkt en

- die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] het door hen in de prostitutie verdiend geld gedeeltelijk aan hen, verdachte en zijn mededader doen afstaan en die [betrokkene 8] en [betrokkene 25] aldus in van hem, verdachte en zijn mededader afhankelijke positie gehouden en

- die [betrokkene 25] in bijzijn van [betrokkene 8] geslagen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van [betrokkene 25] en [betrokkene 8] meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.5 Deelneming aan de criminele organisatie [B] (tenlastelegging onder feit 4)

5.5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit.

5.5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Juridisch kader

Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie, te weten het plegen van misdrijven, hoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet hoeft te worden bewezen dat verdachte in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

De rechtbank behandelt de vraag of de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie kan worden bewezen in drie stappen, te weten:

- het bestaan van een organisatie

- het oogmerk van de organisatie

- de deelneming aan de organisatie door verdachte.

Het bestaan van een organisatie

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

[betrokkene 94] heeft op 21 februari 2004 verklaard dat hij sinds een maand of twee op de Wallen in Amsterdam werkte voor een groep pooiers, die allemaal uit Duitsland kwamen en elkaar al heel lang kenden. Ze waren genaamd [verdachte SB], [verdachte HB], [verdachte NT] (de rechtbank begrijpt telkens daar waar over [M] gesproken wordt: [verdachte NT]) en [verdachte UT] (de rechtbank begrijpt telkens daar waar over [C] gesproken wordt: [verdachte UT]). De groep had meisjes voor zich werken in Amsterdam en in Den Haag. [verdachte SB] was volgens [betrokkene 94] één van de leiders van de groep. [betrokkene 94]heeft voor die groep als boodschappenjongen gewerkt en hij moest meisjes beschermen tegen lastige klanten (10). Daarnaast hebben de getuigen [betrokkene 14] (8) en [betrokkene 4] (9) beiden verklaard dat [verdachte SB] pooier was en dat er verschillende meisjes voor hem in de prostitutie werkten. Hij was ‘de grote man’ en ‘de grote baas’ van de groep die bij hem hoorde. Voorts wordt in tapgesprekken tussen [verdachte SB] en [verdachte UT] (1 en 4) en in een gesprek tussen ene [verdachte MY] en [verdachte UT] (3) gesproken over de groep/gemeenschap en wordt gezegd dat [verdachte SB] de baas is.

Binnen de organisatie waren bodyguards actief die de vrouwen die als prostituee werkten moesten beschermen. Voor dit werk werden de bodyguards door de organisatie betaald. Of wel rechtstreeks door de mannen, zoals blijkt uit een tapgesprek tussen [verdachte NT] en [verdachte HB] (20) ofwel door de vrouwen zelf, zoals [betrokkene 36] heeft verklaard (35). In een tapgesprek tussen [verdachte UT] en [verdachte ZO] (5), dat twee minuten later gevolgd wordt door een tapgesprek tussen [verdachte UT] en [verdachte SB] (6), wordt gesproken over de aanschaf en de verdeling van de kosten van kogelwerende vesten voor [verdachte ZO] en anderen (de rechtbank begrijpt: ter bescherming van de bodyguards). [verdachte UT] zegt hierover dat “wij de helft als bedrijf op ons nemen”. Met deze verdeling (en de bijbehorende betalingsregeling) gaat [verdachte SB] vervolgens akkoord. Blijkbaar heeft [verdachte SB], zo concludeert de rechtbank, als leider van de organisatie het laatste woord hierin.

De werktijden van de bodyguards werden bepaald door [verdachte SB], in overleg met [verdachte UT]. Dit leidt de rechtbank af uit drie tapgesprekken die kort na elkaar gevoerd zijn. In het eerste gesprek, tussen [verdachte UT] en [verdachte ZO], beklaagt [verdachte ZO] zich over zijn lange werktijden en vraagt hij of hij thuis mag blijven omdat hij pijnlijke voeten en griep heeft (17). In een direct daarop volgend tapgesprek overleggen [verdachte UT] en [verdachte SB] hierover en wordt beslist dat [verdachte ZO] om 12 uur á 1 uur kan beginnen met werken (18). De dag daarop overleggen [verdachte UT] en [verdachte SB] over de werktijden van de bodyguards. [verdachte SB] is daarbij degene die de beslissing neemt over de aan te houden werktijden (19).

Binnen de organisatie wordt getracht om eenmaal bezette kamers voor de organisatie te behouden: als de vrouw van een deelnemer aan de organisatie een kamer ‘teruggeeft’, wordt dit doorgegeven aan een andere deelnemer zodat een andere vrouw in die kamer kan werken (2).

Verder blijkt uit een tapgesprek tussen [verdachte NT] en [verdachte SB] (7) dat toen [V] (de rechtbank begrijpt: [verdachte ZO]) en [B] (de rechtbank begrijpt: [verdachte BK]) op 8 januari 2007 door de politie waren aangehouden, vanuit de organisatie voor een advocaat is gezorgd.

En als op 7 februari 2007 tenslotte de politie begint met ontmanteling van de organisatie, breekt onrust uit. In een tapgesprek tussen [verdachte NT] en verdachte wordt besproken dat er een inval is gedaan en dat ‘ze’ (de rechtbank begrijpt: de politie) ook achter verdachte aanzitten. Daarop instrueert [verdachte NT] verdachte: “Pak je simkaart, eet het op, kauw erop en slik het door” (55), kennelijk met de bedoeling sporen uit te wissen.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, onder leiding van in elk geval [verdachte SB]. Als deelnemer kunnen verder in elk geval aangemerkt worden [verdachte HB] (9, 10), [verdachte UT] alias [C] (9, 10) en [verdachte BI] alias [A](8, 9). De structuur bestond hierin dat [verdachte SB] veel zaken, zoals de werktijden, bepaalde en die via mededeelnemers, zoals [verdachte UT], liet doorgeven aan de lager op de ladder van de organisatie staande bodyguards. Ook de secundaire arbeidsvoorwaarden (kogelwerende vesten) werden geregeld en via de lijn [verdachte SB]-[verdachte UT] doorgegeven naar de onderste geledingen. De organisatie is gedurende de gehele aan verdachte tenlastegelegde periode in Nederland actief geweest en is daarmee als duurzaam aan te merken. De stelselmatigheid komt tot uiting in de grote hoeveelheid vrouwen die tot slachtoffer van mensenhandel werden gemaakt door de verschillende deelnemers aan de organisatie.

Het oogmerk van de organisatie

De groep personen onder leiding van [verdachte SB] had, zo verklaren de getuigen [betrokkene 14] en [betrokkene 4], op diverse plaatsen in Nederland een aantal vrouwen voor zich werken als prostituee (8 en 9). Ook andere vrouwen hebben verklaard over seksuele uitbuiting door leden van de organisatie, met betrekking tot henzelf en/of andere vrouwen. Sommige vrouwen verklaren ook over geweld dat daarbij gebruikt werd. De rechtbank verwijst in dit verband naar verklaringen van [betrokkene 11] (41), [betrokkene 65] (42), [betrokkene 25] (45) en [betrokkene 8] (46). Deze verklaringen worden op hoofdlijnen ondersteund door hetgeen de getuige [betrokkene 55] (43) verklaart. Voorts heeft [betrokkene 94]verklaard dat de groep meisjes voor zich aan het werk had en heeft hij gezien dat [verdachte SB], [verdachte NT] en [verdachte UT] mensen in elkaar sloegen als ze foto’s van meisjes namen. Hij heeft ook verklaard dat [verdachte SB] hem met een vuurwapen heeft bedreigd om te zorgen dat hij voor hem zou blijven werken (10).

In dit verband is ook van belang dat [verdachte ZO] en [verdachte BK] op 8 januari 2007 een onbekend gebleven man op de Wallen in Amsterdam in elkaar hebben geslagen. De man is geslagen en gestompt en hij is tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam geschopt terwijl hij op de grond lag (11). In een tapgesprek tussen [verdachte NT] en [verdachte SB] van diezelfde 8e januari 2007 zegt [verdachte SB] tegen [verdachte NT] dat [verdachte ZO] en [verdachte BK] vast zitten en ‘drie dagen hebben gekregen’. [verdachte NT] zegt dat hij eerst heeft gebeld met [verdachte UT] om te vragen of ‘ze’ een advocaat hadden gestuurd. [verdachte SB] zegt daarop tegen [verdachte UT] dat het eerste wat ‘we’ zullen doen, vroeg in de ochtend, is een advocaat sturen (7). Uit het feit dat [verdachte SB] met [verdachte NT] overlegt over het regelen van een advocaat en zich daarvoor kennelijk verantwoordelijk acht, leidt de rechtbank af dat de mishandeling waarvoor [verdachte ZO] en [verdachte BK] waren aangehouden in het kader van die organisatie was gepleegd.

Uit eerder genoemde verklaring van [betrokkene 94] (10) leidt de rechtbank af dat pooiers die niet tot de organisatie behoorden protectiegeld aan [verdachte SB] moesten betalen.

Tot slot blijkt uit verschillende getuigenverklaringen dat leden van de organisatie beschikten over vuurwapens (8, 10, 45 en 47). Tijdens een doorzoeking in een woning in Amsterdam, op 7 februari 2007, zijn onder medeverdachte [verdachte CO] een revolver en een aantal patronen in beslag genomen (12).

De mishandeling van prostituees is in de hiervoor genoemde individuele gevallen gepleegd teneinde de betreffende vrouwen te dwingen om als prostituee te werken en hun inkomsten (deels) af te staan. De mishandeling van klanten van prostituees is het gevolg van de werkwijze van de organisatie als het gaat om de bescherming van de vrouwen die – voor de organisatie – in de raamprostitutie werkten. De wapens werden gebruikt om mensen bang te maken en onder druk te zetten.

Er is, met andere woorden, sprake geweest van het door verschillende leden van de organisatie meermalen, en dus stelselmatig, plegen van het misdrijf mensenhandel. Ook werden regelmatig daarmee samenhangende misdrijven, mishandeling, wapenbezit en bedreigingen van prostituees en klanten en afpersing van prostituees en hun pooiers gepleegd. Ook daarop had de organisatie het oogmerk. Een organisatie die, zoals de rechtbank bij de vaststelling van het bestaan ervan al heeft overwogen, duurzaam en gestructureerd was, waar werkzaamheden waren verdeeld. Uit dit alles leidt de rechtbank af dat het oogmerk van de organisatie op het plegen van de in de tenlastelegging onder 4 genoemde misdrijven was gericht.

De deelneming aan de organisatie door verdachte

Verdachte heeft ontkend dat er een organisatie is geweest waarvan [verdachte SB] de baas was. Hij kent [verdachte SB] wel, maar hij heeft niet met hem samengewerkt.

De raadsvrouw heeft aan de hand van hetgeen in de zaak van [verdachte SB] in eerste aanleg is overwogen ten aanzien van het ook daar tenlastegelegde artikel 140 Sr, betoogd dat van deelneming door verdachte geen sprake is geweest.

De rechtbank overweegt dat voor bewezenverklaring van de aanwezigheid van een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr niet is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. In haar verweer miskent de raadsvrouw bovendien dat de bewijsmotivering in een andere strafzaak niet leidend is voor de beantwoording van de vraag of verdachte aan een dergelijke organisatie heeft deelgenomen. Bij beantwoording van die vraag overweegt de rechtbank het volgende.

Getuige [betrokkene 14] herkent verdachte op foto 34 als [verdachte TK] Hij had volgens haar één vrouw voor zich werken en was ‘loopjongen’ van [verdachte SB] en [verdachte BI] (de rechtbank begrijpt: [verdachte BI]) (56). Uit een tapgesprek tussen [verdachte SB] en [verdachte UT], op 8 maart 2006, blijkt dat [verdachte SB] ruzie heeft gehad met [verdachte BI] omdat [verdachte BI] [verdachte TK]weg wil hebben. [verdachte SB] zegt in dat gesprek dat hij degene is die heeft besloten om verdachte ‘hierheen’ (de rechtbank begrijpt: naar de Wallen in Amsterdam) te laten komen (54). Dat met [T] verdachte bedoeld wordt leidt de rechtbank af uit het feit dat [verdachte UT] in hetzelfde gesprek zegt dat [betrokkene 73]] de jongere broer van [verdachte TK]’ naar hem toe komt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een broer genaamd [betrokkene 73] heeft (57). De rechtbank concludeert dat [verdachte SB], als leider van de organisatie, verdachte tot lid van de organisatie heeft gemaakt. In juridische bewoordingen: verdachte behoorde tot het samenwerkingsverband.

In de maand januari 2006 heeft verdachte telefonisch contact gehad met [verdachte UT], op wiens verzoek hij hotelkamers heeft gereserveerd voor ene [verdachte MY], die samen met 2 meisjes zou komen (50, 51, 52 en 53). De rechtbank leidt uit deze gesprekken af dat verdachte in opdracht van [verdachte UT] hotelruimte regelt voor [verdachte MY], die nieuwe meisjes heeft meegebracht en dus ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Dit is de eerste keer dat verdachte in een bewijsmiddel voorkomt, op basis waarvan de rechtbank januari 2006 aanmerkt als het begin van de periode van deelneming door verdachte.

Voorts heeft de rechtbank onder feit 3 bewezen verklaard dat verdachte zich in de periode van augustus 2006 tot en met november 2006 schuldig heeft gemaakt aan het met [verdachte SB] medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 8] en [betrokkene 25]. De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen die aan deze bewezenverklaring ten grondslag liggen. Uit het feit dat verdachte zich samen met [verdachte SB] bezig hield met mensenhandel en hij daarnaast ook ondersteunende gedragingen verrichtte voor de organisatie leidt de rechtbank af dat verdachte heeft geweten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had.

Op basis van het hiervoor overwogene stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van januari 2006 tot en met november 2006 behoorde tot de organisatie waarvan [verdachte SB], [verdachte HB], [verdachte UT] en [verdachte BI] deel uitmaakten. Met de beschreven werkzaamheden heeft verdachte het oogmerk van die organisatie ondersteund.

5.5.3 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2006, in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit [verdachte SB] en H. [verdachte HB] en [verdachte UT] en [verdachte BI], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees) en

- mishandeling, als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mishandeling onder andere bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees en/of pooiers) en

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees) en

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens) en

- afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.6 Afsluitende overwegingen

Inleiding

De rechtbank zal bij gebrek aan bewijs (veel) minder feiten bewezen verklaren dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank realiseert zich dat dit bevreemding kan wekken gelet op zowel de inhoud van de tenlastelegging als die van het requisitoir. De rechtbank overweegt daarom nog het volgende.

Inhoud dossier, tenlastelegging en requisitoir

De officier van justitie heeft in het requisitoir voorbeelden opgesomd van gruwelijkheden waaraan verdachte en zijn mededaders zich naar het oordeel van het openbaar ministerie hebben schuldig gemaakt. Daarbij spreekt de officier in algemeenheden.

Zo is genoemd dat de vrouwen zeer vernederende handelingen en bejegeningen moesten ondergaan: (anale) verkrachtingen, brandmerken door middel van tatoeages, op hen urineren, gedwongen abortussen en bepalen door verdachten van de omvang van borstvergroting(en).

De rechtbank stelt vast dat de opgesomde handelingen en bejegeningen slechts enkele keren in de tenlasteleggingen van de in Sneep II terecht staande verdachten zijn opgenomen. Het urineren op vrouwen is in geen enkele zaak tenlastegelegd.

De rechtbank stelt ook vast dat bij vrijwel alle wél tenlastegelegde handelingen daarvan wegens het ontbreken van bewijs zal worden vrijgesproken. Slechts één keer is bewezen geacht dat een vrouw is bewogen om een tatoeage te laten zetten en in één zaak kan bewezen worden dat verdachte als dwangmiddel bij mensenhandel, met een slachtoffer tegen haar wil seksuele handelingen heeft verricht.

De officier geeft verder als voorbeeld dat leden (cursivering van de rechtbank) van de groep vrouwen (cursivering van de rechtbank) aan elkaar cadeau gaven (bijvoorbeeld betrokkene 39). De rechtbank stelt vast dat in het hele dossier één keer sprake is geweest van een dergelijk “cadeau”, daar waar [verdachte SB] tegen [verdachte BK] zegt dat hij hem [betrokkene 39] cadeau geeft. Dit is in geen enkele zaak tenlastegelegd.

Verder zouden de paspoorten van de vrouwen vaak zijn ingenomen. Dit is bij geen enkele verdachte opgenomen in de tenlastelegging. Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat dit in één geval, bij [betrokkene 22], is gebeurd.

Er zou in Vinkeveen tegen groepskorting een bungalowpark zijn afgehuurd om vrouwen en leden van de criminele organisatie onder te kunnen brengen. Tenlastegelegd is het niet.

Vrouwen moesten kort na de (borstvergrotende) operatie weer aan het werk gaan. Dit is in geen enkele tenlastelegging opgenomen en de rechtbank heeft het evenmin kunnen vaststellen.

Conclusie

Samengevat: de inhoud van het requisitoir schetst een beeld van feiten die zouden hebben plaatsgevonden, welk beeld in de tenlasteleggingen niet altijd niet is terug te vinden en in de gevallen waarin dat anders is, slechts in de twee genoemde gevallen in een bewezenverklaring uitmondt.

De rechtbank overweegt dat door de formulering van het requisitoir, bedoeld of onbedoeld, de indruk wordt gewekt dat de beschreven praktijk een algemene was. Dat alle vrouwen die in het Sneepdossier als slachtoffer worden genoemd, door het openbaar ministerie becijferd op 120, aan al deze gruwelijkheden blootgesteld zijn geweest. En ook dat alle verdachten zich hieraan hebben schuldig gemaakt, althans daarbij betrokken waren. Dat draagt bij aan een beeldvorming, ook in de media en maatschappij, die op gespannen voet staat met de feiten zoals die op basis van het dossier kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank wil niet de ernst van de wel bewijsbare feitelijkheden bagatelliseren of iets afdoen aan de ernst van mensenhandel. De rechtbank hecht er echter aan om het door de officier van justitie geschetste beeld te relativeren, in die zin dat een substantieel aantal van de in het requisitoir genoemde algemeenheden niet zijn tenlastegelegd en geen onderbouwing vinden in het dossier en dat een groot deel van de aan verdachten wel tenlastegelegde feiten niet bewezen kan worden.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde onder feit 3 is strafbaar gesteld bij de artikelen 273a (oud) en 273f juncto 47 Sr. Het bewezenverklaarde onder feit 4 is strafbaar gesteld bij artikel 140 Sr. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 3 het misdrijf: medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd.

feit 4 het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie die ondermeer het seksueel uitbuiten van vrouwen (mensenhandel) tot oogmerk had.

Mensenhandel

Verdachte heeft gedurende vier maanden, samen met medeverdachte [verdachte SB], twee vrouwen voor zich laten werken in de prostitutie. De vrouwen werden ingepalmd, er werden werkplekken geregeld in Nederland en Duitsland, hun bewegingsvrijheid werd beperkt en de vrouwen gaven hun geld af omdat ze dachten dat verdachte en [verdachte SB] dat voor hen zouden opsparen. Eén van de vrouwen is in het bijzijn van verdachte door [verdachte SB] geslagen, verdachte geldt daarbij als medepleger.

De criminele organisatie

De criminele organisatie bestond uit een samenwerkingsverband tussen verschillende mannen die als pooier optraden, in die zin dat zij vrouwen als prostituee lieten werken en hen dwongen of bewogen de verdiensten af te staan. De organisatie had bodyguards in dienst die onder meer tot taak hadden de prostituees te beschermen tegen lastige klanten en hen na hun werk te begeleiden naar een taxi. Medeverdachten [verdachte SB] en [verdachte NT] hadden een leidinggevende positie. Op de Wallen in Amsterdam en op het Zandpad in Utrecht speelde de criminele organisatie een belangrijke rol. Prostituees werden benaderd om voor leden van de organisatie in de prostitutie te gaan werken. Er werden ook vrouwen overgehaald die niet eerder als prostituee hadden gewerkt. In sommige gevallen begonnen de pooiers een liefdesrelatie met de vrouwen die zij vervolgens tot slachtoffer van hun mensenhandel maakten en/of werden de vrouwen (op die wijze) ingepalmd en afhankelijk gemaakt en op die manier bewogen om in de prostitutie te gaan werken en hun geld af te staan. In andere gevallen werden ze daartoe gedwongen door het toepassen van – soms grof – geweld, dan wel door dreiging daarmee. Voor de vrouwen werd veelal huisvesting en een werkplek geregeld. De meeste vrouwen maakten lange werkdagen, hadden weinig of geen vrije dagen en kregen weinig of geen gelegenheid om zelf sociale contacten te onderhouden of hun familie te bezoeken. Het door hen verdiende geld stonden ze af aan hun man/pooier. Er waren ook prostituees die niet al hun geld hoefden af te geven, maar wel beschermingsgeld aan de organisatie moesten betalen omdat zij zonder dat niet werden gedoogd.

De rol van verdachte in de organisatie

Verdachte maakte gedurende ongeveer een jaar deel uit van de organisatie. Hij vervulde daarin naar het oordeel van de rechtbank een relatief ondergeschikte rol.

8.2 Het referentiekader

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest. Deze eis wordt in algemene termen gemotiveerd met een verwijzing naar de ernst van het feit, de generale preventie en de mate van angst die verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een aantal slachtoffers nog steeds inboezem(t)(en). Benadrukt wordt dat er (strafverlichtend) geen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat een vrouw ontkent slachtoffer te zijn. De eis wordt ten aanzien van verdachte in het bijzonder, summier onderbouwd door een verwijzing naar de gevorderde veroordeling voor mensenhandel ter zake van vijf vrouwen gedurende twee jaar en deelneming aan een criminele organisatie.

In de inleiding van het requisitoir heeft de officier van justitie gewezen op de recente verhoging van het wettelijk strafmaximum en de inwerkingtreding van de Richtlijn voor strafvordering mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting van het College van procureurs-generaal op 1 september 2010 (Richtlijn strafvordering).

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert samengevat aan dat de door de officier van justitie genoemde omstandigheden zoals verkrachtingen, tatoeages, urineren over vrouwen, gedwongen abortussen en borstvergrotingen, niet op verdachte van toepassing zijn. Verdachte heeft geen geweld gebruikt en een marginale rol in deze zaak gespeeld. Verdachte heeft maar twee maanden gedetineerd gezeten, hij heeft intussen een eigen bedrijf opgezet en heeft werknemers in dienst. Hij heeft een gezin met een dochter, waarvoor hij moet zorgen. Gevangenisstraf acht de raadsvrouw niet meer gepast.

Oriëntatiepunten LOVS, uitspraken van andere colleges en de rapportages van de NRM

Het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS) heeft ten aanzien van mensenhandel geen oriëntatiepunten vastgesteld. De door andere colleges in mensenhandelzaken opgelegde straffen variëren van enkele maanden tot enkele jaren gevangenisstraf, vaak voor meer delicten dan alleen mensenhandel. Een eenduidige lijn is moeilijk vast te stellen. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de rapportages van de Nationaal rapporteur Mensenhandel (NRM).

De uitspraken van de rechtbank in Sneep I

De rechtbank te Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, heeft op 11 juli 2008 zes medeverdachten in de Sneep I zaken veroordeeld. In die vonnissen heeft de rechtbank een kader voor de strafoplegging bij mensenhandel geformuleerd. Uitgangspunt was een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van acht tot tien maanden per slachtoffer, welk strafminimum door de rechtbank is verhoogd indien er ten opzichte van een slachtoffer sprake was van ernstig geweld, verkrachting, gedwongen borstvergroting en abortus als wettelijke strafverzwaringsgrond. Ook werd rekening gehouden met de rol van de verdachten en de lengte van de bewezenverklaarde periode.

Voor deelname aan de criminele organisatie werd een gevangenisstraf van 12 maanden tot uitgangspunt genomen en voor de verdachten die daarbij een leidinggevende rol hebben vervuld een gevangenisstraf van 24 maanden.

De arresten van het hof in Sneep I

Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arresten van 20 december 2010, in de appelzaken van Sneep I, uitspraak gedaan. Het hof heeft zich niet uitgelaten over het door de rechtbank in Sneep I bepaalde kader en evenmin zelf een aanzet daartoe gedaan. Het hof lijkt een gemiddelde straf te hebben gehanteerd van één jaar per slachtoffer. De rechtbank interpreteert die arresten zo, dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met factoren als ernstig geweld, verkrachting, periode en rol van de verdachten. Van bewezenverklaring van gedwongen abortussen, borstvergrotingen en/of tatoeages is geen sprake geweest. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het hof, hoewel dit niet expliciet is overwogen, bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf ongeveer dezelfde maatstaf heeft gehanteerd als de rechtbank in Sneep I. Het Hof heeft bovendien, anders dan in eerste aanleg, om diverse redenen naast gevangenisstraffen ook geldboetes opgelegd.

Verhoging strafmaat en Richtlijn strafvordering

De officier van justitie heeft bij requisitoir opgemerkt dat het wettelijk strafmaximum is verhoogd. Die wetswijziging heeft plaatsgevonden per 1 juli 2009 en had tot gevolg dat het strafmaximum van een eventueel op te leggen gevangenisstraf van zes naar acht jaar is gegaan.

Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat met dat hogere strafmaximum rekening gehouden moet worden, overweegt de rechtbank dat daarvan, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Sr, geen sprake kan zijn omdat bedoeld hoger maximum per 1 juli 2009, dus na de bewezenverklaarde periode, van kracht is geworden.

Uit het requisitoir is niet duidelijk geworden of de officier van justitie meent dat de rechtbank met de Richtlijn strafvordering rekening moet houden. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank daarom op dat zij niet aan een dergelijke richtlijn gebonden is, terwijl deze op 1 september 2010 in werking getreden richtlijn, blijkens de inhoud ervan, niet geldt voor feiten begaan vóór 1 juli 2009.

8.3 Het kader in de Sneep II zaken

Op basis van de hiervoor opgesomde factoren stelt de rechtbank als volgt het kader vast waarbinnen zij de strafmaat zal bepalen in de Sneep II zaken).

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen andere dan vrijheidsstraf vereist. Dat is in lijn met het requisitoir. De officier van justitie heeft niet toegelicht of, en zo ja hoe, per feit de hoogte van de geëiste straf is bepaald. De strafeis lijkt echter aan te sluiten bij de door de rechtbank in Sneep I gehanteerde norm. De rechtbank zal die norm in de Sneep II zaken ook toepassen omdat uit een oogpunt van rechtsgelijkheid de verdachten in Sneep II niet zwaarder gestraft mogen worden dan de verdachten uit Sneep I en omdat de recente verhoging van het strafmaximum in deze zaak niet geldt.

Wel zal de rechtbank rekening houden met de veroordeling in hoger beroep van de Sneep I verdachten tot gevangenisstraffen én geldboetes. Omdat de rechtbank zoals gezegd alleen een vrijheidsstraf gepast vindt, zal geen geldboete worden opgelegd. Om de rechtsgelijkheid tussen de inmiddels in hoger beroep veroordeelde Sneep I verdachten en de Sneep II verdachten te bevorderen, kiest de rechtbank in de onderhavige zaken voor de bovenkant van de in Sneep I gehanteerde norm van acht á tien maanden. De vrijheidsstraffen vallen daardoor hoger uit dan in de Sneep I zaken in eerste aanleg en sluiten aan bij de straffen die door het hof in Sneep I zijn opgelegd.

Vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank voor de bewezenverklaarde mensenhandelzaken als uitgangspunt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tien maanden per slachtoffer zal hanteren. Dit strafminimum zal worden verhoogd indien er sprake was van geweld, ernstig geweld of verkrachting of wanneer het feit in vereniging werd gepleegd dan wel wanneer het ging om een in vergelijking met de overige zaken lange periode. Voor deelneming aan een criminele organisatie gaat de rechtbank uit van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van twaalf maanden, te verlagen als de rol van verdachte in vergelijking met die van anderen ondergeschikt was. Aan verdachten die leiding hebben gegeven aan de organisatie wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 24 maanden opgelegd.

8.4 De strafoplegging bij verdachte

Dit betekent voor verdachte het volgende.

Hij heeft zich samen met zijn medeverdachte gedurende ongeveer vier maanden schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van de vrouwen [betrokkene 8] en [betrokkene 25]. Door de medeverdachte is één keer geweld uitgeoefend tegen [betrokkene 25]. Verdachte was hierbij aanwezig, heeft niet ingegrepen en geldt als mededader.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf voor verdachte niet meer gepast is. De rechtbank is echter van oordeel dat, zoals hiervoor al uiteengezet en alles afwegende, een vrijheidsstraf passend is.

Voor deze mensenhandel ten aanzien van de twee vrouwen, in vereniging, waarbij geweld is toegepast, zal de rechtbank aan verdachte dan ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 24 maanden opleggen.

Daarnaast heeft verdachte gedurende ongeveer een jaar deel uitgemaakt van een criminele organisatie. Hij vervulde een relatief ondergeschikte rol. Hiervoor legt de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op van tien maanden.

Aan verdachte wordt daarom een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 34 maanden opgelegd.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 en 57 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 3: medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd;

feit 4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 34 (vierendertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.C. Geeve, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat, geordend per feit, de genummerde bewijsmiddelen.

Ter toelichting op een aantal bewijsmiddelen geldt, voor zover van toepassing, het volgende.

Algemeen bewijsmiddel

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier Sneep, proces-verbaal Z32084, 27-019999 van het Korps landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Proces-verbaal van verhoor door rechter-commissaris

Wanneer hierna wordt verwezen naar het proces-verbaal van de rechter-commissaris, betreft dit een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo.

Telefoontap

Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, gespreksnummer, ordnernummer/pagina. Indien het gesprek in een vreemde taal is gevoerd, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal.

Sms-bericht

Wanneer hierna wordt verwezen naar een sms-bericht, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een getapt sms-bericht waarvan de kenmerken worden vermeld – voorzover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, lijnnummer, volgnummer, ordnernummer/pagina. Indien het bericht in een vreemde taal is geschreven, wordt verwezen naar de schriftelijke weergave van de vertaling in de Nederlandse taal.

Foto

Wanneer in de bewijsmiddelen wordt gesproken over foto’s uit ordner 16 dan betreffen dit - tenzij anders wordt vermeld – in ordner 16 onder de noemer ‘verdachten-betrokkenen’ of ‘slachtoffers’ opgenomen foto’s. De ordner bevat verder twee ambtsedige processen-verbaal waarin wordt gerelateerd welke foto’s van welke ‘verdachten’ of ‘slachtoffers’ in de ordner zijn opgenomen. Ook wanneer in het voorbereidend onderzoek foto’s zijn getoond onder andere aanduidingen (bijvoorbeeld ‘de fotomap’) maar met een uit de context op te maken corresponderende nummering, gaat de rechtbank ervan uit dat gedoeld wordt op ordner 16.

In die gevallen waarin het bewijsmiddel zelf niet vermeldt wie volgens de in ordner 16 opgenomen processen-verbaal op de getoonde foto zijn afgebeeld, zal de rechtbank dit zelf doen. Zij brengt dit tot uitdrukking door toevoeging in het bewijsmiddel (achter het fotonummer) van de tekst: “de rechtbank stelt vast (…)”, gevolgd door de naam van de persoon die staat afgebeeld op de uit ordner 16 afkomstige foto. Die vaststelling door de rechtbank is gebaseerd op de inhoud van voornoemde ambtsedige processen-verbaal (16/80018004 voor de verdachten en 16/80638067 voor de slachtoffers).

Bewijsmiddelen feit 3 ([betrokkene 25] en betrokkene 8):

1.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 25] van 9 december 2006, pagina 17/8345 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

[betrokkene 8] en ik werkten in de prostitutie in Alkmaar. Vrienden van ons [verdachte SB] en [verdachte TK] vertelden ons dat we beter naar Amsterdam konden gaan. Vanaf het moment dat we daar werkten moesten we aan hen geld afdragen. [verdachte SB] regelde mijn geldzaken en [verdachte TK] die van [betrokkene 8]. We betaalden 500 á 600 euro per dag. Ook moesten we de kamerhuur van 130 euro betalen. Ik kreeg 50 euro voor mezelf van [verdachte SB]. In november werd ik door [verdachte SB] mishandeld. Hij vroeg me de oorbellen uit te doen en sloeg me toen in gezicht, ik klapte tegen de muur. [betrokkene 8] en [verdachte TK] waren er bij. Daarna sloeg hij nog een keer, ik klapte weer tegen de muur. Het deed pijn en ik werd draaierig en misselijk. Hij dacht dat ik zonder condoom had gewerkt. [verdachte TK] was er ook bij. Hij zat op een stoel. [verdachte SB] zei “Mocht ik nog zoiets horen dan maak ik je af”. Hij was buiten zichzelf en agressief. Ik ben bang van [verdachte SB] ik heb een vuurwapen bij hem gezien in de Porsche. [verdachte SB] heeft ook altijd een dolk bij zich en een tasje met geld.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 8] van 9 december 2006, pagina 17/8355 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik ben met mijn vriendin [betrokkene 25] in Alkmaar in de prostitutie gaan werken. In de zomer van 2006 ontmoetten we daar [verdachte TK]. Hij was een klant. Hij kwam steeds vaker. We belden steeds vaker. Ik begon hem leuk te vinden. Hij was heel aardig tegen mij. Als hij kwam was dat altijd met een grote groep. De baas was [verdachte SB]. Ik werd vriendin van [verdachte TK] en [betrokkene 25] van [verdachte SB]. De mannen namen ons overal mee naartoe. Ook verbleven wij in de duurste hotels met bubbelbad. In het begin betaalde de mannen alles voor ons. Wij gaven al het geld dat wij verdienden in de prostitutie aan [verdachte SB] en [verdachte TK]. Ik vertrouwde hen. We kregen € 50 per dag voor beltegoed en eten.

Op 7 november 2006 zijn wij met zijn vieren naar Den Haag gegaan. We moesten een stuk achter de mannen lopen. Als [verdachte SB] voor een raamprostitutiepand bleef staan, was dat voor ons een teken dat we daar moesten vragen of we daar aan het werk konden. Dat bleek de [adres] te zijn. Een aantal weken geleden werden we door [verdachte SB] en [verdachte TK] opgehaald. We gingen naar het Ibishotel in Den Haag. [verdachte SB] zei tegen [betrokkene 25] dat ze haar oorbellen moest uitdoen.

Ik zag dat [verdachte SB] [betrokkene 25] plotseling opzettelijk en met kracht heel hard met zijn vlakke hand in het gezicht sloeg. Deze klap was zo hard dat ze met haar hoofd tegen de muur terechtkwam. Ik zag dat [betrokkene 25] direct begon te huilen en in een soort shock terechtkwam. Hierna zag ik dat [verdachte SB] [betrokkene 25] nogmaals opzettelijk en met kracht in haar gezicht sloeg met zijn vlakke hand. Ik schrok hier heel erg van. Ik zag dat [betrokkene 25] naar aanleiding van deze mishandeling een blauwe plek aan de zijkant van haar hoofd kreeg. Ook zag ik dat een gedeelte van het wit van haar oog rood was geworden. De volgende dag was de handafdruk van [verdachte SB] nog steeds te zien in het gezicht van [betrokkene 25]. Tijdens de mishandeling was [verdachte TK] ook aanwezig. Hij deed net alsof hij het niet zag. Hij keek een beetje naar beneden. Hierna ben ik samen met [verdachte TK] naar beneden gegaan en heeft hij met mijn geld het hotel betaald. [verdachte SB] en [betrokkene 25] gingen naar buiten. Dezelfde nacht heb ik aan [betrokkene 25] voorgesteld om te gaan vluchten [betrokkene 25] wilde dit heel graag aangezien [betrokkene 25] en ik bang waren geworden van [verdachte SB]. Wij wilden vanaf dat moment niets meer met hen te maken hebben.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 8] van 18 maart 2007, pagina 17/8362 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

We hebben ook nog kort in Duitsland gewerkt. [verdachte TK] bracht ons erheen. We wilden daar niet werken omdat we naakt moesten werken en moesten pijpen zonder condoom. Ik heb [verdachte TK] gebeld en gezegd dat we daar niet wilden werken, dat hij ons moest komen halen. [verdachte SB] kwam daar een keer langs. Hij heeft toen ons geld meegenomen. We verdienden daar niet zo goed. Het was 200 euro. [verdachte SB] zei dat het niet eens genoeg was voor de benzine. Totaal zijn ze twee keer langs geweest. Na Duitsland gingen we naar Den Haag. Dat was in de [adres].

4.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige. [betrokkene 8] van 18 mei 2007, pagina 17/8392 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

We moesten altijd alles melden wat we deden. We mochten niet uitgaan en moesten doen of we [verdachte SB] en [verdachte TK] niet kenden. Ik mocht alleen met [betrokkene 25] stappen. Als we naar het restaurant naast de Galabar gingen moesten we tot in detail doorgeven met wie we spraken of wie er tegen ons lachten. En we moesten tot op de minuut aangeven wanneer we het restaurant weer verlieten.

5.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 8] van 4 juli 2007, zakelijk weergegeven:

[verdachte TK] stelde mij voor om ’s nachts te werken. Hij heeft me wel eens gebeld om 6 uur om te vragen of ik op werk was. Ik heb een wapen bij [verdachte SB] thuis gezien, een pistool. Het lag in een lade. [verdachte TK] had altijd een mes bij zich. Volgens hem heeft iedere Turk dat.

6.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 8] van 3 en 18 april 2008, zakelijk weergegeven:

(3-4)

In het begin was ik verliefd op [verdachte TK]. Hij was lief voor mij. Die andere, zijn baas [verdachte SB], stookte hem op. Ik werkte voor [verdachte TK] maar was vooral bang voor [verdachte SB]. [verdachte TK] zei tegen me over de telefoon “ik zal je mijn baas geven”. Die schold dat ik 1500 euro moest verdienen en anders uit Nederland moest vertrekken. [verdachte SB] en [verdachte TK] regelden dan onze werkplek. Met ons bedoel ik [betrokkene 25] en ik. We zaten eerst in Alkmaar. Uiteindelijk kregen we een werkplek in de [adres] in den Haag.

(18-4)

We werden gebracht en gehaald van werk. [betrokkene 25] en ik werden vaak gebeld rond 17.00/18.00 uur. We stonden dan klaar en werden opgehaald. [verdachte SB] en [verdachte TK] stonden na het werk buiten voor de vitrines te wachten. We gingen ons dan omkleden en naar hen toe. We gingen daarna naar het restaurant en daarna naar het hotel. We woonden in het Ibishotel. We hebben elke dag gewerkt. Ik verdiende tussen de 500 en de 700 euro. Ik gaf alles aan [verdachte TK]. De man op foto 34 is [verdachte TK] (de rechtbank stelt vast: [verdachte TK]). De vrouw op foto 59 is [betrokkene 25] (de rechtbank stelt vast: [betrokkene 25]). De vrouw op foto 58 ben ik (de rechtbank stelt vast: [betrokkene 8]). [verdachte TK] zei dat ik een meisje was dat dure kleding, goud, een eigen woning en auto verdiende. Ik geloofde hem. Toen [verdachte SB] en [verdachte TK] die dure hotels en eten betaalden wist ik wel dat we dat moesten terugbetalen. Dat was voordat we voor hen in de prostitutie gingen werken.

Ik ben met [verdachte SB] en [verdachte TK] en [betrokkene 25] naar België gegaan, [verdachte SB] bleef daar en wij zijn verder gegaan naar Duitsland. Ik ben steeds in het gezelschap geweest van [verdachte TK] en [betrokkene 25]. Volgens mij heeft de broer van [verdachte TK] ons, [betrokkene 25] en mij, vanuit Duitsland naar Nederland gebracht. In Duitsland hebben [betrokkene 25] en ik gewerkt. [verdachte TK] heeft gebeld met zijn broer. Hij kon ons helpen omdat hij in de buurt woonde en hij heeft ons naar Nederland gebracht.

7.

Een tapgesprek tussen [S] [verdachte SB], (stemherkenning) en (T) [verdachte TK] (stemherkenning) op 31 oktober 2006 om 15.07.42 uur, pagina 46B/21465:

S.: Wat ben je aan het doen?

T.: Ga de meisjes ophalen en laat ze wat eten.

S.: Doe maar langzaam…haal jij de meisjes maar op en laat ze wat eten. Daarna kun je mij

ophalen.

8.

Een tapgesprek tussen (S) [verdachte SB], (stemherkenning) en (T) [verdachte TK] (stemherkenning)

op 1 november 2006 om 18.41.48 uur, pagina 46B/21485 e.v.:

T: Daar kan het niet.

S: Waarom?

T: Zij hebben een verblijfsvergunning nodig voor Duitsland.

S: Wat is dat?

T: Stempel voor Duitsland dat je hier kunt blijven. Zij stellen daar een voorwaarde. Nu is daar ook geen bevoegde aanwezig.

S: Wat gaan we doen broeder.

T: Wat zijn wij pechvogels.

S: Maak dan voor morgen reserverings als het aanwezig is.

T: Als het niet lukt zal ik vandaag naar boven komen, dan zal ik hun ergens plaatsen. En daarna morgen.

S: Precies zo…dan ga je daarheen, je zult dan direct de huur geven. Zij kunnen dan morgen naar de politie toe en kunnen dan direct werken.

9.

Een tapgesprek tussen (S) [verdachte SB] (stemherkenning) en (T) [verdachte TK] (stemherkenning) op 1 november 2006 om 20.06.59 uur, pagina 46B/21487 e.v.:

S: zeg tegen de meisjes dat ze het geld moeten sparen. Ze moeten het niet her en der uitgeven..zeg het. Kijk ze moeten niet met anderen gaan neuken, we zullen ervoor zorgen dat ze dan uitgespeeld zijn.

T: ik heb het precies op die wijze gezegd.

(…)

S: Zeg het tegen hun alle twee. Ze mogen niet met anderen uitgaan. (…) ze moeten het geld sparen. Is dat goed. (…) met een paar dagen neem ik het geld…morgen uiterlijk overmorgen zullen we het geld uit hun handen nemen.

T: oke.

10.

Een tapgesprek tussen (S) [verdachte SB] (stemherkenning) en (T) [verdachte TK] (stemherkenning) op 1 november 2006 om 22.27.13 uur, pagina 46B/21489:

T: ik heb ze achtergelaten (…) ik heb het gezegd (…) ze zeggen akkoord.

S: Ze zeggen akkoord. Had gezegd van geld goed sparen.

T: Ze zullen sparen…Ze waren wat terughoudend omdat ze naakt moesten werken.

(…)

T: ik heb gezegd “je bent niet alleen hier, iedereen doet hetzelfde” heb ik gezegd.

S: ja.

T: ik zal jullie niet weer terugbrengen, anders koop je hier een ticket en kun je vertrekken. (…) daarna zei ze laat mij naar Den Haag gaan. Ik zei niet vandaag.

11.

Een tapgesprek tussen (S) [verdachte SB], (stemherkenning) en (St) [betrokkene 36] (stemherkenning) op 6 november 2006 om 23.42.05 uur, pagina 46B/21501:

S: Heb je wat te schrijven (…) je moet voor me die … bellen en een avondkamer vragen voor je vriendin zeg je.

St: Oke (…) nummer?

S: [betrokkene 25] heet ze he.

St: hoe?

S: (spelt) [betrokkene 25]

S: die komt van [betrokkene 103]

12.

Een tapgesprek tussen (S) [verdachte SB], (stemherkenning) en [betrokkene 73] (stemherkenning) op 6 november 2006 om 23.55.23 uur, pagina 46B/21502:

S.: Ik ben in Den Haag. We hebben net de kamers voor de meisjes geregeld. Kom hierheen.

U: Oké, ik kom.

13.

Een tapgesprek tussen (S) [verdachte SB], (stemherkenning) en (K) [betrokkene 101] (naam genoemd) op

7 november 2006 om 21.54.35 uur, pagina 46B/21504A e.v.:

S: is er een hotel die je weet in Den Haag (…) we gaan onze meisjes daar plaatsen weet je…twee meisjes. Het hoeft niet luxe te zijn.

(…)

K: Ja Ibis is Oké (…) en er is ook een restaurant bij waar je tot 7 uur in de ochtend kunt eten. een benzinestation waar je sigaretten etc. kunt kopen.

S: Ze mogen niet teveel geld uitgeven. Wat doe jij nou.. Dit is er en dat is er.. Er moet niets aanwezig zijn.

Bewijsmiddelen feit 4 (deelneming aan een criminele organisatie)

1.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte SB] (stemherkenning) op 23 januari 2006 om 23.40 uur, pagina 47A/35489E:

U = [verdachte UT] en S = [verdachte SB]

U: Nee nee.. ik zal zeggen Abi je weet dat [verdachte SB] abi onze hoofd is. Welnu.. zoals je weet vormen wij een gemeenschap (…) Ik kan niet iets doen zonder het medeweten van de gemeenschap…

S: Hé luister even..wij vormen een gesloten gemeenschap! Begrijp je.. Wij zijn op ons zelf.. wij zijn een gemeenschap!

(…)

S: ‘Jij wil de gemeenschap in, maar heb je met [verdachte SB] gesproken dan?’, moet je zeggen.

U: Exact.

S: ‘[verdachte SB] abi laat zelfs zijn familie of beste vrienden van daar niet toe in de gemeenschap hier’ moet je zeggen.’Hij zegt nee..’ moet je zeggen, begrijp je?

2.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte HB] (stemherkenning) van 27 februari 2006 om 13.49 uur, 48/35716A:

[verdachte UT] = U en [verdachte HB] = H.

H: Luister mijn meisje heeft de kamer [terug] gegeven, weet je.

U: Ja.

H: Jij moet tegen [betrokkene 36] zeggen, zij wilde die kamer toch.

U: Ja.

H: Dat het niet naar een vreemde gaat, weet je.

U: Ja, ik begrijp het.

H: Kamer. .[niet te verstaan]... weet je.

U: Ja.. wat is er nu met jouw meisje, komt ze niet?

H: Vandaag heeft ze haar kamer afgegeven, laat d’r maar.. [niet te verstaan].. oke dan.

U: heumm.

H: Ik ben al erbij ingeschoten.

U: Maak je daar niet druk om.

H: Nee, ik mij daar ook niet druk om. Je moet het vandaag zeggen, ze heeft vandaag haar kamer terug gegeven weet je.

U: Oke, ik zal het zeggen Reis! (baas, patroon).

3.

Een tapgesprek tussen [verdachte MY] (stemherkenning) en [verdachte UT] (stemherkenning) op 5 september 2006 om 14.01 uur, pagina 50A/37003E:

K: (…) En de Reis (= baas, kapitein, leider) van onze groep is [verdachte SB].. kijk hij is 10 jaar jonger dan ik maar ik noem hem Reis.. wat die man ook zegt tegen mij... als hij zegt sla dan sla ik, als hij zegt dood, dan dood ik… als hij zegt ga, dan ga ik, als hij zegt schijt, dan schijt ik! Zo is het… anders loopt dit werk niet.

4.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] (stemherkenning) en [verdachte SB] (stemherkenning) op 22 september 2006 om 17.15 uur, pagina 47/35311A-C:

[verdachte SB] = S en [verdachte UT] = U

S: Luister het is niet makkelijk om een rang te hebben emmi (oom).

U: Ja.

S: Jij bent de hoogste in rang daar.

U: Is zo.

S: Ja het is niet makkelijk.

U: Na jou kom ik. [verdachteHB] abi is vertrokken.

S: Dan moet jij het kunnen verdragen, het is niet makkelijk, dat weet je.

5.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (wordt gezegd) en [verdachte ZO] alias [V] (wordt gezegd) van 19 oktober 2006 om 23.53 uur, pagina 47A/35492A en 35492B:

[verdachte UT] = U en [verdachte ZO] = Z

Z: Hallo.

U: Hallo wat ben je aan het doen.

Z: Wat moet ik doen. Ik zit te wachten op een kogelvrije vest.

U: Wat?

Z: Vest, vest.

U: Luister er is een (1) vest, we zullen voor jullie beiden een vest laten brengen. Maar de vesten zijn heel erg duur, ouwe.

Z: Hou dan 100 pegels in elke keer van ons rekening in.

U: Luister even de vesten kosten 700 pegels.

Z: Oke dan je hoeft mijn week geld niet te betalen deze week.

U: Een moment. [verdachte ZO].. luister even naar mij… er is geen sprake niet geven.

Z: Mijn excuses.

U: Zijn wij zo slecht dat we geen geld geven.

Z: Mijn excuses.

U: Luister goed naar mij.. deze vesten kosten 700 pegels.. je hebt vesten voor 500 pegels, voor 350 pegels.. maar die zijn slecht.

Z: het moet stevig zijn.

U: Wij.. er wordt ook ijzer er tussen in gezet waar geen mes doorheen kan, daarom zijn deze 200 – 300 pegels duurder vanwege dat het niet doorsteekbaar is met een mes.. begrijp je het.

Z: Akkoord.

U: Luister daarom is het zo dat wij de helft als bedrijf op ons nemen en de helft zullen jullie bij moeten dragen.

Z: De helft jullie.

U: Ja. Voor jullie is het dan 350.

Z: Akkoord.

U: Wij zullen dan elke week 50 pegels inhouden op jullie weekgeld.

Z: Akkoord mijn broeder. Wanneer krijgen we de jassen?

U: Is dat akkoord?

Z: Akkoord. Akkoord. Jouw wil is mijn bevel!

(…)

Z: (…). Wanneer krijgen we de vesten.

U: De vesten aanstaande maandag en vermoedelijk is al eentje aanwezig, we zullen laten brengen.

Z: Als hier een is geef die aan mij direkt…. de andere…

U: We zullen zien, ik zal jou terugbellen. Tot ziens.

6.

Een tapgesprek tussen [verdachte SB] (stemherkenning) en [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) van 19 oktober 2006 om 23.55 uur, pagina 47A/35493:

[verdachte UT] vertelt wat hij gedaan heeft en zegt dat hij elke dag [verdachte ZO] en de zijnen belt om te vragen of alles goed gaat, en dat [verdachte ZO] gevraagd heeft wanneer hun vesten zullen komen. [verdachte UT] heeft verteld dat er vesten zijn die niet met een mes doorstoken kunnen worden en ook kogelwerend zijn dat die 700 kosten en dat er ook goedkope zijn voor 400, 500 maar dat die slecht zijn.

Gesprek gedeeltelijk woordelijk uitgewerkt waarbij U = [verdachte UT] en S = [verdachte SB] is.

U: De helft gaan wij als bedrijf dragen en de helft moeten jullie betalen en wij zullen per week 50 inhouden op jullie weekloon.

S: 50 kan niet emmi (oom), het moet 100 zijn per keer.

U: Of je 100 of 50 doet, ik weet het niet Reis.

S: Anders komt er geen einde aan.

U: Is dat akkoord.

S: Ja.

7.

Een tapgesprek tussen [verdachte NT] alias [M] (stemherkenning) en[verdachte SB] (stemherkenning) op 8 januari 2007 om 15.43 uur, pag. 49A/36588A t/m 36588C:

M: Heumm, zijn de jongens vrij gekomen?

S: Nee, ze hebben drie dagen gekregen.

M: Drie dagen gegeven?

S: Ja drie dagen verlengd.

M: Potverdikkemie die klootzakken.

S: Die zij geslagen hebben was een Nederlander.

(…)

M: Ik heb jou gebeld en je werd niet wakker en daarna heb ik [verdachte UT] gebeld met zo van hebben jullie een advocaat gestuurd.

S: Natuurlijk sturen we een advocaat.

M: Jaa.

S: Je weet het dat is het eerste wat wij doen, vroeg in de ochtend, de advocaat sturen.

(…)

S: Je weet het, we moeten wel… dat de jongens vrijkomen.

M: Wie zitten er vast, [verdachte ZO] zit vast.

S: [verdachte ZO] zit vast, [verdachte BK]t zit vast.

M: [niet te verstaan] zit vast.

S: Wat?

M: De broer van [betrokkene 93] zit vast en verder?

S: Ik weet van hun twee... verder weet ik niet.

M: Ik heb van drie personen gehoord, zoek even uit of er een derde is.

S: Als ik de advocaat kan bereiken zal ik het vragen. Ik weet van twee.

8.

Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 14] van 29 oktober 2007, pagina 46A/21411 t/m 21419, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

U toont mij een fotoserie bestaande uit 58 foto's van mannen en u vraagt mij of ik mannen herken.

Foto 02.

De man afgebeeld op foto 02 is de mij bekende [verdachte SB]. Hij is de grote man. Als [verdachte SB] tegen anderen zegt spring uit het raam, dan springen ze uit het raam. Ik weet dat hij diverse vrouwen voor zich had/heeft werken. Naast de vrouwen in de prostitutie laten werken zou hij zich bezig houden met wapenhandel. Toen ik bij [betrokkene 57]

woonde bracht hij met [verdachte TK] een wapen naar de woning van [betrokkene 57] om die daar op te bergen. Dat was een pistool en dat heb ik zelf gezien.

Opmerking verbalisant: De man afgebeeld op foto 02 betreft [verdachte SB].

Foto 03.

Dat is de mij bekende [verdachte BI]. Hij was ook zo'n grote baas als [verdachte SB] en heeft verschillende vrouwen voor zich werken in de prostitutie. Hij maakt deel uit van de groep. Daarmee bedoel ik de criminele groep die bij [verdachte SB] hoort.

Opmerking verbalisant: De man afgebeeld op foto 03 betreft [verdachte BI].

9.

Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 4] van 19 november 2007, pagina 46O/26166 t/m 26170, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

U toont mij een fotoboek, bestaande uit een serie van 58 foto's van mannen. Ik kan daar het volgende over verklaren.

Foto 02.

De man afgebeeld op foto 02 is [verdachte SB], de man waar ik een relatie mee heb gehad. [verdachte SB] was pooier, handelaar van diverse vrouwen. Hij was de grote baas. Ik weet dat [betrokkene 36] een vrouw van hem was, [betrokkene 9] was een vrouw van hem, ik dus en dan was er nog een Poolse vrouw. Daarnaast dienden alle mensen die vrouwen hadden werken, die met of naast hem werkten, geld af te dragen aan [verdachte SB]. Dat heeft hij altijd gezegd. [verdachte SB] handelde naast in mensen ook nog in wapens.

Opmerking verbalisanten: De man afgebeeld op foto 02 betreft [verdachte SB].

Foto 03.

De man afgebeeld op foto 03 is mij bekend als [verdachte BI] Hij was een pooier, een mensenhandelaar. Hij was de pooier van 3 meisjes, 2 daarvan ken ik met voornaam, [betrokkene 16] en [betrokkene 34]. Voor [verdachte SB] reed [BI] rond op het Zandpad om voor [verdachte SB] werkende vrouwen in de gaten te houden.

Opmerking verbalisanten: De man afgebeeld op foto 03 betreft [verdachte BI].

Foto 31.

De man afgebeeld op foto 31 is mij bekend als [verdachte HB], de broer van [verdachte SB]. Hij is pooier. Hij had twee vrouwen, te weten [betrokkene 58] en [betrokkene 18]. Hij was de pooier van deze twee vrouwen.

Opmerking verbalisanten: De man afgebeeld op foto 31 betreft [verdachte HB].

Foto 32.

De man afgebeeld op foto 32 is mij bekend als [verdachte UT]. Hij had een meisje voor zich werken met de naam [betrokkene 20]. Hij beschermde mij op het Zandpad.

Opmerking verbalisanten: De man afgebeeld op foto 32 betreft [verdachte UT].

10.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 94] van 21 februari 2004, pagina 46A/21396 t/m 21401, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Sinds een maand of twee werk ik als boodschappenjongen voor een groep pooiers op de Wallen in Amsterdam. Het zijn allemaal Turkse mannen en ik ken alleen hun voornaam. Ze zijn genaamd [verdachte SB], [verdachte HB], [verdachte NT], [verdachte UT] (…). [verdachte SB] en [verdachte HB] zijn broer van elkaar. Ze komen allemaal uit Duitsland en kennen elkaar al heel lang. Die groep heeft meisjes voor zich werken. [verdachte SB] en [verdachte HB] zijn de leiders van de groep. Ik weet dat ze ook met wapens bezig zijn. Ik heb bij [verdachte SB] een vuurwapen gezien, omdat [verdachte SB] mij daarmee heeft bedreigd. Hij liet mij dat wapen zien en zei dat ik voor hem moest blijven werken. [verdachte SB] regelt wapens, (…) en meisjes. Ik denk dat de groep minimaal 10 meisjes hier heeft werken. Dan hebben ze ook nog meisjes in Den Haag.

Ik zal vertellen wat ik moet doen van [verdachte SB]. Als een meisje problemen heeft met een klant krijg ik een telefoontje van [verdachte SB]. Ik moet van [verdachte SB] daar dan naar toe. Ik moet van [verdachte SB] dan de klant in elkaar slaan. Ik heb gezien dat [verdachte SB], [verdachte NT] en [verdachte UT] mensen in elkaar slaan als ze foto’s nemen van de meisjes. Ik weet dat [verdachte SB], [verdachte NT] en [verdachte UT] een paar weken geleden met een paar Marokkanen gevochten hebben. Iedereen in de buurt is bang van de groep. Ik weet dat pooiers van andere meisjes uit de buurt die niet van de groep zijn protectiegeld betalen aan [verdachte SB].

De vrouwen en wapens halen ze in Duitsland. Ik ben daar één keer bij geweest. Ik bedoel met wapens van die kleine wapens die je bij je kunt dragen.

De groep ragt hier de boel af. Iedereen bedreigen en de boel in elkaar slaan, mensen bang maken. Ik ben zeer bang voor [verdachte SB] en [verdachte HB] en die vrienden van hun. Als ze weten dat ik tegen hen aangifte wil doen, dan maken zij mij af. [verdachte NT] en [verdachte SB] hebben gezien dat ik naar het politiebureau werd gebracht. Ze zeiden allebei in de Turkse taal dat ik niets moest zeggen, anders was ik de lul.

Ik ben aangehouden omdat ik een hoertje bedreigd zou hebben. Ik ben wel naar dat meisje toegegaan. Dat gebeurde in opdracht van [verdachte SB]. Ik moest tegen haar zeggen dat zij al haar geld aan [verdachte SB] en [verdachte HB] moest geven. Ik moest haar gaan bedreigen. [verdachte SB] zei tegen mij dat als zij moeilijk ging doen ik dan maar wat klappen moest geven.

Ik heb 2 maanden lang elke avond gewerkt voor [verdachte SB]. Ik moest werken van hem. Ik kon geen avond vrij krijgen.

Ik ben ervan overtuigd dat alle door mij genoemde meisjes tegen hun wil werken voor [verdachte SB], [verdachte HB], [verdachte UT], (…) en [verdachte NT]. Ik weet van alle meisjes dat zij hun verdiende geld moeten afstaan.

11.

Het proces-verbaal van bevindingen van [betrokkene 59] van 8 januari 2007, pagina 49/36152 en 36153, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

“Ik [betrokkene 59] (15214), brigadier van politie, dienstdoende bij Wijkteam Beursstraat, verklaar het volgende:

Naar aanleiding van een openlijke geweldpleging welke is gepleegd op maandag 8 januari 2007 omstreeks 01:51 uur op de openbare weg de Oudezijds Voorburgwal/Oudekennissteeg verklaar ik het volgende.

Het personeel van de afdeling cameratoezicht heeft hiervan tijdens hun dienst waarnemingen gedaan. Ik verbalisant heb de camerabeelden uitgekeken. Te zien op deze beelden is een zeer ernstige openlijke geweldpleging/ poging doodslag.

- maandag 8 januari 2007 te 01:51 uur:

Ik zag dat de verdachte [verdachte BK] een onbekend gebleven man vasthield aan de achterzijde van zijn lichaam. Ik zag dat [verdachte ZO] voor het slachtoffer stond en tot twee maal direct achter elkaar met zijn linkerarm een felle krachtige slaande beweging maakt naar het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer in een reflex kennelijk uit zelfbescherming [verdachte ZO] raakte in zijn gezicht. Vervolgens zag ik dat [verdachte ZO] met grote kracht zijn rechterhand naar achteren bracht een uithaalde naar de borst van het slachtoffer en hem raakte. Ik zag dat [verdachte BK] het slachtoffer naar achteren trok met de bedoeling hem op de grond te krijgen. Door deze combinatie van het trekken van [verdachte BK] en het slaan van [verdachte ZO] kwam het slachtoffer ten val op de grond. Ik zag dat een omstander [verdachte ZO] vastpakte bij zijn arm om hem kennelijk te doen stoppen met geweldplegingen. Echter [verdachte ZO] trok zich hier niets van aan. Ik zag dat het slachtoffer nog steeds op de grond lag. Ik zag dat [verdachte ZO] met zijn rechterbeen grote kracht schopte tegen de benen van het slachtoffer. Het slachtoffer kon niets doen en lag hulpeloos op de grond. Ik zag dat twee onbekend gebleven andere mannen, welke niet zijn aangehouden ook beiden een trappende beweging maakten naar het lichaam van het slachtoffer. Ik zag dat [verdachte BK] met zijn been intrapte op het slachtoffer dat op de grond lag. Ik zag dat [verdachte ZO] bukte bij het slachtoffer en met zijn rechterhand insloeg op het lichaam van het slachtoffer. Ik zag dat een omstander [verdachte ZO] wilde tegenhouden van zijn geweldplegingen. Ik zag dat [verdachte ZO] dit niet duldde. Ik zag dat [verdachte ZO] de omstander wegduwde en doorging met zijn geweld. Ik zag dat [verdachte BK] bukte en twee keer insloeg op het slachtoffer. Tegelijkertijd zag ik dat [verdachte ZO] vervolgens tenminste twee keer met grote kracht als ware hij aan het voetballen, intrapte op het slachtoffer. Vervolgens zag ik dat [verdachte BK] vier keer intrapte op het slachtoffer in de richting van zijn hoofd en hem ook daarbij raakte.

Verdachte

Naam : [verdachte ZO] (man)

Voornamen : [Z]

Geboren te : [plaats]

Geboren op : 1970

Geboorteland : [land]

(…)

Verdachte

Naam : [verdachte BK] (man)

Voornamen : [B]

Geboren te : [plaats]

Geboren op : 1983

Geboorteland : [land]

12.

De kennisgeving van inbeslagneming van [betrokkene 60], inspecteur van politie, van 7 februari 2007, pagina 47A/4195 en 4196, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In beslag genomen onder [verdachte CO], [adres] te [plaats]:

Omschrijving goederen

- 12 patronen .32 S&W met vol loden punt

- een kluis met daarin een revolver Arminus model HW5, cal 32 S.u.W serienummer 115332 en 7 patronen .32 SeW 03

13 t/m 16.

Vervallen

17.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte ZO] (stemherkenning) van 29 oktober 2006 om 20.28 uur, pagina 48A/35908A:

[verdachte ZO] = Z en [verdachte UT] = U.

Z: Hallo.

U: Ja.

Z: [verdachte UT] neem mij niet kwalijk dat ik je lastig val... ik heb veel pijn in mijn voeten.

U: Wat is er aan de hand?

Z: Ik heb tot half negen gewacht broeder wat moet ik doen.

U: Heumm.

Z: Tot half negen.

U: Nee toch! Op wie heb je als laatste gewacht?

Z: Op wie ik heb zitten wachten [betrokkene 29], [betrokkene 61] en het meisje van [verdachte MY][betrokkene 62]. Ik ben pas om half negen gekomen en de zwellingen van mijn voeten zijn nog steeds niet afgenomen.

U: Wie is [betrokkene 62], meisje van [verdachte MY]?

Z: Die van [verdachte MY] toch, [betrokkene 62] [niet te verstaan].

U: Ja.

Z: Ze zijn om half negen naar huis gegaan... [verdachte CO] was net wakker geworden, hij is ze komen halen. Ik heb nog niet geslapen. Ik lig als een blok.

U: Wat moeten we doen?

Z: Ik heb griep. Gisteren aan [verdachte CO] het laten zien. Ik heb gezegd van [verdachte CO] kijk zie je hoe mijn haren staan van de kou.. Je hoort mijn stem broeder heb ik gezegd. . ik heb niet eens 1 dag...[niet te verstaan].. Waarom laat je ze tot half negen hier mijn broeder heb ik gezegd.. Ja oke knijp je ogen een keer dicht zegt hij ([verdachte CO]).. Hoe? Op welke wijze moet ik het volhouden heb ik gezegd?

U: Heumm.

Z: “[betrokkene 36] wegbrengen, [betrokkene 9] wegbrengen, [betrokkene 20] wegbrengen, [betrokkene 126] wegbrengen, [betrokkene 62] wegbrengen.. mevrouw die van nummer 110 bij Casa Rossa naar de passage moet, die moet weggebracht worden.. Hoe moet ik dat redden broeder.. dan heb je toch geen voeten meer over, zelfs een beer zou er kapot aan gaan man.. Genade alsjeblieft! “.

U: Is goed, ik zal praten.

18.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte SB] (stemherkenning) van 29 oktober 2006 om 20.34 uur, pagina 48A/35909A:

[verdachte SB] = S en [verdachte UT] = U

U: Wat ik wilde zeggen is dat [verdachte ZO] gebeld heeft.

S: Ja,

U: Zijn stem klonk heel slecht, hij is ook ziek.

S: Ja.

Hij zei van broeder ik heb kou gevat. Hij zei tegen mij laat mij vandaag blijven, niet gaan.

S: Wat zei hij, blijven, niet naar het werk gaan zei hij?

U: Ja. Ik heb gezegd van dat ik het niet zou weten maar dat hij om 12 uur, 1 uur kan gaan beginnen.

S: Ja natuurlijk dat kan.

19.

Een tapgesprek tussen [verdachte SB] (stemherkenning) en [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) van 30 oktober 2006 om 23.38 uur, pagina 48A/35913 en 35914:

[verdachte UT] = U en [verdachte SB] = S.

U: Wat ik wilde vragen, de bodyguards werken die door de week van 7 tot 4 uur in de ochtend?

S: Zij hebben geen normale tijden.. niet meer..

U: Is het zo?

S: Wanneer de meisjes gaan dan gaat hij ook, je moet dat laten voor wat het is...

U: Ja.

(…)

U: [verdachte ZO]... euhmn hij zei dat zij wel tot 6 uur in de ochtend blijven, tot 7 uur blijven ze ook wel door de week. Ik heb gezegd van het kan niet [verdachte ZO]. Hij zweerde dat het zo was... ik zei nog tegen hem van verwissel niet de weekeinden. . . Hij zei toen nee en zei van zeg het tegen REIS... of hij op de hoogte is..

S: Nee ik ben niet op de hoogte.. dat ze doordeweeks zo lang blijven.

U: Hij zegt in de weekeinden ben ik tot 8 uur in de ochtend hier, in het weekeinde maakt het niet uit of ik hier om half negen hier ben.. hij vraagt of het door de week ook zo is.

S: Haa.

U: Ik heb [verdachte ZO] gevraagd of hij niet in de war is... of hij de waarheid zegt. Hij heeft gezworen.

S: Welk meisje blijft daar?

U: Ik weet het niet abi, ik zal dat te weten komen en jou terugbellen.

S: Vraag het aan hem en we betalen hem ook dienovereenkomstig meer geld.. het is niet als vroeger.

U: Ik heb gezegd van ik weet het niet, Reis heeft het zo gezegd toen hij in Turkije was, normaal is het door de week van 7 tot 4 en in de weekeinde. .8 uur half negen moet je daar zijn heb ik gezegd.

S: ... we betalen dienovereenkomstig ook meer geld.

U: Hoe moet ik het zeggen.. wat moet ik nu zeggen abi.

S: We betalen dienovereenkomstig ook meer geld maar je moet wel even te weten komen welk meisje daar blijft, we zijn daar nieuwsgierig naar.

U: Zal ik zeggen mijn broer vraagt welke meisjes, zeg het maar.

S: Hij moet blijven, het is zoals altijd, hij moet gaan als het laatste meisje vertrokken is.

20.

Een tapgesprek tussen [verdachte HB] en [verdachte NT] op 21 december 2005 om 20:01 uur, pagina 47/35038:

[verdachte NT] wordt gebeld door [verdachte HB] . [verdachte NT] zegt dat [verdachte HB] hem had moeten bellen. Gesprek over [verdachte ZO] die steeds maar weer om geld vraagt. [verdachte HB] zegt dat [verdachte NT] geen geld aan [verdachte ZO] moet geven; dat hij met [verdachte ZO] heeft gesproken en dat onze [betrokkene 63] (opm.: de lange) de enige is die geld aan hem moet geven. [verdachte HB] zegt: Ik heb met de meisjes gesproken en de meisjes zouden het zelf geven. [...] [verdachte NT] zegt: Behalve [betrokkene 119] (fonetisch) betaal ik toch 130, 130? Op z’n minst gaf ik elke week 250-300 Euro aan hem. [verdachte HB] zegt: [verdachte NT], je moet dat allemaal berekenen. [verdachte NT] zegt: Maakt niet uit [verdachte HB] abi. Dat heb ik zelf als zakgeld gegeven. Tot nu toe heb jij het gegeven en nu geven wij het. Om de zaken van de meisjes van onze [verdachte SB], van jou en die andere niet te vertragen, gaf ik (hem) 50 Euro.

21 t/m 34.

Vervallen

35.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 36] van 3 maart 2007, pagina 48A/36054 t/m 36057, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

V: Hoeveel is het bodyguard geld?

A: 100 euro, dat is een vaste prijs. Dit is wat de meisjes per week moeten betalen.

V: Moet jij dat geld elke week ontvangen?

A: Ik kijk of iedereen heeft betaald, anders is het niet eerlijk.

V: Komt dat geld bij jou?

A: Soms bij andere meisjes. Ik doe het graag. Ik ontferm me daar over, want die jongens moeten toch ook betaald worden.

V: Voor wie doe je het?

A: Voor de jongens. Zij zijn er ook als ik ze nodig ben.

V: Hoeveel meisjes betalen bodyguardgeld?

A: De laatste tijd ongeveer vier vijf meisjes inclusief mezelf. Het verschilt heel erg, meisjes komen en meisjes gaan.

36 t/m 40.

Vervallen

41.

Het proces-verbaal van bevindingen van [betrokkene 45] en [betrokkene 42] van 2 mei 2006, pagina 46E/22542 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

Op dinsdag 2 mei 2006 hadden wij, verbalisanten [betrokkene 42] en [betrokkene 45], een gesprek met:

[betrokkene 11], geboren op 1982 te [plaats].

[betrokkene 11] verklaart dat [betrokkene 5] (de rechtbank begrijpt: [betrokkende 5]) een vriendin was en werkte voor [M] (de rechtbank begrijpt: [verdachte NT] ). [betrokkene 5] heeft pasgeleden een maagbloeding opgelopen door een van de mishandelingen door [M]. Vlak hierna moest [betrokkene 5] alweer aan het werk in de prostitutie.

42.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 65] van 25 mei 2004, pagina 1/118 t/m 120, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik heb van augustus 2003 tot april 2004 als prostituee in Amsterdam gewerkt. Ik werkte daar naast twee meisjes die voor [verdachte SB] en [verdachte HB] werken. Deze meisjes ken ik als [S], ik noem haar [betrokkene 66], en [[betrokkene 36] (noot verbalisanten: hiermee worden bedoeld [betrokkene 66] en [betrokkene 36]).

[betrokkene 66][S] is de vriendin van [verdachte HB] . Zij wordt gedwongen tot prostitutie door [verdachte HB]. [verdachte HB] gebruikt veel geweld tegen haar. Ik heb regelmatig blauwe plekken op haar lichaam gezien. Ik heb ook vaak gehoord dat [verdachte HB] bij [betrokkene 66] in de kamer was. Ik hoorde dan ruzie, gegil van [betrokkene 66] en dat er kennelijk geweld tegen haar werd gebruikt. [betrokkene 66] vertelde mij ook dat [verdachte HB] haar sloeg. Ze vertelde mij dat ze klappen van hem kreeg als ze niet genoeg verdiende. Ze kreeg veel klappen. Ze ging niet bij hem weg. Dat wilde ze wel, maar ze vertelde tegen me dat ze bang was dat hij naar haar familie zou gaan. Die weten niet dat ze in de prostitutie werkt. Zij moet al haar verdiende geld afgeven aan [verdachte HB].

[betrokkene 36] is de vriendin van [verdachte SB] . Zij krijgt veel klappen van [verdachte SB]. Ze heeft heel vaak blauwe plekken. Dat heb ik vaak gezien. Ik heb haar zien werken met twee blauwe ogen. Ze vertelde me toen dat ze door [verdachte SB] in elkaar was geslagen omdat ze had aangepapt met een neger-pooier. [betrokkene 36] is doodsbang voor [verdachte SB]. [betrokkene 36] werkt elke week 4 dagen en gaat elke week naar Turkije om het geld aan [verdachte SB] te brengen.

Over [verdachte HB], [verdachte SB] [verdachte SB] en [verdachte NT] kan ik het volgende vertellen.

(…)

De loopjongens die voor [verdachte SB] en [verdachte NT] werken halen geen geld op voor ze. [verdachte HB], [verdachte SB] en [verdachte NT] ontvangen hun geld rechtstreeks uit handen van de meisjes. De loopjongens moeten boodschappen voor de meisjes doen en moeten klanten eruit werken als dat nodig is. De loopjongens krijgen 150 euro per week per te beschermen meisje.

Voor [verdachte NT] werkt in ieder geval een meisje genaamd [betrokkene 32] [verdachte SB] heeft naast [betrokkene 36] ook [betrokkene 9] voor zich werken en [verdachte HB] heeft naast [betrokkene 66] ook [betrokkene 67] voor zich werken.

43.

Het proces-verbaal van bevindingen van 12 augustus 2006, pagina 2/528 t/m 532, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten:

Op 12 augustus 2006 verscheen aan het bureau van politie de ons bekende [betrokkene 55](geboren op 1960 te [plaats] in [land]) en verklaarde het volgende.

[verdachte UT], [verdachte SB] en [verdachte NT] zouden zich regelmatig ophouden in Alkmaar en verblijven regelmatig in Vinkenveen. Eveneens zouden hier veel dames verblijven, alsmede andere pooiers. Wij, verbalisanten, weten dat indien [betrokkene 55] verklaart over [C] dat hiermee bedoeld wordt [verdachte UT], met [S] bedoeld wordt [verdachte SB] en met [M] bedoeld wordt [verdachte NT] .

[betrokkene 55] verklaarde dat [betrokkene 20], een meisje dat in een politie-uniform werkt, van [verdachte UT] is. [verdachte NT] heeft [betrokkene 119] en een Marokkaans meisje voor zich werken. [betrokkene 9], [betrokkene 36] en [betrokkene 83] zouden voor [verdachte SB] moeten werken. [verdachte HB] heeft ook meisjes voor zich werken.

44.

Vervallen

45.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 25] van 9 december 2006, pagina 17/8345 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

[betrokkene 8] en ik werkten in de prostitutie in Alkmaar in 2006. Vrienden van ons [S] ( de rechtbank begrijpt: [ [verdachte SB]) en [verdachte TK] vertelden ons dat we beter naar Amsterdam konden gaan. Vanaf het moment dat we daar werkten moesten we aan hen geld afdragen. [verdachte SB] regelde mijn geldzaken en [verdachte TK] die van [betrokkene 8]. We betaalden 500 á 600 euro per dag. Ook moesten we de kamerhuur van 130 euro betalen. Ik kreeg 50 euro voor mezelf van [verdachte SB]. In november werd ik door [verdachte SB] mishandeld. Hij vroeg me de oorbellen uit te doen en sloeg me toen in gezicht, ik klapte tegen de muur. [betrokkene 8] en [verdachte TK] waren er bij. Daarna sloeg hij nog een keer, ik klapte weer tegen de muur. Het deed pijn en ik werd draaierig en misselijk. Hij dacht dat ik zonder condoom had gewerkt. [verdachte TK] was er ook bij. Hij zat op een stoel. [verdachte SB] zei “Mocht ik nog zoiets horen dan maak ik je af”. Hij was buiten zichzelf en agressief. Ik ben bang van [verdachte SB] ik heb een vuurwapen bij hem gezien in de Porsche. [verdachte SB] heeft ook altijd een dolk bij zich en een tasje met geld.

46.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 8] van 9 december 2006, pagina 17/8355 e.v., voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik ben met mijn vriendin [betrokkene 25] in Alkmaar in de prostitutie gaan werken. In de zomer van 2006 ontmoetten we daar [verdachte TK] . Hij was een klant. Als hij kwam was dat altijd met een grote groep. De baas was [verdachte SB].

Een aantal weken geleden werden we door [verdachte SB] en [verdachte TK] opgehaald. We gingen naar het Ibishotel in Den Haag. [verdachte SB] zei tegen [betrokkene 25] dat ze haar oorbellen moest uitdoen. Ik zag dat [verdachte SB] [betrokkene 25] plotseling opzettelijk en met kracht heel hard met zijn vlakke hand in het gezicht sloeg. Deze klap was zo hard dat ze met haar hoofd tegen de muur terechtkwam. Ik zag dat [betrokkene 25] direct begon te huilen en in een soort shock terechtkwam. Hierna zag ik dat [verdachte SB] [betrokkene 25] nogmaals opzettelijk en met kracht in haar gezicht sloeg met zijn vlakke hand. Ik schrok hier heel erg van. Ik zag dat [betrokkene 25] naar aanleiding van deze mishandeling een blauwe plek aan de zijkant van haar hoofd kreeg. Ook zag ik dat een gedeelte van het wit van haar oog rood was geworden. De volgende dag was de handafdruk van [verdachte SB] nog steeds te zien in het gezicht van [betrokkene 25].

47.

Het proces-verbaal van verhoor van aangifte van [betrokkene 4] van 15 oktober 2007, pagina 46O/26128, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Ik heb gezien dat [verdachte SB] een vuurwapen opborg in een kast bij mij op de slaapkamer. Dat was toen mijn dochter al geboren was. Dat was medio november 2004. Ik heb wel eens gezien dat [verdachte SB], [verdachte UT] of [verdachte HB] een vuurwapen verstopten in het gat in de badkamer. Het gat in het plafond van de badkamer van mijn werkkamer op het Zandpad.

48 en 49.

Vervallen

50.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte TK](stemherkenning) van 24 januari 2006 om 00.59 uur, pagina 48A/35993A:

(…) [verdachte UT] vraagt aan [verdachte TK] om [verdachte MY] door te geven [verdachte UT] naar Alkmaar moest omdat er een klein incident aan de hand zou zijn en dat [verdachte TK] zelf een hotel voor [verdachte MY] zal regelen. [verdachte TK] moet verder aangeven [verdachte MY] en de zijnen vannacht moeten slapen en dat morgenochtend alles zal worden geregeld, [verdachte UT] geeft aan dat hij zelf ook nog even met [verdachte MY] zal bellen. [verdachte UT] vraagt om [verdachte MY] bij hotel Breukelen onder te brengen. [verdachte TK] zegt meteen te zullen bellen.

51.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte MY] (stemherkenning) van 24 januari 2006 om 01.00 uur, pagina 48A/35994A:

[verdachte UT] geeft aan dat hij nu onderweg is naar Alkmaar maar dat “hun [verdachte TK]” [verdachte MY] zal opvangen. [verdachte UT] zegt dat [verdachte TK] straks [verdachte MY] bij een hotel zal onderbrengen en dat zij dan morgenochtend alles zullen regelen.

U = [verdachte UT] alias [C] en K = [verdachte MY]

(…)

K: Is er iets aan de hand? Waar ga je naartoe. Anders kom ik ook als je dat wil.

U: Nee, nee, je hoeft niet te komen, er is een klein incidentje.. ik ga even daarheen.

K: Ik ben er al hoor.

U Nee, nee.. maak jij je maar geen zorgen abi.. oke abi.

K: Ik kan de meiden in het hotel achterlaten en komen.

U: Nee, nee abi, maar dank je wel.

K: Ik kom echt hoor!

U: Nee abi, dank je wel voor je steun.. Oke ik kom wat laat.

K: ..[niet te verstaan].. heb ik bij me. Mijn geweer heb ik bij me.

U: Dank je wel mijn beste abi.

K: Ik heb het meegebracht.

U: Dank je wel.. dank voor de steun. Maar het was niet nodig geweest abi, had niet gehoeven.

K: Hoezo ik heb mijn complete huis(raad) meegebracht joh.

U: Is goed.

K: Is goed.

[verdachte UT] zegt dat hij morgenochtend om half twaalf, doch uiterlijk twaalf uur bij [verdachte MY] zal zijn.

52.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte TK] (stemherkenning) van 24 januari 2006 om 01.06 uur, 48A/35995A:

[verdachte TK] geeft aan dat de kamer is gereserveerd. [verdachte UT] vraagt of er nog kamers vrijwaren in hotel Breukelen en wat de prijs was. [verdachte TK] zegt dat er kamers waren en de prijs 84 lira (lees: euro) exclusief ontbijt is.

U = [verdachte UT] alias [C] en T = [verdachte TK]

(…)

U: Maar.. maar het moet niet één kamer zijn… 2 of 3 kamers moet het zijn.

T: Met hoeveel personen komen zij?

U: [grinnikend] De flikker komt samen met 2 á 3 meisjes joh!

T: Dat meen je niet!

U: Jazeker! Maar er zullen daar nog wel kamers zijn waarschijnlijk.

T: Ja nee.. ze hebben aangegeven dat het er wel was, maar ik heb het zo gevraagd omdat het er één zou zijn [lacherig].

U: Ik begrijp het.. hoe moet ik het weten.. Hij zei tegen mij ‘Ik heb de meiden bij me en ik kom eraan’.. Ik had je trouwens toch gezegd.. ik had je toch gezegd [[verdachte TK] praat er doorheen].. ik had je toch gezegd dat [verdachte MY] zou vragen ‘[verdachte UT] als er iets is kom ik meteen..’.. Ik had gezegd ‘Abi ik heb werk te doen.. ik ga’, zegt hij meteen tegen mij ‘ Ik kom anders ook als je dat wil, ik ben ‘voorzien’ he!’ zei hij weet je..

53.

Een tapgesprek tussen [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte TK] (stemherkenning) van 24 januari 2006 om 01.41 uur, 48A/35996A:

U = [verdachte UT] alias [C] en T = [verdachte TK] .

U: Wat is er..heb je [ze] bij het hotel ondergebracht?

T: Natuurlijk [verdachte UT] man.

U: Echt waar? Met hoeveel personen zijn zij gekomen?

T: Twee meisjes.

54.

Een tapgesprek tussen ] [verdachte UT] alias [C] (stemherkenning) en [verdachte SB] (stemherkenning) van 8 maart 2006 om 17.12 uur, pagina 48A/35991 t/m 35991C:

[verdachte UT] vertelt dat hij [verdachte BI] gebeld heeft. [verdachte BI] heeft verteld dat [verdachte SB] tekeer is gegaan tegen hem (verdachte BI). (…) [verdachte SB] heeft ruzie gehad met [verdachte BI], omdat [verdachte BI] [verdachte TK] weg wil hebben. [verdachte SB] wil dat niet hebben.

[verdachte UT] = U en [verdachte SB] = S.

(…)

U: Ik heb gezegd (de rechtbank begrijpt: tegen [verdachte BI]) van mijn beste ik heb je ook heel vaak in bescherming genomen, dit en dat ik heb toen gezegd van je kunt [verdachte TK] niet wegsturen zonder [verdachte BI] gevraagd te hebben.. begrijp je?

S: Ja...

U: Ik heb gezegd van niets wordt hier gedaan zonder te vragen, dat je het weet heb ik gezegd.. toen zei hij, ‘Ik heb tegen [verdachte TK] gezegd van naar wie ben je geweest’. Hij zegt van ik ben naar [verdachte UT] gegaan. Waarom naar [verdachte UT] vroeg hij. Ik heb toen gezegd van waar moet die jongen dan daarna toe gaan. Ik heb gezegd van naar wie moet die jongen dan gaan. Toen...

S: Luister wat ik tegen hem zeg, wie heeft die jongen hierheen gehaald/laten komen. Ik. Uiteindelijk is die jongen met mijn beslissing hierheen gekomen of niet dan!?

U: Ja.

S: Als laatste met mijn beslissing is de jongen hierheen gekomen.

(…)

U: Hij heeft mij een sms gestuurd, ik zal vrijdag komen, ik zal het vrijdag meenemen... en nu op dit moment komt [verdachte UT] de jongere broer van [verdachte TK] komt naar mij toe, ik zal het aan hem geven en hij zal het brengen en aan [verdachte BI] zijn vader geven en jij moet het dan in de ochtend daar ophalen.

55.

Een tapgesprek tussen [verdachte NT] alias [M] (stemherkenning) en [verdachte TK] (zegt naam) (stemherkenning) op 7 februari 2007 om 22:46 uur, pagina 49A/36589:

[verdachte TK] = T en [M] = M

T: Euhmmm de politie heeft een inval gedaan in het huis van dinges.

M: Ja dat heb ik net gehoord..Waar is ons ‘Ayi’ (beer)?

T: Die is vertrokken.

M: Waarna toe?

T: Naar ver.

M: Ja. Oke is goed. Potverdikkemie... Ik bel iedereen op om hun op de hoogte te brengen... Ik dacht dat jullie het niet gehoord hadden.

T: Ze zitten ook achter mij aan.

M: Wat?

T: Ze rijden ook achter mij.

M: Zitten/rijden ze achter jou nu?

T: Ja, ja.

M: Pak je simkaart, eet het op, kauw erop en slik het door.

T: Oke.

M: Of breek het, breek alle sim kaarten.

T: Oke dan.

56.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 14] van 29 oktober 2007, pagina 6C/2967, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Foto 34:

De man afgebeeld op foto 34 herken ik als [verdachte TK]. Dat is echter wel een oude foto. Ik weet dat hij zelf 1 vrouw had werken. Daarnaast was het de loopjongen van [verdachte SB] en [verdachte BI]. Hij haalde bijvoorbeeld voor hun vrouwen op.

Opmerking verbalisant. De man afgebeeld op foto nummer 34 betreft:

[verdachte TK], geboren op 1975 te [plaats] (land]

57.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 oktober 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik heb twee broers, namelijk [verdachte UT] en [betrokkene 74]. Als [verdachte UT] bij mij was is hij “daar” (de rechtbank begrijpt: de Wallen in Amsterdam) wel eens naar toegegaan om te ontspannen.