Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP6462

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
SBR 10/1398, 10/1394 en 10/1397
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. MK. AW. Beoordeling, ontslag en re-integratieplan. Gegeven beoordeling kan de rechterlijke toets doorstaan, mede op basis daarvan is het ontslag gerechtvaardigd. Geen reden re-integratie te beperken tot werkzaamheden binnen de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 10/1398, 10/1394 en 10/1397

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J. Jaab, advocaat te Amsterdam

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zeist, verweerder,

gemachtigden: mr. J.W.B. van den Berg, W. van Reenen en N. Lantinga

Inleiding

1.1 Bij besluit van 26 juni 2009 heeft verweerder op grond van artikel 15:1:15 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) de op

3 maart 2009 opgestelde beoordeling ten aanzien van eisers functioneren over het tijdvak van 1 december 2007 tot 1 februari 2009, vastgesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SBR 10/1398.

1.2 Bij besluit van 28 september 2009 heeft verweerder op grond van artikel 8:6 van de CAR-UWO aan eiser met ingang van uiterlijk 1 februari 2010 ontslag verleend wegens onbekwaamheid dan wel ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Dit beroep is geregistreerd onder nummer SBR 10/1394.

1.3 Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft verweerder op grond van artikel 10d:9 van de CAR-UWO het re-integratieplan vastgesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SBR 10/1397.

1.4 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 januari 2011, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden voornoemd.

Overwegingen

2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2 Eiser is met ingang van 1 februari 2001 bij de gemeente Zeist aangesteld in de functie van gastheer bij het Slot Zeist.

In verband met verbouwingsactiviteiten is eiser voor een jaar tijdelijk belast met werkzaamheden bij de centrale balie. Op eisers verzoek om overplaatsing is hij van 20 maart 2006 tot 1 januari 2007 geplaatst bij de Afdeling Sport- en recreatievoorzieningen. Nadat de verbouwingsactiviteiten bij het Slot Zeist waren beëindigd heeft eiser, mede gezien het ingezette privatiseringstraject van het Slot Zeist, geweigerd zijn werkzaamheden als gastheer te hervatten. Nadien is eiser met ingang van 1 april 2007 aangesteld als beheerder binnensportaccommodaties bij het team Sport- en recreatievoorzieningen.

2.3 Over de periode van 20 maart 2006 tot 1 januari 2007 is op 15 februari 2007 een beoordeling over het functioneren van eiser opgemaakt. In het samenvattende oordeel ten aanzien van het totale werkresultaat heeft de beoordelaar vermeld dat indien er thans een vacature zou zijn binnen de afdeling Sport- en recreatievoorzieningen, eiser daar gezien zijn functioneren niet voor voorgesteld zou worden en dat het niet zonder meer duidelijk is dat eiser geschikt is voor de functie. Over de periode van 1 april 2007 tot 1 december 2007 is een tweede beoordeling over het functioneren van eiser opgesteld. Hoewel als samenvattend oordeel ten aanzien van het totale werkresultaat door eiser een “aanvaardbaar” werd gescoord, is aangegeven dat de leidinggevende niet tevreden is over het functioneren en dat het eisers verantwoordelijkheid is om hier iets aan te doen. Daarbij is ondersteuning door middel van coaching aangeboden waarvan eiser, zoals hij in een gesprek op 14 juli 2008 heeft medegedeeld, geen gebruik wenste te maken.

2.4 In de derde, over de periode van 1 december 2007 tot 1 februari 2009 opgestelde en thans bestreden, beoordeling luidt het samenvattende oordeel ten aanzien van het werkresultaat: ontoereikend. Daarbij is vermeld dat eiser eerder het voordeel van de twijfel heeft gekregen, maar dat dit nu niet meer aan de orde is. Vermeld is dat het functioneren onvoldoende is en dat op verschillende tijdstippen en manieren een helpende hand is geboden waarvan geen gebruik is gemaakt. Geconcludeerd is dat eiser op korte termijn ontheven dient te worden van zijn werkzaamheden binnen de afdeling Sport- en recreatievoorzieningen.

2.5 Naar aanleiding van deze beoordeling is een re-integratiecoach, dhr. S. van Zelst, ingeschakeld om te zoeken naar een andere functie voor eiser, zowel binnen als buiten de gemeente Zeist. Eiser heeft deze coaching stopgezet omdat de nadruk zou liggen op de externe arbeidsmarkt, terwijl eiser juist binnen de gemeente Zeist een andere functie wilde hebben.

2.6 Op 11 augustus 2009 is aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt dat zijn aanstelling uiterlijk op 1 februari 2010 zal worden beëindigd, met toepassing van artikel 8:6 van het CAR-UWO. Bij besluit van 28 september 2009 heeft verweerder eiser per uiterlijk 1 februari 2010, op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken, ontslag verleend. Dit besluit is na bezwaar bij het besluit van verweerder van 16 maart 2010 gehandhaafd.

De beoordeling (SBR 10/1398)

2.7 De toetsing van de inhoud van een beoordeling is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 14 februari 2008, LJN BC5576, beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In gevallen van negatieve oordelen moet als uitgangspunt gelden dat het op de weg van het betrokken bestuursorgaan ligt in rechte genoegzaam aan te tonen dat die waardering niet op onvoldoende gronden berust.

Niet beslissend is of elk feit dat ter onderbouwing van een waardering boven elke twijfel verheven is en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de bedoelde toetsing kunnen doorstaan.

2.8 Eiser betoogt dat de beoordeling onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet objectief is. De beoordeling gaat uit van onjuiste, onvolledige of gedateerde informatie en geeft geen adequaat beeld van zijn functioneren. Hem is geen redelijke kans geboden zich te verbeteren en door zijn leidinggevende wordt al langere tijd gestreefd naar een beëindiging van het dienstverband. Verder zijn de punten die in de beoordeling zijn benoemd hem niet eerder kenbaar gemaakt.

2.9 Dit betoog van eiser slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de teamleider afdeling Sport- en recreatievoorzieningen en de coördinator werkzaamheden binnensportaccommodaties die als beoordelaars zijn opgetreden, niet objectief zijn geweest. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat er weerstand bestond tegen zijn persoon omdat, zoals eiser stelt, verweerder als uitvloeisel van de privatisering van het Slot Zeist, zijn teamleider gedwongen zou hebben hem in dienst te nemen. De omstandigheid dat de teamleider na een eerdere beoordeling vanaf november 2007 een logboek over eisers functioneren is gaan bijhouden, betekent evenmin dat deze niet in staat zou zijn geweest om eisers functioneren in de periode thans van belang objectief te beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat niet alleen in de thans bestreden beoordeling, maar ook in de voorgaande beoordelingen van 15 februari 2007 en 13 december 2007 het beeld naar voren komt van onvoldoende functioneren van eiser. Verbeterpunten zijn meermalen benoemd. In de beoordeling van 13 december 2007 is eiser aangeboden mee te werken aan een competentie- onderzoek met zelfanalyse met behulp van ondersteuning van een coach. Eiser heeft, zoals neergelegd in de brief van 30 juli 2008, medegedeeld geen gebruik te willen maken van dit traject. Verder zijn in de bijlage van de brief van 5 april 2007 expliciet een aantal verbeterpunten benoemd. Anders dan eiser voorstaat, brengt dit de rechtbank tot de conclusie dat voor eiser duidelijk moet zijn geweest op welke punten zijn functioneren tekortschoot. Daarvoor is hem op meerdere momenten hulp en ondersteuning aangeboden waarvan eiser om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt. Zijn functioneren heeft hij echter niet weten te verbeteren.

2.10 Voor de juistheid van eisers standpunt dat in de beoordeling uitgegaan wordt van onjuiste, onvolledige of gedateerde informatie zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden. De rechtbank acht de beoordeling voldoende betrouwbaar en voldoende met concrete voorbeelden onderbouwd. Zo heeft de beoordelaar bij het onderdeel Zelfstandigheid vermeld dat eiser zich niet houdt aan werkprogramma’s en werkafspraken en niet communiceert over zijn beslissingen, als gevolg waarvan zijn collega’s regelmatig komen klagen bij de leidinggevende. Met betrekking tot het onderdeel Contact heeft de beoordelaar vermeld dat hij bijna wekelijks klachten krijgt van zowel collega’s als de coördinator over het gedrag en de werkhouding van eiser. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de beoordeling op onvoldoende (feitelijke) gronden berust. De beoordeling sluit verder aan bij het uit het geheel van de processtukken opdoemend beeld van onvoldoende functioneren.

2.11 Dit voert de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het besluit van 16 maart 2010, voor zover daarbij de op

3 maart 2009 opgestelde beoordeling is gehandhaafd.

Het ontslag (SBR 10/1397)

2.12 Artikel 8:6, eerste lid, van de CAR-UWO luidt als volgt.

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

2.13 De aan het ontslagbesluit van 28 september 2009 ten grondslag liggende opvatting dat eiser ongeschikt of onbekwaam, anders dan door ziekten of gebreken, is voor de vervulling van zijn functie, berust op de herplaatsingsbrief van 5 april 2007 met verbeterpunten, de beoordelingen van 6 februari 2007, 13 december 2007 en 25 februari 2009, het gegeven dat een onevenredige inspanning wordt gevraagd van eisers leidinggevende en collega’s om hem te begeleiden en te ondersteunen en de overweging dat er geen structurele verbetering te zien is in eisers functioneren.

2.14 Eiser betwist dat hij onbekwaam of ongeschikt is om zijn functie te vervullen. Hij is niet in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren en het ligt op de weg van verweerder om hem actief te ondersteunen alvorens een ontslag aan de orde is. Verweerder heeft geen adequaat en objectief beeld van zijn functioneren. Er is niet gezocht naar andere functies binnen de gemeente Zeist. Ten slotte is onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen.

2.15 Van ongeschiktheid is sprake wanneer eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn, ontbreken. In aanmerking genomen de hiervoor besproken beoordeling alsook de daaraan voorafgaande beoordelingen, ligt in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, geen grond besloten voor het oordeel dat het verweerder eiser ten onrechte ongeschikt dan wel onbekwaam heeft geacht in de zin van artikel 8:6, eerste lid, van de CAR-UWO. Verweerder was dan ook bevoegd eiser op grond van dat artikel ontslag te verlenen.

2.16 De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze bevoegdheid bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank heeft daartoe in aanmerking genomen dat verweerder eiser, zoals kan worden ontleend aan de beoordelingen en de herplaatsingsbrief van 5 april 2007, in ruim voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Eiser heeft van de hem aangeboden hulp/ondersteuning geen gebruik willen maken en is er ook niet in geslaagd op eigen kracht de gewenste verbetering in zijn functioneren aan te brengen.

Dat eiser aanvankelijk naar zijn zeggen bevredigend heeft gefunctioneerd als gastheer in het Slot Zeist - wat daar ook van zij: de rechtbank kan zulks niet afleiden uit beoordelingen van eisers functioneren in die periode - neemt niet weg dat hij in zijn huidige functie tekort is geschoten. Evenmin doet aan dit tekortschieten af dat de oorzaak daarvan voor eiser in belangrijke mate het gevolg is van de privatisering van het Slot Zeist en de daardoor voor hem veranderde werkomstandigheden en takenpakket.

Anders dan eiser, vermag de rechtbank niet in te zien dat verweerder in zijn verplichtingen tekortgeschoten is. Eisers leidinggevenden hebben zich er door middel van aangeboden trajecten voor ingezet te bewerkstelligen dat eiser ook in de nieuwe situatie bevredigend zou functioneren. Dat eiser aan die trajecten niet de vereiste medewerking heeft verleend, dient voor zijn rekening te blijven.

2.17 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van dit besluit van 16 maart 2010, voor zover daarbij het ontslagbesluit van 28 september 2009 is gehandhaafd.

Het re-integratieplan (SBR 10/1397)

2.18 Op grond van artikel 10d:5 van de CAR-UWO heeft de ambtenaar die wordt ontslagen op grond van artikel 8:6 recht op een re-integratiefase die begint met het besluit tot ontslag Bij een dienstverband van twee tot tien jaar duurt de re-integratiefase vier maanden.

Op grond van artikel 10d:9 van de CAR/UWO stelt het college zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de re-integratiefase, een re-integratieplan op, waarin afspraken worden opgenomen over de re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden.

2.19 Eiser betoogt primair dat er geen grond is voor het vast stellen van een re-integratieplan, nu er geen grond is voor ontslag. Daarnaast betoogt eiser dat voor zover al een re-integratieplan zou moeten worden opgesteld, dit plan gericht zou moeten zijn op een passende en gelijkwaardige functie binnen de gemeente Zeist. Verder heeft eiser bezwaar tegen de passage waarin wordt opgemerkt dat de kans op een nieuwe baan extern groter is.

2.20 Daargelaten de vraag of eiser thans nog enig procesbelang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de juistheid van het re-integratieplan, overweegt de rechtbank dat gezien haar oordeel met betrekking tot het ontslag, de primaire grond van eiser faalt.

2.21 De rechtbank vindt voorts in de bepalingen van de CAR-UWO geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de re-integratiefase zich voornamelijk zou moeten richten op het zoeken naar functies binnen de gemeente Zeist. Integendeel, gelet op het doel van de re-integratiefase, het voorkomen van een uitkeringssituatie wegens werkloosheid, dient tijdens de re-integratiefase gestructureerd te worden toegewerkt naar een andere baan, zowel binnen als buiten de gemeente. Van schending van de op dit punt voorgeschreven verplichtingen is op grond van hetgeen eiser heeft aangevoerd, niet gebleken.

2.22 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van dit besluit van 16 maart 2010, voor zover dit betrekking heeft op het re-integratieplan.

Ten aanzien van alle zaken:

2.23 De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.N. Noorman als voorzitter, en mr. J.R. van Es- de Vries en

mr. J.M. Willems als leden, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2011.

De griffier: De voorzitter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. M.N. Noorman

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.