Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP5568

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
296274 / HA RK 10-457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Medische fout. Volledige of proportionele aansprakelijkheid. Noodzaak 24-uurs zorg. Voor de bepaling van de omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding hanteert de rechtbank overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 NJ 2009/387 als uitgangspunt dat de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. De vraag of mantelzorg als vermogensschade vergoed moet worden door de aansprakelijke partij beoordeelt de rechtbank aan de hand van het uitgangspunt dat het moet gaan om (kosten van) werkzaamheden waarvan het normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners, ook indien die werkzaamheden worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. Of de kosten van verhuizing en verbouwing van de woning van de dochter van de benadeelde voor vergoeding in aanmerking komen beoordeelt de rechtbank aan de hand van artikel 6:107 BW. Verzochte smartengeldvergoeding van € 100.000,- wijst de rechtbank toe.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019x
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019ij
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019bb
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019cc
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2011/61
JA 2011/71
GJ 2011/69 met annotatie van S.M.P. van Reedt Dortland
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel, handelskamer

Zaak- / rekestnummer: 296274 / HA RK 10-457

Beschikking van 9 februari 2011

in de zaak van

1. [verzoekster sub 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [dochter 1],

2. [verzoekster sub 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [dochter 2],

pro se en in hun hoedanigheid van bewindvoerders over hun moeder

[moeder]

hierna te noemen: [moeder],

verzoeksters,

gezamenlijk te noemen: [verzoeksters]

advocaat mr. P.C.M. ten Brummelhuis te Roermond,

tegen

de stichting

STICHTING SINT ANTONIUS ZIEKENHUIS,

rechtsopvolger van de stichting Mesos Medisch Centrum,

gevestigd te Nieuwegein,

verweerster,

hierna te noemen: Sint Antonius,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift inzake deelgeschil ex artikel 1019w Burgerlijke Rechtsvordering van [verzoeksters];

- het verweerschrift van Sint Antonius;

- de mondelinge behandeling, gehouden op 13 december 2010;

- de pleitnotitie van [verzoeksters].

2. De feiten

2.1. [moeder] woonde in bij het gezin van [dochter 2] aan de [adres] in [woonplaats]. Zij had daar een eigen kamer en verbleef voorts in de overige ruimten van het huis. Zij was mantelzorger voor een daar eveneens woonachtige kleinzoon.

2.2. Op 7 januari 2006 omstreeks 23.15 uur is [moeder] in de woning van [dochter 2] van de trap gevallen en daarbij op haar hoofd terecht gekomen. Aansluitend is zij op 8 januari 2006 rond 00.00 uur opgenomen op de spoedeisende hulpafdeling van Sint Antonius. Er is een CT-scan van de hersenen gemaakt, waarbij een hematoom is waargenomen.

2.3. Nadien verslechterde de klinische situatie van [moeder]. De betrokken verpleegkundigen hebben de ernst van de situatie onderschat met als gevolg dat de dienstdoende neuroloog eerst op 9 januari 2006 omstreeks 04.15 uur is gewaarschuwd, waarna de diagnose subduraal hematoom werd gesteld. Vervolgens is [moeder] op 9 januari 2006 met spoed overgeplaatst naar het UMC Utrecht, waar zij een neurochirurgische decompressie heeft ondergaan.

2.4. Er is geen volledig neurologisch herstel opgetreden. [moeder] heeft onder meer cognitieve beperkingen waaronder woordvindingsproblemen, onvermogen om complexe handelingen uit te voeren en oogstoornissen. Daarnaast is [moeder] halfzijdig gedeeltelijk verlamd, waardoor zij rolstoelafhankelijk is.

2.5. In februari 2006 is [moeder] voor revalidatie van het UMCU overgeplaatst naar een verpleeghuis in Zeist. Na zes weken is [moeder] vervolgens overgeplaatst naar een verpleeghuis in Amersfoort.

2.6. Sinds 10 juli 2006 verblijft [moeder] per week ongeveer vijf nachten bij [dochter 1] en twee nachten bij [dochter 2]. [moeder] gaat drie dagen per week naar een dagopvang.

2.7. Omstreeks oktober 2006 heeft [dochter 1] haar woning in [woonplaats] te koop aangeboden en haar huidige woning aan de [adres] in [woonplaats] gekocht voor € 425.000,- k.k.

De woning in [woonplaats] is in 2008 verkocht voor een verkoopprijs van € 277.000,-.

2.8. Bij brief van 4 januari 2008 heeft [verzoeksters] Sint Antonius aansprakelijk gesteld.

2.9. MediRisk, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van Sint Antonius, heeft (eenzijdig) advies ingewonnen bij neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen, verbonden aan het Neuro Orthopedisch Centrum (hierna: Beijersbergen). Beijersbergen heeft een rapport

d.d. 20 mei 2008 opgesteld en een aanvullend rapport d.d. 29 juli 2008.

2.9.1. Het rapport van 20 mei 2008 heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“IV. Beschouwing

Hoewel uwerzijds geen specifieke vraagstelling is naar aanleiding van voorliggende problematiek, komt het mij voor dat in voorliggende kwestie twee vragen aan de orde zijn. De allereerste vraag is natuurlijk in hoeverre het ziekenhuis verwijten treft betreffende de bewaking en verzorging op de afdeling neurologie.

En de tweede vraag zou kunnen luiden in hoeverre en in welke mate de thans bestaande problematiek het gevolg is van dit onzorgvuldig handelen en met name hoe bij wel zorgvuldig handelen de afloop was geweest van het letsel, dat betrokkene bij de val had opgelopen.

Allereerst hebben wij ons uitvoerig verdiept in alle mogelijke gegevens met betrekking tot de zorgvuldigheid van de bewaking van het neurologisch toestandsbeeld van betrokkene. Er moet worden geconstateerd, dat onvermijdelijk vastgesteld moet worden, dat aan het begin van de nacht van 08 op 09 januari betrokkene een abnormaal gedrag ging vertonen en dat dit in de loop van de nacht hand over hand in ernst toenam.

De klachtencommissie van het ziekenhuis meldt dat om 00.30 uur in ieder geval actie had moeten worden ondernomen, doch ons inziens had dit al eerder in de avond van 08.01 dienen te geschieden.

De opmerking van de familie dat zij bij vertrek die avond om 20.30 uur hun moeder verward vonden en dit ook aan de verpleging hadden meegedeeld lijkt ons correct gezien ook de mededelingen in de verpleegkundige rapportages. Als reeds in de avond van 08.01 de neuroloog hiervan op de hoogte was gesteld, is het niet onaannemelijk, dat alsdan reeds door de neuroloog een hernieuwde CT-scan zou zijn gevraagd. Immers het beeld dat betrokkene bij opname toonde is op zich reeds alarmerend en het is hiervan bekend dat progressie van de bloeding heel wel aan de orde kon zijn. Het is dan ook juist om deze reden dat de bewaking middels vaststellen van de EMV-score werd ingesteld.

Overigens komt het ons voor dat het beter ware geweest om de controle zeker de eerste 24 uur elk uur aan te houden en niet zoals door de neuroloog is voorgesteld in de ochtend van 08.01 per drie uur. Dit staat echter los van het alsnog niet goed noteren van de EMV-score. Tezamen genomen kunnen wij derhalve de conclusie van de klachtencommissie dat hier inderdaad onzorgvuldig is gehandeld bevestigen.

De vraag ten aanzien van het resterende letsel kan aldus worden behandeld, dat indien geen operatie zou zijn uitgevoerd betrokkene vrij zeker zou zijn overleden aan inklemming.

Wij zijn van mening dat dit juist is voorkomen door het openen van de schedel waardoor de druk op de hersenstam is verminderd.

De door collega [A] geconstateerde zogenaamde “contusionele” afwijkingen zijn zeker niet het gevolg van de val, doch zijn het gevolg van hersendrukverhoging en de inklemming die op het moment van de operatie bestonden.

Dit betekent dat wij van oordeel zijn, dat indien tijdig was geopereerd betrokkene met hoge waarschijnlijkheid niet het neurologisch restletsel had overgehouden als nu manifest is in de vorm van de huidige afasie en de blijkbaar lichte parese aan de rechter lichaamshelft.

Uiteraard zou een volledig integraal herstel niet geheel waarschijnlijk zijn geweest. Niettemin zijn wij van mening dat, zover wij thans overzien, grosso modo de thans bestaande restafwijkingen gecorreleerd kunnen worden aan het onvoldoende tijdig ontlasten van het hematoom en het adequaat behandelen van het hersenoedeem.

Wij zijn van ook van mening dat de opgetreden epileptische verschijnselen vrij zeker het gevolg zijn van dit lokale ischaemische letsel en derhalve ook niet zouden zijn opgetreden bij adequaat handelen en ingrijpen.”

2.9.2. Het aanvullende rapport van 29 juli 2008 heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“In aanvulling op onze rapportage d.d. 20.05.2008 […] stelde u een aanvullende vraag met name wat de restverschijnselen kunnen zijn van een subduraal hematoom na tijdige drainage.

[…]

Slotconclusies:

- In voorliggende kwestie was uiteindelijk wegens het delay sprake van een preoperatieve Glasgow comascore van 4 tot 7, hetgeen volgens de literatuur niet anders dan functioneel met forse schade zal gepaard gaan na een alsnog uitgevoerde operatie.

- Daar wij met vrij grote stelligheid kunnen zeggen – op grond van de eerst vervaardigde scan en op grond van de beschreven klinisch gunstige situatie -, dat er geen belangwekkend parenchymletsel van het cerebrum was, kan op grond van de literatuurgegevens worden beredeneerd, dat betrokkene relatief in een zeer gunstige uitgangssituatie verkeerde voor een operatieve ingreep met zelfs optimaal mogelijke kans op goed functioneel herstel.

- Alles tezamen verkeerde betrokkene dus in relatief gunstige uitgangssituatie met zeker ook aanzienlijke kansen op een optimaal herstel. Deze kans is evident te niet gedaan door te lang te wachten (meer dan 24 uur!) met de noodzakelijke ingreep.

Het voordeel van de resterende twijfel omtrent de afloop bij een tijdige ingreep dient ons inziens – uitgaande van de primair voor betrokkene gunstige situatie – volledig te berusten aan de kant van betrokkene.

[…]”

2.10. Na aanvankelijk aansprakelijkheid te hebben erkend voor het delay vanaf 9 januari 2006 te 00.30 uur, heeft MediRisk bij brief van 9 juli 2008 namens Sint Antonius aan [verzoeksters] meegedeeld aansprakelijkheid te erkennen voor het delay vanaf 8 januari 2006 vanaf

20.00 uur á 20.30 uur.

2.11. Partijen hebben in het kader van de schaderegeling mevrouw R.E.E.M. Artoos, arbeidsdeskundige, (hierna: Artoos) gezamenlijk opdracht gegeven de hulpbehoefte van [moeder] in kaart te brengen. Artoos heeft een rapport d.d. 2 juni 2009 uitgebracht, waarvan de inhoud – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“1 VRAAGSTELLING

Wilt u de hulpbehoefte van mevrouw [moeder] in kaart brengen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de beide dochters van mevrouw [moeder] de verzorging van hun moeder doen, zowel te [woonplaats] als in [woonplaats]?

Daarbij wordt tevens verzocht om te bepalen in hoeveel uren zorg de dochters van mevrouw Delbressine voorzien, waarbij het gaat om hulp die normaliter door professionele hulpverleners wordt verleend.

Wilt u behalve de behoefte aan zorg tevens aangeven hoe die kan worden ingevuld en welke kosten daaraan zijn verbonden?

[…]

7 BESPREKING MET COLLEGA ARBEIDSDESKUNDIGE, DE HEER E. AUDENAERDE

Op 27-05-2009 had ik een gesprek met de heer E. Audenaerde over deze zaak. Aanleiding hiertoe was het feit dat wij beiden, ieder vanuit een andere opdracht en invalshoek weliswaar, meenden dat het delen van de informatie en bevindingen, een goede bijdrage zou leveren aan het adviseren van partijen in deze zaak. In de bespreking zijn de onderzoeksgegevens uitgewisseld. Daaruit hebben we de volgende zaken/knelpunten vastgesteld:

- Mevrouw [moeder] heeft complexe medische beperkingen, waarvoor constant toezicht en zorg noodzakelijk is.

- De meest voor de hand liggende oplossing voor deze situatie is de opname in een verpleeghuis. Immers, qua leeftijd en constante zorg- en toezichtbehoefte, is dit op het eerste zicht de meeste adequate oplossing.

- De beide dochters van mevrouw [moeder] hebben dit als eerste oplossing geprobeerd. De opname in een gespecialiseerd verpleeghuis is echter niet gelukt. Er werd, naar hun stellige overtuiging, geen goede zorg of toezicht geboden, waardoor ze hun moeder naar huis hebben gehaald.

[…]

8 CONCLUSIE

Er kan niet zo maar een conclusie worden getrokken. De zaak is te complex en de keuze voor inzet van middelen en aanpassingen betreft zeer hoge bedragen. Het is dus van belang dat er goede keuzes worden gemaakt.

Het voortstel van de heer Audenaerde en ondergetekende is om deze zaak met de beide vertegenwoordigers van partijen te bespreken en met de heer […], architect.”

2.12. Een brief van 16 september 2010 van mr. drs. H.H. Stad, medisch adviseur, (hierna: Stad) aan de raadsman van [verzoeksters], heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“[…]

Aan de hand van de ruim voorhanden zijnde medische informatie was komen vast te staan dat uw cliente ten gevolge van een hersenbloeding die niet op adequate wijze is behandeld, te kampen heeft met een:

- ernstige globale afasie (woordvindingsproblemen),

- hemi-inattentie en hemianopsie rechts (oogstoornissen),

- apraxie (onvermogen om complexe handelingen uit te voeren),

- hemiparese rechts (halfzijdige gedeeltelijke verlamming).

Vanwege deze ernstige gezondheidsproblemen is ter voorkoming van gevaarlijke situaties voortdurend toezicht noodzakelijk.

[…]

Er is met andere woorden een discrepantie tussen haar positieve beoordeling van haar in feite gebrekkige fysieke en psychische mogelijkheden.

Hierdoor ontstaan gevaarlijke situaties, die een continu toezicht vereisen.

[…]

Onder de gegeven omstandigheden en dat met name gelet op de bevindingen van de neuropsychiater […], kan niet anders geconcludeerd worden dan dat uw cliënte 24-uurszorg nodig heeft.”

2.13. MediRisk heeft een aantal voorschotbetalingen gedaan, tot een totaalbedrag van

€ 145.000,-.

3. Het deelgeschil

3.1. [verzoeksters] verzoekt de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

a. te bepalen dat Sint Antonius ten opzichte van [verzoeksters] gehouden is de door [moeder] c.q. [verzoeksters] pro se geleden schade voor 100% te vergoeden;

b. Sint Antonius te veroordelen tot betaling van de door [moeder] c.q. [verzoeksters] pro se geleden schade ter zake de verhuizing en verbouwing van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ten bedrage van € 273.609,45 respectievelijk € 87.321,98 te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf het moment dat de uitgaven zijn gedaan;

c. Sint Antonius te veroordelen tot betaling aan [verzoeksters] ter zake kosten van verzorging en verpleging van [moeder] over de periode juli 2006 tot juli 2010 een bedrag van vier maal € 84.000,-, zijnde in totaal € 336.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente;

d. Sint Antonius te veroordelen tot betaling ter zake smartengeld van een bedrag van € 100.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2006;

e. Sint Antonius te veroordelen in de kosten van dit geding overeenkomstig artikel 1019a Rv.

3.2. Aan dit verzoek legt [verzoeksters], samengevat, het volgende ten grondslag. [verzoeksters] is van mening dat Sint Antonius toerekenbaar tekortgeschoten is in haar zorgplicht ten opzichte van [moeder] vanwege het feit dat de verpleging de aard en de ernst van een hersenbloeding heeft onderschat. Sint Antonius is dan ook gehouden de dientengevolge door [verzoeksters] en [moeder] geleden schade te vergoeden. Het gaat om kosten van verhuizing, verbouwing en aanpassing van de woning, kosten van verzorging en immateriële schade. [verzoeksters] is van mening dat Sint Antonius gehouden is 100% van de schade te vergoeden en niet, zoals Sint Antonius van mening is, slechts 85% daarvan. [verzoeksters] verwijst daartoe naar de rapporten van Beijersbergen, waarin hij aangeeft dat indien [moeder] tijdig zou zijn geopereerd zij hoogstwaarschijnlijk niet het neurologische restletsel had overgehouden zoals nu manifest is geworden.

3.3. Sint Antonius voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna indien en voor zover nodig nader ingaan.

4. De beoordeling

4.1. [verzoeksters] heeft het verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade neergelegd in de artikelen 1019w tot 1019cc Rv.

4.2. Op grond van artikel 1019w lid 1 Rv kan, indien een persoon die een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel, de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

Omvang aansprakelijkheid

4.3. Partijen houdt verdeeld de vraag of Sint Antonius gehouden is 100% van de door [verzoeksters] geleden schade te vergoeden. Sint Antonius beroept zich op proportionele aansprakelijkheid en stelt zich op het standpunt dat het redelijk is dat zij 85% van de schade aan [verzoeksters] vergoedt, omdat ook zonder delay in de behandeling een kans aanwezig was geweest dat [moeder] ernstig gehandicapt zou zijn geraakt. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit het rapport van Beijersbergen, waarvan beide partijen uitgaan, volgt immers dat indien tijdig zou zijn geopereerd [moeder] hoogstwaarschijnlijk niet het neurologisch restletsel zou hebben overgehouden zoals zich nu heeft gemanifesteerd. Weliswaar heeft Beijersbergen ook aangegeven dat een volledig integraal herstel ook niet geheel waarschijnlijk zou zijn geweest, maar daarbij heeft hij ook vermeld dat de bij [moeder] thans bestaande restafwijkingen “grosso modo” samenhangen met het onvoldoende tijdig ontlasten van het hematoom en het adequaat behandelen van het hersenoedeem. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Beijersbergen in zijn aanvullende rapportage heeft vermeld dat betrokkene in een relatief zeer gunstige uitgangssituatie verkeerde met zeker ook een aanzienlijke kans op een optimaal goed functioneel herstel, maar dat deze kans teniet is gedaan door meer dan 24 uur te wachten met de noodzakelijke ingreep. Dit leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat moet worden uitgegaan van volledige aansprakelijkheid.

Verzorging en verhuizing

4.4. Bij de beoordeling van de door [verzoeksters] gevorderde schadevergoeding hanteert de rechtbank overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 NJ 2009/387 als maatstaf dat voor de bepaling van de omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding als uitgangspunt geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Op dit uitgangspunt zijn echter, zowel op praktische gronden als om redenen van billijkheid, in bijzondere gevallen uitzonderingen aanvaard. De rechtbank overweegt met in achtneming van deze regels het volgende.

a. kosten 24-uurs verzorging

4.5. Onder verwijzing naar het reeds genoemde arbeidsdeskundige rapport van Artoos, een rapport van 18 augustus 2010 opgesteld door J. Wiersma, (neuro)psychiater, en de brief van 16 september 2010 van Stad stelt [verzoeksters] zich op het standpunt dat [moeder] 24 uur per dag verzorging en toezicht nodig heeft en dat Sint Antonius gehouden is de kosten daarvan te vergoeden. Sinds medio 2006 verzorgt [verzoeksters] [moeder] 24 uur per dag. Daarbij maakt zij drie dagen per week gebruik van dagbehandeling in een verpleeghuis gedurende zes uur per dag en van (enige) persoonlijke verzorging thuis. Dit laatste wordt betaald van het PGB van € 78.000,-. Volgens [verzoeksters] bedragen de kosten van verzorging (exclusief het PGB) € 84.000,- per jaar. Over de periode juli 2006 tot juli 2010 bedraagt de schade derhalve vier maal € 84.000,- zijnde 336.000,-. Volgens [verzoeksters] betreft het verzorging en begeleiding die anders door professionele hulp moet worden ingevuld.

4.6. Partijen houdt op dit punt allereerst verdeeld de vraag of [moeder] 24 uur per dag verzorging en/of toezicht nodig heeft. Sint Antonius betwist namelijk dat [moeder] 24 uur per dag verzorging nodig heeft, waarbij zij er bovendien op wijst dat de behoefte aan toezicht niet gelijk te stellen valt met behoefte aan verzorging en verpleging. Sint Antonius voert daarnaast aan dat uit de “CIZ-indicatie” volgt dat geen behoefte bestaat aan 24 uur directe zorg per dag. De rechtbank is, anders dan Sint Antonius, op basis van de in het geding gebrachte producties (waaronder het rapport van Artoos en de brief van Stad), - waaruit valt op te maken dat er bij [moeder] sprake is van woordvindingsproblemen, oogstoornissen, onvermogen om complexe handelingen uit te voeren en halfzijdige gedeeltelijke verlamming - alsmede het verhandelde ter zitting van oordeel dat een en ander geen andere conclusie rechtvaardigt dan dat de situatie waarin [moeder] zich bevindt 24 uur per dag verzorging en toezicht met zich brengt. De omstandigheid dat de door de CIZ geïndiceerde zorg andersluidend is, is in een geval als het onderhavige waarbij een aansprakelijke partij gehouden is de schade aan de benadeelde te vergoeden, niet van doorslaggevende betekenis. Immers, het CIZ hanteert een (ander) toetsingskader op basis waarvan wordt bepaald of en zo ja in hoeverre op grond van de AWBZ zorg voor vergoeding in aanmerking komt. In de onderhavige (civielrechtelijke) benadering is, zoals de rechtbank hiervoor onder rechtsoverweging 4.4. heeft overwogen,

leidend dat (bij de bepaling van de omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding) de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dit betekent derhalve dat de feitelijk situatie zoals die bestond ten tijde van het voorval bepalend is. Tussen partijen is niet in geschil dat [moeder] niet (meer) zelfstandig kan wonen en ook geïndiceerd is voor een verpleeghuis, alwaar in beginsel 24-uurszorg kan worden geboden. De omstandigheid dat zij in een privé-omgeving verblijft is op zich niet maatgevend voor de zorgbehoefte. Op grond van het vooroverwogene gaat de rechtbank in het navolgende dan ook uit van de noodzaak van 24-uurs zorg.

4.7. Voor de beantwoording van de vraag wanneer - kort gezegd - mantelzorg als vermogensschade door de aansprakelijke partij vergoed moet worden hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat het moet gaan om (kosten van) werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin [moeder] verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners, waarbij geldt dat dit niet anders is indien die werkzaamheden worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. Ook dit volgt uit het hiervoor onder rechtsoverweging 4.4. reeds genoemde arrest van de Hoge Raad en vormt bovendien één van de uitzonderingen op de in die rechtsoverweging geformuleerde maatstaf. Hierbij tekent de rechtbank wel aan dat van een gelaedeerde in het algemeen mag worden verwacht dat, indien hij besluit om de verzorging in eigen hand te houden, dit met een zekere doelmatigheid geschiedt, zowel wat betreft de wijze van uitvoering als wat betreft de omstandigheden waaronder die zorg kan worden gegeven.

Op het voorgaande ketst reeds af het betoog van Sint Antonius dat verzorging in een verpleeghuis de meest adequate en ook gebruikelijke oplossing zou zijn en dat in dat geval ook geen schade zou worden geleden (omdat bij die zorg in natura alle kosten op grond van de AWBZ worden vergoed). In het verlengde daarvan en eveneens op grond van de hiervoor weergegeven maatstaf faalt het betoog dat het aan de geïndiceerde zorg verbonden PGB van 78.000,- “geacht moet worden voldoende te zijn” om in de zorgbehoefte van [moeder] te voorzien.

4.8. Beoordeeld dient derhalve te worden of, en zo ja, in hoeverre het inschakelen van professionele hulp in een geval als het onderhavige normaal en gebruikelijk is. De rechtbank is van oordeel dat het inschakelen van professionele hulp gezien de (meergenoemde) lichamelijke en geestelijke beperkingen in het onderhavige geval voor zich spreekt. Daarbij maakt het, anders dan Sint Antonius aanvoert, en zoals uit het hiervoor weergegeven criterium volgt, niet uit dat deze professionele zorg niet daadwerkelijk is of wordt ingehuurd, maar de dochters in plaats daarvan (grotendeels) de noodzakelijke verzorging zelf op zich hebben genomen. Bij de wijze van begroten kan echter in zo’n geval geen hogere vergoeding ter zake van verpleging en verzorging worden toegekend dan het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van professionele hulp. Sint Antonius betwist daarnaast dat in een situatie waarin er voor wordt gekozen [moeder] thuis te verzorgen het niet normaal en gebruikelijk is om 24 uur per dag professionele zorg in te schakelen en daarvoor een (maximaal) professioneel uurtarief te hanteren. Volgens Sint Antonius gaat het daarbij om zaken als de nachtelijke uren waarbij het afdoende is om een oogje in het zeil te houden, gezamenlijk tv kijken en koffie drinken en de uren waarin men elkaar gezelschap houdt. Ook aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij. Zoals hiervoor ook is overwogen, is het gezien de lichamelijke en geestelijke situatie waarin [moeder] is komen te verkeren, noodzakelijk dat er altijd verzorging en begeleiding is. Van enige vrijblijvendheid daarin is geen sprake.

4.9. Volgens [verzoeksters] bedragen die kosten € 84.000,- per jaar, hetgeen zij (onder andere) hebben onderbouwd met een offerte van Zusters Zuwe Zorg (productie 22 bij het verzoekschrift). Sint Antonius voert op dit punt aan dat het bij het inschakelen van professionele hulp qua uurtarief om een veel lager bedrag gaat. Zij verwijst daartoe naar een als productie 5 bij het verweerschrift overgelegde loonstrook op naam van [A]. Op basis daarvan is Sint Antonius van mening dat van een uurtarief van € 20,- moet worden uitgegaan. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. Het enkel overleggen van een loonstrook zonder verder een nadere toelichting daarop te verstrekken over zaken als functie, geschiktheid, professionaliteit van degene die op die loonstrook vermeld staat, biedt onvoldoende aanknopingspunten om de (fictieve) kosten van professionele hulp aan de hand daarvan te begroten. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van het standpunt van [verzoeksters] en voor de begroting van (fictieve) kosten van professionele hulp aansluiting zoekt bij eerdergenoemde offerte van Zusters Zuwe Zorg. Anders dan Sint Antonius ziet de rechtbank niet in waarom de kosten van dagopvang daarbij niet betrokken zouden moeten worden. De omstandigheid dat [verzoeksters] een deel van de 24-uurs zorg wel daadwerkelijk invullen met behulp van professionele hulp, maakt niet dat deze kosten van dagopvang niet voor vergoeding in aanmerking komen. Meergenoemde maatstaf, waaronder de in de rechtspraak ontwikkelde uitzonderingen, noopt niet tot de conclusie dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen kosten van werkelijk ingeschakelde professionele hulp en hulp die wordt geboden door personen die daarvoor - officieel - geen kosten in rekening (kunnen) brengen, gelijk [verzoeksters]. Omdat uit de eerdergenoemde offerte blijkt dat daarin ook een component dagopvang is opgenomen én het door [verzoeksters] gevorderde bedrag daarmee correspondeert, kan bij de begroting van de totale kosten, derhalve de fictieve kosten en de daadwerkelijke kosten van professionele hulp, worden uitgegaan van die door [verzoeksters] gestelde bedragen. Daar komt bij dat [verzoeksters] ter zake de kosten van dagopvang geen separate vordering heeft ingediend, zodat deze geacht mogen worden begrepen te zijn in de schadepost “kosten van 24-uurs zorg”. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen tot op een bedrag van vier maal (afgerond) € 84.000,-, zijnde € 336.000,-.

b. kosten verhuizing en aanpassing woning

4.10. [verzoeksters] is van mening dat de verhuizing van [dochter 1]e van [woonplaats] naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] onder de gegeven omstandigheden redelijk was en dat de daaraan verbonden kosten door Sint Antonius vergoed moeten worden. Daarnaast vindt [verzoeksters] dat de kosten die gemoeid zijn met de - nog uit te voeren - noodzakelijke aanpassing van de woning, voor zover die niet in het kader van de WMO worden vergoed, als voorschot betaalbaar moeten worden gesteld. De verkoop, aankoop en aanpassing van de woning hebben tot op het moment van het indienen van het verzoekschrift € 273.609,45 extra gekost en de extra woonlasten en financieringslasten hebben € 87.31,98 bedragen. De Gemeente zal daarin naar verwachting € 89.542,00 exclusief BTW bijdragen.

4.11. Bij de beantwoording van de vraag naar de vergoedbaarheid van deze schadepost(en) stelt de rechtbank voorop dat artikel 6:107 BW voorziet in de mogelijkheid dat kosten die een derde maakt ten behoeve van de gelaedeerde door deze derde zelf kunnen worden gevorderd van de aansprakelijke partij indien de gekwetste deze kosten, indien hij ze zelf zou hebben gemaakt, zou kunnen vorderen van die aansprakelijke partij.

Kenmerkend voor onderhavige situatie is dat [dochter 1] haar eigen woning te [woonplaats] heeft verkocht en vervolgens - naar haar zeggen met het oog op de verpleging van haar moeder - de woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft gekocht. Voorts staat vast dat deze woning nog geschikt gemaakt moet worden om volledig invulling te kunnen geven aan de door haar en [dochter 2] aan [moeder] te verlenen zorg. De rechtbank is van oordeel dat de aankoop van de woning niet valt onder het bereik van de in artikel 6:107 BW bedoelde schade. Immers het gaat hier om een verschuiving in het vermogen van [dochter 1] althans een door haar gedane investering. Deze investering zou voor [moeder], zou zij die zelf ten behoeve van [dochter 1] gedaan hebben, niet vorderbaar zijn ten opzichte van Sint Antonius, nu het niet alleen haar eigendom en/of vermogen niet raakt, maar ook omdat het een woonsituatie betreft die niet vergelijkbaar is met die voorafgaande aan het ongeval.

Daar komt bij dat bij de keuze van de gelaedeerde (en eventueel zijn betrokkenen) over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg (waarbij het vanzelfsprekend vrij staat te kiezen voor zorg in eigen omgeving) mag worden verwacht dat hij zich rekenschap geeft van de vraag of - gezien de bestaande situatie - sprake is van een reële optie, ook voor wat betreft de vraag of de kosten ervan in redelijkheid voor rekening van de aansprakelijke partij kunnen worden gebracht. Hiermee is niet gezegd dat per definitie genoegen zou moeten worden genomen met de “goedkoopste” oplossing. Van een aansprakelijke partij kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk wel worden verwacht dat die de redelijke kosten van een verbouwing draagt, indien het slachtoffer daardoor in staat is zelfstandig of in familieverband te kunnen blijven wonen. Daarentegen is voor vergoeding van een woning van een derde en/of de daarmee verband houdende (financierings)kosten naar het oordeel van de rechtbank geen goede grondslag aan te wijzen.

Dit leidt ertoe dat de kosten van de verbouwing aan de woning van [dochter 1] wel, maar de aanschaf van die woning zelf niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Uit de door [verzoeksters] overgelegde bescheiden is niet eenduidig vast te stellen welke kosten betrekking hebben op de voor de zorg van [moeder] te verrichten verbouwing. De rechtbank zal dan ook volstaan met het uitspreken van een veroordeling van Sint Antonius tot betaling van deze kosten, die vervolgens door partijen in overleg kunnen worden vastgesteld.

smartengeld

4.12. Ter zake van immateriële schade stelt [verzoeksters] zich op het standpunt dat een vergoeding van € 100.000,- op zijn plaats is. Sint Antonius bestrijdt dit onderdeel van de vordering op het punt van de hoogte en acht, onder meer gezien de leeftijd van [moeder] en in de jurisprudentie vergelijkbare gevallen, een bedrag van € 50.000,- passend. De rechtbank neemt bij dit onderdeel van de vordering in aanmerking dat [moeder] ten tijde van de medische fout een vitale vrouw van 79 jaar was en mantelzorger was voor de gehandicapte zoon van [dochter 2]. Sinds de medische fout heeft [moeder] te maken met lichamelijke en geestelijke problemen en beperkingen, zoals hierboven omschreven. Zoals de rechtbank hiervoor onder de feiten reeds heeft vermeld is er geen volledig neurologisch herstel opgetreden en heeft [moeder] (onder meer) te kampen met woordvindingsproblemen, onvermogen om complexe handelingen uit te voeren, oogstoornissen en een gebrek aan ziekte-inzicht. Daarnaast is [moeder] halfzijdig gedeeltelijk verlamd, waardoor zij rolstoelafhankelijk is. Het invaliditeitspercentage bedraagt volgens Sint Antonius 73% en volgens [verzoeksters] 94%. In beide gevallen betreft het een zeer forse beperking. Nu [moeder] tengevolge van de medische behandeling derhalve in feite van een normaal, zelfstandig functionerende vrouw veranderd is in een vrouw die volledig afhankelijk is van anderen en bovendien 24 uur per dag verzorging nodig heeft, acht de rechtbank een smartengeldvergoeding van € 100.000,- op grond van het vooroverwogene passend en redelijk.

4.13. [verzoeksters] heeft tevens wettelijke rente gevorderd over de verschillende schadeposten. Ten aanzien van de kosten van verzorging en verpleging zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf 10 juli 2006. Vanaf dat moment hebben [dochter 1] en [dochter 2] namelijk de zorg voor [moeder] op zich genomen en zijn derhalve de (deels fictieve) kosten ontstaan. De wettelijke rente over de smartengeldvergoeding is toewijsbaar vanaf de datum van de medische fout, derhalve vanaf 8 januari 2006. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar het bepaalde in artikel 6:119 BW gelezen in samenhang met artikel 6:83 aanhef en onder b BW. Ten aanzien van de kosten van de verbouwing kan de wettelijke rente niet worden toegewezen, nu de omvang van het bedrag nog niet vaststaat en evenmin de vraag beantwoord kan worden of die kosten reeds (volledig) zijn gemaakt.

4.14. Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Omdat Sint Antonius zowel het uurtarief, althans de daarop toe te passen factor, als het aantal aan de zaak bestede uren betwist, zal de rechtbank de buitengerechtelijke kosten als volgt begroten. De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een complexe letselschadekwestie. [verzoeksters] heeft gesteld dat voor het opstellen van het verzoek en de voorbereiding van het deelgeschil 70,95 uren zijn verricht. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is volgens de rechtbank evenwel bovenmatig. De rechtbank zal de met de opstelling van het verzoekschrift gemoeide aantal uren begroten op 20 uren en die van de voorbereiding en zitting op 6 uren, zodat 26 uren voor vergoeding in aanmerking komen. Partijen hebben zich niet uitgelaten over een reeds in het stadium voorafgaande aan het deelgeschil vergoede tarief. De rechtbank acht een tarief voor een gespecialiseerd advocaat verdedigbaar en zal dit tarief vaststellen op het zogenoemde “curatorentarief” x de factor 1,5, dus op € 291,- exclusief BTW. Dit leidt ertoe dat toewijsbaar is € 9.003,54 inclusief BTW te vermeerderen met het door [verzoeksters] betaalde griffierecht van € 1.395,-, in totaal dus € 10.398,54.

4.15. Omdat tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. bepaalt dat Sint Antonius ten opzichte van [verzoeksters] gehouden is de door [verzoeksters] geleden schade volledig te vergoeden;

5.2. veroordeelt Sint Antonius om aan [verzoeksters] te betalen de tussen partijen nader vast te stellen kosten van verbouwing van de woning aan de [adres] te [woonplaats];

5.3. veroordeelt Sint Antonius om aan [verzoeksters] te betalen een bedrag van € 336.000,- ter zake van kosten van verzorging en verpleging van [moeder] over de periode juli 2006 tot juli 2010, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4. veroordeelt Sint Antonius om aan [verzoeksters] te betalen een bedrag van € 100.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5. stelt de buitengerechtelijke kosten voor deze procedure vast op € 10.398,54 en veroordeelt Sint Antonius tot betaling van die kosten aan [verzoeksters];

5.6. wijst de andere verzoeken af;

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.?