Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP5582

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
16/604184-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding art. 6, subs. art 5. Wegenverkeerswet 1994: dodelijk verkeersongeval. Niet is komen vast te staan dat verdachte de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft overtreden. Er moet worden uitgegaan van een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door rood is gereden en daarmee gevaar voor de veiligheid van het verkeer heeft veroorzaakt. De situatie ter plekke was echter onduidelijk. Het verwijt dat verdachte gemaakt kan worden is gering. De rechtbank verklaart verdachte schuldig aan overtreding van art. 5 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank legt geen straf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604184-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1961] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 7 juni 2010, 4 oktober 2010 en 10 februari 2011. Daarbij hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: als bestuurder van een autobus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen, waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen;

subsidiair: als bestuurder van een autobus zich zodanig op de weg heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

De volgende feiten kunnen op grond van het bewijsmiddel, als genoemd in voetnoot 1, naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Op 19 maart 2009, omstreeks 13:40 uur, heeft op de voor het openbaar verkeer openstaande Biltsestraatweg te Utrecht, ter hoogte van de kruising met de Archimedeslaan, een ongeval plaatsgevonden. Daarbij heeft verdachte [verdachte] als bestuurder van een autobus, een jongen aangereden die de Biltsestraatweg overstak. Deze jongen, [slachtoffer], geboren op [1998] te [geboorteplaats], is als gevolg van deze aanrijding ter plaatse overleden.

Ter hoogte van genoemde kruising waren ten tijde van de aanrijding wegwerkzaamheden bezig. Door deze werkzaamheden was de linkerrijstrook, bestemd voor het rechtdoorgaande verkeer, afgesloten door middel van een pijlwagen. Voornoemde werkzaamheden werden uitgevoerd met een veegwagen en twee borstelwagens. Verdachte [verdachte] werd als gevolg van deze afsluiting gedwongen om over de rijstrook voor rechtsaf te rijden. Genoemde kruising is voorzien van verkeerslichten, welke ten tijde van de aanrijding in werking waren.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht, gelet op de voorhanden zijnde bewijsstukken, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte zich roekeloos heeft gedragen, maar wel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen door met een snelheid van rond de 72 km/u een kruispunt op te rijden, terwijl daar - voor de verdachte duidelijk zichtbaar - wegwerkzaamheden aan de gang waren die hem het zicht op de voetgangers- en fietsersoversteekplaats totaal ontnamen en hij niet goed heeft gekeken naar het voor hem bestemde verkeerslicht, zodat hij door rood is gereden, tengevolge waarvan [slachtoffer] -die door groen liep- is overleden.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde en heeft vrijspraak bepleit.

Daarbij heeft de verdediging er op gewezen dat op zijn verzoek een deskundige is benoemd, te weten verkeersongevallendeskundige J.L.M. Meuwissen, omdat het proces-verbaal van de VOA van 22 oktober 2009 vragen opriep.

De rapportage van deze deskundige van 21 september 2010 en de getuigeverklaring en het verhandelde ter terechtzitting van 4 oktober 2010 hebben geleid tot een nadere opdracht aan de deskundige, die daarover op 6 december 2010 heeft gerapporteerd. In laatstgenoemd rapport is de deskundige tot de conclusie gekomen dat op grond van de verklaringen van de getuigen het door de VOA bepaalde tijdstip van aanrijding niet juist kan zijn en in het verlengde daarvan, ook niet de door de VOA uitgesproken conclusies wat betreft het rode verkeerslicht voor de buschauffeur en de gereden snelheid van de betrokken autobus.

De verdediging heeft zijn verwondering uitgesproken over de omstandigheid dat de VOA aanvankelijk zijn conclusies heeft gebaseerd op met name hetgeen getuige [getuige 1] heeft verklaard, en dat de verklaring van deze getuige inmiddels door zowel de VOA als de officier van justitie als niet betrouwbaar wordt aangemerkt.

De verdediging heeft benadrukt, onder verwijzing naar het rapport van de deskundige van

6 december 2010, dat de interpretatie van de loggegevens van de verkeersregelinstallatie geen exacte wetenschap is en dat ook met de menselijke factor rekening moet worden gehouden.

Naar de mening van de verdediging is sprake van een slecht samengesteld dossier dat geen recht doet aan het ongeval. Daarbij heeft de verdediging onder meer gewezen op de onduidelijkheid rond het draaien van de verkeersborden en de slechte intake van de getuigen.

Mocht de rechtbank - na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en na beraadslaging - de conclusies van de deskundige J.L.M. Meuwissen niet volgen, dan heeft de verdediging verzocht om het onderzoek te heropenen en een tweede deskundige te benoemen.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

In de tenlastelegging is aan verdachte [verdachte] een tweetal verwijten gemaakt, te weten:

a. dat hij met een snelheid van ongeveer 76 km/u heeft gereden, althans met een (veel) hogere snelheid dan de op dat moment toegestane maximum snelheid van 50 km/u;

b. dat hij niet heeft gestopt voor het voor rechtdoorgaand verkeer bestemde verkeerslicht dat rood licht uitstraalde terwijl hij, verdachte, voornemens was rechtdoor zijn weg te vervolgen.

Ten aanzien van deze verwijten overweegt de rechtbank het volgende.

a) Snelheid

Normaliter geldt op de Biltsestraatweg een maximumsnelheid van 80 km/uur. De vraag die voorligt is of de op 19 maart 2009 geplaatste verkeersborden bij de Berekuil, die onder meer de tijdelijk toegestane maximumsnelheid van 50 km/u op de Biltsestraatweg aangaven, ten tijde van het ongeval ook zichtbaar waren voor het verkeer.

Getuige [getuige 2] noch Connexxion-buschauffeur [A] kan zich herinneren deze borden te hebben gezien. Ook verbalisant [verbalisant] kan zich niet meer herinneren of de borden, toen hij op weg was naar de plaats van het ongeval, duidelijk zichtbaar voor het verkeer geplaatst waren.

Ter terechtzitting heeft verdachte [verdachte] verklaard dat hij de verkeersborden niet heeft gezien.

Toen verbalisant [verbalisant] bij het onderzoek door de VOA, direct na het opnemen van de situatie op de plaats van het ongeval, foto’s van deze verkeersborden nabij de Berekuil wilde maken, bleken deze een kwart slag gedraaid te zijn en derhalve niet zichtbaar voor het verkeer. De politie heeft toen nagelaten om meteen een onderzoek in te stellen of en zo ja, wie van de wegwerkers op welk moment deze borden afgedraaid heeft.

Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris - ruim anderhalf jaar na dato - verklaren twee wegwerkers , dat de borden zijn omgedraaid toen zij het sein van de politie kregen dat ze mochten opruimen. Of dit ook gebeurd is en door wie is niet meer duidelijk geworden.

De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de politie bedoeld sein aan de wegwerkers gegeven heeft voordat de fotoreportage gereed was. Zij heeft hierdoor niet de overtuiging gekregen, dat de tijdelijke snelheidsbeperkende borden nabij de Berekuil langs de Biltsestraatweg voor verdachte zichtbaar waren geplaatst. Uitgegaan dient daarom te worden van een toegestane maximumsnelheid van 80 km/u.

Het VOA-rapport van 22 oktober 2009 berekent aan de hand van de loggegevens van de lussen in het wegdek dat verdachte ten tijde van het ongeluk gereden heeft met een snelheid van 76 km/uur. De deskundige Meuwissen komt in zijn rapport van 21 september 2010 op grond van dezelfde loggegevens tot een snelheid van tussen 72 en 83 km/u .

Op grond van deze gegevens uit het dossier kan daarom niet worden bewezen verklaard, dat verdachte op de plaats van het ongeluk met een snelheid van meer dan 80 km/u gereden heeft.

Aangezien de officier van justitie niet heeft ten laste gelegd dat is gereden met een snelheid, die gezien de bijzondere omstandigheden ter plaatse (de wegwerkzaamheden) te hoog was, zal de rechtbank verdachte dan ook van verwijt a) van de tenlastelegging zoals hierboven genoemd vrijspreken.

b) Rood licht

Voor een reconstructie van de stand van de verkeerslichten op het moment van de aanrijding is van belang op welk moment precies deze aanrijding heeft plaatsgevonden.

Uit de loggegevens blijkt, dat de langzaam rijdende veegwagen vanaf 13.36.26 uur langdurig op tellus D.99.1 stil is blijven staan. Op basis van dit gegeven in combinatie met het moment waarop het voetgangerslicht met drukknop Drk 31.1 in werking is gesteld en kort nadien nog tweemaal is ingedrukt, te weten tussen 13.36.14 uur en 13.36.16 uur, de oversteek door [slachtoffer] van de noordbaan van de voetgangersoversteekplaats gedurende ongeveer 2 seconden, en een reactietijd voor de bestuurder van de veegwagen van ongeveer 3 seconden voordat hij zijn wagen heeft stilgezet, kan gereconstrueerd worden binnen welke tijdspanne de aanrijding heeft plaatsgevonden.

De rechtbank houdt het er, op basis van voormelde gegevens, voor dat de aanrijding tussen 13.36.18 uur en 13.36.23 uur heeft plaatsgevonden.

Uit de loggegevens volgt, dat op dat moment het voetgangersverkeerslicht voor [slachtoffer], licht 0032 voor de zuidbaan van de voetgangersoversteekplaats groen licht uitstraalde.

Uit de loggegevens volgt ook dat voor verdachte - rechtdoor rijdend richting Zeist - vanaf 13.36.10 uur het verkeerslicht 0008 eerst twee seconden geel- en daarna rood licht uitstraalde tot 13.36.38 uur. Dit licht 0008 was bevestigd boven de, in verband met de wegwerkzaamheden, afgesloten weghelft.

Verdachte werd in verband met deze wegwerkzaamheden met zijn bus over de weghelft geleid bestemd voor het rechtsafslaand verkeer, waarboven van 13.35.59 uur tot 13.36.27 uur een groen verkeerslicht, zijnde licht 0007, straalde.

Niet ondenkbaar is, dat verdachte bij deze onduidelijke situatie in de veronderstelling verkeerde dat dit groene licht ook voor het rechtdoorgaand verkeer gold. Hij is echter door rood gereden. Onderdeel b) van de tenlastelegging kan daarom wel bewezen verklaard worden.

Schuld/verwijt

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de wegbeheerder heeft nagelaten de verkeersregelinstallatie voor de duur van de uitvoering van de wegwerkzaamheden over te schakelen op “geel knipperen”. In dat geval zou het voor alle verkeersdeelnemers ter plaatse duidelijk geweest zijn dat er op dat moment sprake was van een verwarrende en als gevolg daarvan gevaarlijke en onoverzichtelijke situatie. Dan had dit dodelijke ongeval wellicht voorkomen kunnen worden.

Of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 hangt volgens vaste jurisprudentie af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Er is bij verdachte [verdachte] sprake van één enkele verkeersovertreding: het negeren van een rood verkeerslicht in een onoverzichtelijke situatie gesitueerd boven de rijbaan waarop hij niet reed. Hoe ernstig de gevolgen hiervan ook zijn geweest, de mate van schuld van verdachte mag niet afgemeten worden aan de ernst van het gevolg, te weten in de onderhavige zaak: een dodelijk slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank is onder de geschetste omstandigheden bij verdachte [verdachte] geen sprake van grove onvoorzichtigheid of onoplettendheid en zelfs niet van aanmerkelijke schuld. Het primair ten laste gelegde kan om die reden niet bewezen verklaard worden. De verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft door zijn handelen de veiligheid van het verkeer in gevaar gebracht. Dit verwijt is echter, door de bijzondere omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, relatief gering.

Verzoek om benoeming tweede deskundige

Het verzoek van de raadsman om het onderzoek te heropenen in het geval de rechtbank niet de conclusies van deskundige J.L.M. Meuwissen volgt, wordt niet gehonoreerd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft op basis van de loggegevens en rekening houdend met menselijke factoren, zoals de reactietijd van de chauffeur van de veegwagen, die op tellus D.99.1 is stil komen te staan en de oversteektijd van [slachtoffer] van de noordbaan van de voetgangersoversteekplaats, geen twijfel over de tijdspanne waarbinnen het ongeval heeft plaatsgevonden.

De rechtbank merkt daarbij op dat in dit verband minder waarde aan de verklaringen van de getuigen wordt gehecht, mede omdat deze getuigen aanvankelijk niet of niet zorgvuldig zijn gehoord, alsmede de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van deze getuigen bij hun latere verklaringen. Het is juist op basis van deze - niet steeds eenduidige - getuigenverklaringen, dat deskundige Meuwissen tot zijn conclusie is gekomen als verwoord in zijn rapport van 6 december 2010.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 maart 2009, te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (autobus), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Biltsestraatweg, ter hoogte van de kruising met de Archimedeslaan (terwijl ter plaatse wegwerkzaamheden werden uitgevoerd) niet is gestopt voor het voor rechtdoorgaand verkeer bestemde verkeerslicht dat rood licht uitstraalde terwijl hij, verdachte, voornemens was rechtdoor zijn weg te vervolgen

en vervolgens in aanrijding is gekomen met een jongen die de Biltsestraatweg overstak terwijl het voetgangerslicht in diens richting groen licht uitstraalde, door welke gedraging gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Deze strafzaak loopt, mede doordat het politieonderzoek weinig voortvarend en onzorgvuldig is uitgevoerd, al bijna twee jaar. Twee jaar van onzekerheid, zowel voor de familie van [slachtoffer] als voor de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat deze zaak alleen maar verliezers kent. [slachtoffer] is op 11-jarige leeftijd, in de bloei van zijn leven op uiterst tragische wijze verongelukt. Zijn moeder, grootouders en andere familieleden zijn door dit verlies zeer diep getroffen. De slachtofferverklaring, zoals die ter zitting door de grootvader van [slachtoffer] is afgelegd, heeft dit nog eens onderstreept. De jongen kwam huppelend van school en stak pas over toen het voetgangerslicht op groen stond; hem valt niets te verwijten.

De rechtbank is ervan overtuigd, dat ook verdachte [verdachte] zeer geraakt is door deze ingrijpende gebeurtenis. Hij zal hier - net als de familie van [slachtoffer] - levenslang onder gebukt gaan. Hij heeft getracht zijn medeleven met de familie te betuigen. Sinds het ongeval staat hij onder psychologische behandeling en hij heeft zijn werk als buschauffeur nog altijd niet volledig kunnen hervatten. Verdachte [verdachte] is nooit eerder met politie of justitie in aanraking gekomen.

Vergelding is naar het oordeel van de rechtbank in deze strafzaak geen grond voor de bestraffing. Toen hij het rode stoplicht niet zag en doorreed was er bij verdachte [verdachte] immers geen sprake van kwaad opzet of ernstige schuld.

Een straf zal er ook niet aan bijdragen dat de verdachte in de toekomst geen nieuwe strafbare feiten in het verkeer pleegt. De rechtbank verwacht dat hij na het vreselijke gebeuren op 19 maart 2009 altijd extra oplettend zal zijn in het verkeer.

Evenmin zal de oplegging van een straf de algemene preventie of de normhandhaving kunnen dienen. De norm dat niemand de veiligheid in het verkeer in gevaar mag brengen, staat immers niet ter discussie.

Een straf - hoe hoog ook - zal [slachtoffer] niet terug kunnen brengen in het leven en aan het grote gemis van zijn familie niets kunnen veranderen. Zoals al is opgemerkt, zijn er in deze zaak helaas alleen maar verliezers.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het opleggen van een straf in dit geval geen enkel redelijk doel. Daarom zal de rechtbank de verdachte [verdachte] schuldig verklaren zonder toepassing van straf.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 februari 2011.