Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BP5363

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
08/963003-0
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel-Criminele Organisatie-Sneep-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT, NEVENZITTINGSPLAATS ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/963003-08

datum vonnis: 18 februari 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie bij het landelijk parket tegen:

[verdachte AK],

geboren te [plaats] [land] op [geboortedatum]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 oktober 2008, 12 oktober 2009, 13 oktober 2009, 15 februari 2010, 18 februari 2010, 3 maart 2010, 23 augustus 2010, 26 augustus 2010, 27 september 2010, 28 september 2010, 6 oktober 2010, 21 oktober 2010, 1 november 2010, 2 november 2010, 3 november 2010, 10 november 2010, 17 november 2010, 5 januari 2011 en 18 februari 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.A.H.M. Schepers en van hetgeen door de raadsvrouw mr. M.A.C. van Overmeire-de Vilder, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van

[betrokkene 14];

feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2006 tot en met 31 oktober 2007 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of Alkmaar en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Utrecht en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een ander, te weten [betrokkene 14], (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare postitie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 14] heeft, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 14] en/of

- die [betrokkene 14] (telkens) heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [betrokkene 14] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (een) seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n) tegen betaling en/of

- die [betrokkene 14] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare postitie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 14] heeft, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [betrokkene 14] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [betrokkene 14] en/of

- die [betrokkene 14] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhei(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare postitie en/of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [betrokkene 14] heeft, heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 14]'s, seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

immers zijnde/hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- met voornoemde [betrokkene 14] een (liefdes)relatie aangegaan en/of onderhouden en/of die [betrokkene 14] - door/met het geven van veel aandacht - ingepalmd en/of (emotioneel) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s) afhankelijk gemaakt en/of

- die [betrokkene 14] aangezet/bewogen als prostituee (verder) in Nederland te (gaan) werken en/of die [betrokkene 14] daartoe vanuit Duitsland naar Nederland werken en/of die [betrokkene 14] daartoe vanuit Duitsland naar Nederland vervoerd/overgebracht of laten vervoeren/overbrengen en/of die [betrokkene 14] (vervolgens) (aldaar) in (een) (recreatie)woning(en) ondergebracht of laten onderbrengen, althans voor die [betrokkene 14] (aldaar) woonruimte/onderdak geregeld of laten regelen, en/of

- voor die [betrokkene 14] (een) werkplek(ken) geregeld of laten regelen waar zij als prostituee kon werken en/of die [betrokkene 14] naar haar werkplek(ken) gebracht of laten brengen en/of van haar werkplek(ken) opgehaald en/of laten ophalen en/of

- die [betrokkene 14] - ook ongesteld - als prostituee laten werken en/of toegezien of laten toezien op (een minimum aan) (de) werktijd(en) (en daarmede (aan) (de) inkomsten) van die [betrokkene 14] als prostituee en/of die [betrokkene 14] (verder) in de gaten gehouden of in de gaten laten houden en/of middels bel-/sms-contact gecontroleerd en/of gedirigeerd en/of

- die [betrokkene 14] (het) door haar met/in de prostitutie verdiend geld geheel of gedeeltelijk aan hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), (onder het mom van sparen) doen afstaan en/of doen overmaken en/of die [betrokkene 14] (aldus) in een (verder) van hen/hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijke positie gehouden en/of

- die [betrokkene 14] gedwongen, althans aangezet/bewogen, zich te laten aborteren (teneinde het prostitutiewerk te kunnen (blijven) vervullen) en/of

- die [betrokkene 14] en/of een of meer medeprostituees geslagen en/of op (anderszins) agressieve/gewelddadige wijze benaderd en/of onder druk gezet en/of (aldus) een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat die [betrokkene 14] geen of (te) weinig weerstand tegen verdachte en/of verdachtes mededader(s) kon/durfde te bieden en/of voortgebouwd op de bij die [betrokkene 14] door eerder agressief/gewelddadig handelen ontstane angst voor (verder) geweld van de zijde van verdachte en/of verdachtes mededader(s) en/of

- die [betrokkene 14] te verstaan gegeven dat zij, wanneer zij zou stoppen met haar werk (en daarmede haar inkomsten) als prostituee, een (afkoop)bedrag van 50.000,- euro of daaromtrent, in elk geval enig (afkoop)bedrag, moest betalen en/of haar ouders alsdan op de hoogte zouden worden gebracht van haar werk als prostituee.

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002, althans de periode van 03 augustus 2005, tot en met 15 mei 2008, althans tot en met 07 februari 2007, te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, en/of Alkmaar en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Utrecht en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Turkije, heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit [SB] en/of [HB] en/of [UT] en/of[MD] en/of [BI] en/of verdachte ('de organisatie [B]'), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en/of 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die mensenhandel onder andere bestond uit het seksueel uitbuiten van vrouwen (prostituees) en/of

- (zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die (zware) mishandeling onder andere bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen van (meerdere) personen (prostituees, klanten van prostituees e/ofn pooiers) en het laten uitvoeren van borstvergrotingen en/of

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het bedreigen van prostituees en/of klanten van prostituees) en/of

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie (onder andere het voorhanden hebben van steek- en/of vuurwapens) en/of

- afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (onder andere het afhandig maken van geld van prostituees).

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten in de bewezenverklaring verbeterd. Daardoor wordt verdachte niet geschaad in zijn verdediging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Feitelijk gedeelte van de tenlastelegging

De tenlasteleggingen in de zaken van Sneep II zijn voor wat betreft de mensenhandel toegespitst op de in artikel 273a (oud)/273f en in een enkel geval ook in 250a (oud) Sr, telkens in het eerste lid omschreven onderdelen. De opbouw van de tenlastelegging is steeds dat eerst de onderdelen zijn omschreven, gevolgd door een passage die begint met ‘immers’, welke passage de feitelijke omschrijving bevat. De rechtbank duidt in haar overwegingen in voorkomende gevallen dat deel van de tenlastelegging soms aan als ‘het feitelijk deel van de tenlastelegging’ of ‘de feitelijke omstandigheden’ maar ook wel als ‘de feitelijkheden’. Met die laatste term wordt dan niet bedoeld: feitelijkheden in de zin van de als dwangmiddel in de delictsomschrijving opgenomen wetsterm. Wanneer dat wél wordt bedoeld, vermeldt de rechtbank dat uitdrukkelijk.

Artikel 273f, eerste lid aanhef en sub 4°, Sr

- Gebondenheid aan de tenlastelegging

De rechtbank stelt voorop dat de tenlastelegging er toe strekt voor de procesdeelnemers – zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte en eventueel de benadeelde partij – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Afgezien van de wettelijke wijzigings- en aanvullingsmogelijkheden (artikelen 312, 313 en 314 Sv) kan de rechter aan de tenlastelegging overeenkomstig haar kennelijke strekking een uitleg geven die met de bewoordingen ervan niet letterlijk overeenstemt, mits die uitleg met die bewoordingen niet onverenigbaar en ook overigens niet onbegrijpelijk is alsmede ook voor de andere procesdeelnemers duidelijk is. Eventuele kennelijke misslagen kunnen aldus worden hersteld (vgl. HR 27 juni 1995, NJ 1996, 126 en 127).

- Tenlastelegging in Sneep II

In de zaken die onder de naam Sneep II aan de rechtbank zijn voorgelegd, zijn de tenlasteleggingen die betrekking hebben op mensenhandel, in de meeste gevallen volgens een vast patroon opgebouwd. Primair wordt verdachte verweten dat hij als pleger of medepleger betrokken is geweest, subsidiair is medeplichtigheid tenlastegelegd. In vrijwel alle zaken is onder meer artikel 273f, eerste lid sub 4°Sr, of de corresponderende strafbaarstelling in de vervallen artikelen 273a (oud) en 250a (oud) Sr, tenlastegelegd. Dit onderdeel ziet op degene die in een door een ander gecreëerde uitbuitingssituatie of situatie van onvrijwilligheid (dat zijn de onder 1° genoemde omstandigheden waarbij een dwangmiddel is gebruikt ) enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Volgens de wetsgeschiedenis is deze culpoze variant ingevoerd met het oog op personen voor wie niet bewijsbaar geldt dat zij zelf de dwangmiddelen hebben aangewend om een vrouw te dwingen of te bewegen zich tot prostitutie beschikbaar te stellen, maar die, in een situatie waarin een vrouw door anderen daartoe gedwongen of bewogen zich prostitueert, zelf iets doet waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de vrouw zich daardoor prostitueert. In gewoon Nederlands: iemand doet iets, waarvan hij weet of moet vermoeden, dat een vrouw die in een uitbuitingssituatie verkeert, zich daardoor prostitueert.

- Bewijsvraag

Voor alle verdachten is een vrijwel gelijkluidende tenlastelegging uitgebracht. Voor vrijwel alle verdachten is gerequireerd tot bewezenverklaring van het (mede)plegen van mensenhandel bij alle vrouwen. Het is de taak van de rechtbank op basis van de tenlastelegging tot een oordeel te komen. De rechtbank constateert bij beantwoording van de bewijsvraag dat niet alle verdachten op eenzelfde wijze bij de verweten gedragingen betrokken zijn geweest. Daardoor kan in veel gevallen opzet en/of medeplegen niet bewezenverklaard worden.

- Sub 4°

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het gedachtestreepje dat ziet op sub 4° in die gevallen bewezen kan worden.

In het huidige sub 4° - en de voorlopers daarvan in de inmiddels vervallen artikelen 273a (oud) en 250a (oud) Sr - heeft de wetgever, voor zover in deze zaak van belang, naar het oordeel van de rechtbank twee situaties strafbaar willen stellen, te weten:

1) een ander met de onder lid 1, sub 1° genoemde middelen dwingen of bewegen, zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid of diensten, en

2) onder de omstandigheden van lid 1, sub 1°, enige handeling ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een ander zich daardoor beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid of diensten.

Onder 1) valt de uitbuiter zelf, onder 2) bijvoorbeeld degene die door de officier is aangeduid als “facilitator”, ofwel een persoon die op de hoogte is van de uitbuiting en daarbij zelf ook enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moeten vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele diensten. De officier van justitie heeft steeds de delictsomschrijving van sub 4° in zijn geheel tenlastegelegd, ook al had zij, zo leidt de rechtbank uit het requisitoir af, soms alleen het oog op het tweede deel van sub 4°.

De rechtbank loopt door deze wijze van tenlasteleggen tegen een probleem op. In gevallen waarin de rechtbank niet kan bewijzen dat verdachte zelf de pleger van de uitbuiting was en dus zal vrijspreken van het eerste deel van sub 4°, blijft het tweede deel van dat gedachtestreepje over. Dat tweede deel is: dat verdachte “onder genoemde omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die vrouw zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten”, waarna onder “immers” de feitelijke handelingen van de uitbuiter volgen.

De rechtbank is van oordeel dat de overgebleven zin “onder genoemde omstandigheden enige handeling ondernemen” onvoldoende concreet en feitelijk is. Waar doelt de steller van de tenlastelegging dan op? De genoemde omstandigheden worden daarin immers niet meer genoemd, nu het eerste deel van de tenlastelegging is weggestreept. Bovendien zijn de feitelijkheden die na “immers” volgen, geen uitwerking van “enige handeling” die door verdachte wordt verricht. De feitelijkheden die door verdachte worden verricht, staan namelijk in de tenlastelegging genoemd onder het subsidiair tenlastegelegde, ter invulling van de medeplichtigheid.

De rechtbank heeft zich afgevraagd of zij de tenlastelegging verbeterd zou kunnen en moeten lezen in die zin dat de steller van de tenlastelegging het volgende heeft bedoeld ten laste te leggen: dat een medeverdachte (de uitbuiter) de vrouw heeft gedwongen of bewogen, met de dwangmiddelen van lid 1 sub 1°, om zich beschikbaar te stellen voor arbeid en diensten, door de na “immers” genoemde feitelijkheden te verrichten, terwijl verdachte onder die omstandigheden, enige handeling heeft verricht, te weten de handelingen die onder het subsidiair tenlastegelegde staan, ter invulling van de medeplichtigheid. Die feitelijkheden zou de rechtbank daar dan moeten inlezen.

Een dergelijke reconstructie is naar het oordeel van de rechtbank echter niet een uitleg van de tenlastelegging die valt binnen de door de Hoge Raad getrokken grenzen.

- Conclusie

De rechtbank zal verdachte in dergelijke gevallen (ook) vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het als artikel 273f/273a (oud), onder sub 4°/250a (oud) sub 1° Sr tenlastegelegde.

5.1 Sheila [betrokkene 14] (tenlastelegging onder feit 1)

5.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

5.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Tenlastelegging

Aan verdachte is medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 14]l tenlastegelegd. De tenlastelegging bevat een groot aantal feitelijkheden die de uitwerking vormen van de tenlastelegging voor zover die is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f, eerste lid aanhef, sub 1°, 3°, 4°, 6° en 9° Sr.

Verklaring verdachte

Verdachte ontkent zich aan het tenlastegelegde schuldig te hebben gemaakt.

Verklaring [betrokkene 14]

[betrokkene 14] is diverse keren door de politie en door de rechter-commissaris gehoord en verklaart belastend. De verdediging heeft bepleit, samengevat, dat de verklaringen van [betrokkene 14] tegenover de politie van het bewijs moeten worden uitgesloten, ofwel omdat deze zonder bijstand van een tolk zijn afgelegd, ofwel omdat er van een aantal verhoren geen bandopname is gemaakt en in elk geval omdat het ondervragingsrecht niet ten volle uitgeoefend kon worden.

De rechtbank overweegt het volgende. [betrokkene 14] is behalve door de politie ook door de rechter-commissaris gehoord. Het verhoor bij de rechter-commissaris is voortijdig afgebroken en een volgend verhoor heeft niet meer plaatsgevonden. De verdediging heeft dus niet ten volle van haar ondervragingsrecht, zoals beschermd door artikel 6 EVRM, gebruik kunnen maken. Het dossier bevat belastende verklaringen van [betrokkene 14]. In het licht van de vaste jurisprudentie over de eisen die aan het bewijs gesteld worden indien het ondervragingsrecht niet uitgeoefend kon worden, bevat het dossier niet in voldoende mate ander bewijs waar de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit op gebaseerd kan worden. Zeker niet nu verdachte diverse onderdelen daarvan gemotiveerd heeft betwist.

Bovendien bevat het dossier evenmin in voldoende mate het op grond van artikel 342, tweede lid, Sv benodigde steunbewijs. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

5.1.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.2 Deelneming aan een criminele organisatie (tenlastelegging onder feit 2)

5.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit omdat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Juridisch kader

Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie, te weten het plegen van misdrijven, hoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet hoeft te worden bewezen dat verdachte in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Bestaan van een organisatie?

De rechtbank komt niet toe aan beantwoording van de vraag of het bestaan van de tenlastegelegde organisatie bewezenverklaard kan worden omdat de vraag of verdachte aan zo een organisatie heeft deelgenomen reeds ontkennend beantwoord moet worden.

Deelneming door verdachte?

Verdachte heeft geweigerd om een verklaring af te leggen over de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

De officier van justitie heeft betoogd dat het bewijs van de deelneming door verdachte aan de criminele organisatie terug te vinden is in de ordners 47 t/m 50A van het dossier. De rechtbank heeft in de genoemde ordners echter geen enkel bewijsmiddel voor de tenlastegelegde deelneming door verdachte aangetroffen. Voorts leveren het bewijs in de zaak [betrokkene 14] en de resultaten van het Saffieronderzoek niet het bewijs van deelneming op. De verklaringen van[BI] [betrokkene 14] en het telefonische contact dat verdachte met [BI] over [betrokkene 14] heeft gehad, acht de rechtbank daartoe niet voldoende. Uit het Saffieronderzoek kan evenmin bewijs geput worden, al was het maar omdat een eventuele ‘wraakactie’ van een groep mannen onder leiding van [NT], na de mishandeling van verdachte en [BI], ook uitsluitend te maken kan hebben gehad met de persoon [BI]. Tot slot levert het feit dat verdachte’s paspoort bij [SB] is aangetroffen geen bewijs op van deelneming door verdachte aan een organisatie waarvan ook [SB] lid is geweest.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er onvoldoende bewijs voor deelneming door verdachte aan een criminele organisatie is en zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

5.2.3. De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.3 Afsluitende overwegingen

Inleiding

De rechtbank zal bij gebrek aan bewijs anders dan de officier van justitie heeft gevorderd voor alle feiten vrij spreken. De rechtbank realiseert zich dat dit bevreemding kan wekken gelet op zowel de inhoud van de tenlastelegging als die van het requisitoir. De rechtbank overweegt daarom nog het volgende.

Inhoud dossier, tenlastelegging en requisitoir

De officier van justitie heeft in het requisitoir voorbeelden opgesomd van gruwelijkheden waaraan verdachte en zijn mededaders zich naar het oordeel van het openbaar ministerie hebben schuldig gemaakt. Daarbij spreekt de officier in algemeenheden.

Zo is genoemd dat de vrouwen zeer vernederende handelingen en bejegeningen moesten ondergaan: (anale) verkrachtingen, brandmerken door middel van tatoeages, op hen urineren, gedwongen abortussen en bepalen door verdachten van de omvang van borstvergroting(en).

De rechtbank stelt vast dat de opgesomde handelingen en bejegeningen slechts enkele keren in de tenlasteleggingen van de in Sneep II terecht staande verdachten zijn opgenomen. Het urineren op vrouwen is in geen enkele zaak tenlastegelegd.

De rechtbank stelt ook vast dat bij vrijwel alle wél tenlastegelegde handelingen daarvan wegens het ontbreken van bewijs zal worden vrijgesproken. Slechts één keer is bewezen geacht dat een vrouw is bewogen om een tatoeage te laten zetten en in één zaak kan bewezen worden dat verdachte als dwangmiddel bij mensenhandel, met een slachtoffer tegen haar wil seksuele handelingen heeft verricht.

De officier geeft verder als voorbeeld dat leden (cursivering van de rechtbank) van de groep vrouwen (cursivering van de rechtbank) aan elkaar cadeau gaven (bijvoorbeeld betrokkene 39]). De rechtbank stelt vast dat in het hele dossier één keer sprake is geweest van een dergelijk “cadeau”, daar waar [SB] tegen [BK] zegt dat hij hem [betrokkene 39] cadeau geeft. Dit is in geen enkele zaak tenlastegelegd.

Verder zouden de paspoorten van de vrouwen vaak zijn ingenomen. Dit is bij geen enkele verdachte opgenomen in de tenlastelegging. Op basis van het dossier kan vastgesteld worden dat dit in één geval, bij [betrokkene 22], is gebeurd.

Er zou in Vinkeveen tegen groepskorting een bungalowpark zijn afgehuurd om vrouwen en leden van de criminele organisatie onder te kunnen brengen. Tenlastegelegd is het niet.

Vrouwen moesten kort na de (borstvergrotende) operatie weer aan het werk gaan. Dit is in geen enkele tenlastelegging opgenomen en de rechtbank heeft het evenmin kunnen vaststellen.

Conclusie

Samengevat: de inhoud van het requisitoir schetst een beeld van feiten die zouden hebben plaatsgevonden, welk beeld in de tenlasteleggingen niet altijd niet is terug te vinden en in de gevallen waarin dat anders is, slechts in de twee genoemde gevallen in een bewezenverklaring uitmondt.

De rechtbank overweegt dat door de formulering van het requisitoir, bedoeld of onbedoeld, de indruk wordt gewekt dat de beschreven praktijk een algemene was. Dat alle vrouwen die in het Sneepdossier als slachtoffer worden genoemd, door het openbaar ministerie becijferd op 120, aan al deze gruwelijkheden blootgesteld zijn geweest. En ook dat alle verdachten zich hieraan hebben schuldig gemaakt, althans daarbij betrokken waren. Dat draagt bij aan een beeldvorming, ook in de media en maatschappij, die op gespannen voet staat met de feiten zoals die op basis van het dossier kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank wil niet de ernst van de wel bewijsbare feitelijkheden bagatelliseren of iets afdoen aan de ernst van mensenhandel. De rechtbank hecht er echter aan om het door de officier van justitie geschetste beeld te relativeren, in die zin dat een substantieel aantal van de in het requisitoir genoemde algemeenheden niet zijn tenlastegelegd en geen onderbouwing vinden in het dossier en dat een groot deel van de aan verdachten wel tenlastegelegde feiten niet bewezen kan worden.

6. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

vordering gevangenneming

- wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.C. Geeve, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2011.